Daar wordt wat groots verricht

Schadeclaims van slachtoffers en een opeenstapeling van ‘onthullingen’ in dag- en opiniebladen. Het Nederlands militair optreden in Indonesië lijkt eindelijk ‘hot’. Maar wie schrijft nu het boek der boeken? Of is het al geschreven? Door Herman Keppy.

Met de pensionering bij de dag- en opiniebladen van hen die Indië nog hebben meegemaakt, lijken we van de ene in de andere onthulling over de strijd in de voormalige kolonie te vallen. Die oude rotten bij de krant zullen hun schouders hebben opgehaald. Is dit nieuws, is het zo onthullend? Maar zij zijn er niet meer en de geschiedenis van Nederlands-Indië is geen nationaal gemeengoed, dus worden we getrakteerd op het ene ‘schokkende’ artikel na het andere. De lezer moet verbaasd, verontwaardigd, beschaamd reageren. Als dat gevoel is weggeëbd, volgt de volgende schreeuwende kop.


Essay uit dBNg 2015#0

  


Het gebrek aan Indiëkenners bij de eindredacties leidt tot het ontbreken van de regulerende kurk op de fles. De geest die eruit wil, wordt vooral ingegeven door de ingediende schadeclaims bij de Nederlandse staat die begonnen met de affaire van de weduwen van Rawagade. Meer claims volgden en dreigen, ze blijven voor commotie zorgen. En de ontsnapte geest werd aangeblazen door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Die wetenschappelijke instituten dienden in 2012 een verzoek in bij de regering om een ‘gezaghebbende beschrijving en analyse op te stellen van het Nederlands militair optreden in Indonesië in 1940-1945’. De aankondiging zorgde voor de gebruikelijke veelheid aan felle reacties vanuit kringen van veteranen en Indo-Europeanen. In de trant van ‘Er is geweld geweest, maar mijn compagnie heeft er zich niet schuldig aan gemaakt’ en ‘Weten jullie wel wat de Indonesiërs ons hebben aangedaan?’ Niet geheel onterecht, dat verweer. Al was het omdat uit het verzoek blijkt dat er niet evenredig aandacht zal worden besteed aan het buitensporig geweld aan Indonesische zijde. Maar de luttele drie miljoen euro die de eerbiedwaardige instituten menen nodig te hebben, werd botweg geweigerd. Kennelijk heeft men er bij de betreffende ministeries meer verstand van.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Zal het derhalve nooit goed komen met dat nationaal bewustzijn? Blijven het land dat zovelen in Nederland in de genen zit en de grootste oorlog die wij ooit voerden een ver-van-ons-bed-show? Welnu, het zal goed komen. Wetenschappers, meestal op een of andere manier verbonden aan de drie grote instituten, zijn gewoon gestart of doorgegaan met hun research. Veel aandacht kreeg al het promotieonderzoek van Rémy Limpach. Hij bestempelt het door de Nederlandse militairen gebruikte geweld als ‘structureel’. Een handelseditie van zijn onderzoek wordt midden volgend jaar verwacht. Daarnaast heeft Gert Oostindie, directeur van het KITLV, de eigen archieven doorgespit. Hij en zijn medewerkers lazen 700 getuigenverslagen van bij elkaar 1400 militairen die de acties hebben meegemaakt. Op 31 oktober 2015 verschijnt de publicatie Soldaat in Indonesië, 1945-1950. Getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Aansluitend op Limpachs bevindingen bewijst ook Oostindie dat er veelvuldig oorlogsmisdaden werden begaan.

Belangrijk zonder meer, die publicaties. Maar er zijn toch eerder boeken uitgekomen die al lang geen ruimte meer laten voor twijfel over het geweld toegepast door de Nederlandse militaire strijdmacht? Neem de titel van het onvolprezen werk van J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix: Het Nederlands/Indonesisch conflict. Ontsporing van geweld, reeds in 1970 verschenen en onlangs heruitgegeven. Of van recenter datum, maar ook al dertien jaar geleden: Last van de Oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking (Stef Scagliola, Balans, 2002). Toch wil het in ons nationaal bewustzijn maar niet beklijven dat het goed is misgegaan tijdens de dekolonisatie. Rest de vraag of de twee nieuwe uitgaven het grote publiek nu wel gaan bereiken.

Dan kunnen we misschien beter ons geld inzetten op twee andere, hoogst interessante boeken die op het punt van verschijnen staan. Begin december ziet Succes in een verloren oorlog (QV uitgeverij) het daglicht, van de hand van de inmiddels op 92-jarige leeftijd overleden generaal b.d. Ben Bouman. En de op waarheid gebaseerde roman De tolk van Java (De Geus) van Alfred Birney, zoon van een Indiëveteraan, wordt in het voorjaar van 2016 verwacht.

Nieuw in Boumans publicatie is dat hij de focus legt op een niet eerder beschreven groep vechtjassen: de Speciale Troepen Groep Spier. Dat waren honderden voornamelijk Indonesiërs aan Hollandse kant onder leiding van oorlogsheld Tiavadar Spier. Zij verleenden steun aan de 7 Decemberdivisie waartoe in die tijd ook Bouman behoorde. De kracht van het boek ligt in het feit dat ooggetuige Bouman citeert uit oude brieven aan thuis, hij zocht Spier en andere voormalige collega’s op, hij deed onderzoek bij het NIMH en hoorde ook voormalige tegenstanders. Zo wordt een onthutsend helder beeld geschetst van de zware omstandigheden, de gevechtshandelingen en de geest onder de manschappen. Een citaat: ‘Maar de mensen die waren gesneuveld, werden door de mensen van Toegimins peloton uit woede op een hoop gegooid, ze werden zo links en rechts de kop afgeslagen en die werden daar langs de hele weg op staken gezet. Verdomd vervelend hoor! Ik kon er niets aan doen. Wel was het zo dat we sinds die tijd nooit meer last hadden.’

Alfred Birney doet eveneens kond van het ongebreidelde geweld, zich daarbij baserend op het nagelaten levensverhaal dat zijn vader bij elkaar typte. Birney senior was ingedeeld bij de inlichtingendienst van de Mariniersbrigade. Hij schrijft over zijn eigen gewelddadige acties, maar net als Bouman ook over de aan andere kant. Zo doet hij verslag van een door ‘guerrilla’s’ overvallen Chinees: ‘Die begonnen hem te mishandelen. Terwijl hij op de grond lag te kermen, werden zijn vrouw en dochter door die mannen verkracht en daarna met messen en bajonetten bewerkt. Zijn vrouw overleed, maar zijn dochter, een meisje van 18 jaar, leefde nog. Die barbaren hebben dat kind toen maar levend begraven.’

Birneys roman bestaat uit twee delen. Naast het huiveringwekkende verhaal van zijn vader schrijft hij onbevangen over zijn eigen jeugd, onder een tiranniek, sadistisch, want getraumatiseerd gezinshoofd. Een wonder dat Alfred Birney er zo feitelijk en soms ook met veel humor over kan schrijven. Hij geeft een nieuwe dimensie aan het dekolonisatiedrama, want heimwee en agressie eindigen natuurlijk nooit met het opbouwen van een nieuw bestaan in een vreemd land.

David Van Reybrouck, met Congo winnaar van de AKO Literatuurprijs en de Libris Geschiedenis Prijs 2010, zal zich ter oriëntatie wel gaan verdiepen in bovengenoemde zes publicaties. De Belgische auteur heeft onlangs aangekondigd dat ‘het eens tijd wordt om over dat Indië en Nederlands-Indië te schrijven’. Is mooi, dat een buitenstaander ons Nederlanders gaat vertellen hoe die tempo doeloe precies in elkaar stak.

Voor het geval wij het nu nog niet weten.