Van socialisme naar Barbarij

Sinds Viktor Orbán in 2010 werd verkozen tot premier van Hongarije zorgt zijn beleid ervoor dat de democratie en de persvrijheid in het land steeds verder onder druk komen te staan. dNBg-redacteur Tivadar Vervoort zet uiteen hoe dit kon gebeuren, trekt een lijn naar Trump, Wilders en Le Pen, en pleit voor minder morele verontwaardiging en resolutere democratische stellingname. Door Tivadar Vervoort


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

  

Nadat de Sovjets in 1956 de Hongaarse Opstand hadden neergeslagen, ontwikkelde Hongarije zich, onder het zogenaamde ‘goulashcommunisme’, tot een van de vrijere Oostbloksamenlevingen. Met ‘het einde van de geschiedenis’ in de jaren negentig leek het land daarom de beste kaarten te hebben om aansluiting te vinden bij de West-Europese liberale orde. Ruim twintig jaar later blijkt die geschiedenis allesbehalve voltooid; het project van premier Viktor Orbán om Hongarije om te bouwen tot een ‘illiberale democratie’ is in een vergevorderd stadium.

Nadat hij in 2010 met een absolute meerderheid verkozen werd, verwijderde Orbán om te beginnen de checks-and-balances die na Die Wende in de – oorspronkelijk naar Sovjetvoorbeeld gemodelleerde – grondwet werden verankerd. Orbáns nieuwe grondwet erkent weliswaar een democratisch gekozen parlement, maar zijn beleid smoort met succes ieder politiek debat. De vrijheid van pers, godsdienst en onderwijs wordt steeds verder ingeperkt, en Orbáns clique heeft nagenoeg alle sectoren van de economie in een oligarchische greep. De symbolische kracht van Orbáns nationalistische discours completeert het beeld: het verdwijnen van politieke vrijheden wordt verpakt als de wil van het Hongaarse volk. Omdat het gaat over één (Oost-Europees) land is Orbáns succes makkelijk af te doen als een uniek geval. Dat zou een vergissing zijn. In werkelijkheid is het een specifiek en vergevorderd crisisgeval van een tendens die zich ook aan deze kant van het vroegere IJzeren Gordijn én voorbij de Atlantische Oceaan aftekent.

Illiberale democratie

Zodra hij aan de macht kwam, dreef Orbán een wig tussen de liberale constitutie en de democratie. Hiermee deed hij iets wat soms impliciet, soms expliciet in het programma van zijn politieke soortgenoten verscholen ligt. De democratie bleek eens te meer een floating signifier, een rekbaar begrip dat sterk uiteenlopende betekenissen kan absorberen. De demos van de een is niet die van de ander: de tweede d van de ddr was vooral De Partij; Wilders’ volk is toch vooral zijn autochtone stemmer; en Orbáns volk is De Hongaar, trotse inwoner van het Groot-Hongaarse Rijk van voor 1920 (het jaar dat Hongarije 71 procent van zijn grondgebied verloor als genoegdoening voor de Eerste Wereldoorlog), bij voorkeur levend naar de maatschappelijke normen van die tijd. Deze fantasie maakt alle interne kritiek op Orbáns illiberalisme bij voorbaat onschadelijk als verraad en belediging van de nationale eer, en alle buitenlandse kritiek als bevestiging van de imperialistische bedoelingen van een Westen dat de Hongaarse volkswil tracht te beknotten.

De ‘posthistorische’ liberale democratie is in Orbáns wereldbeeld niets meer dan een ideologie van ontworteling, zelfverrijking en moreel nihilisme. In de preambule van zijn Hongaarse grondwet wordt een staatburger omschreven als christelijk, heteroseksueel en stevig verankerd in de Hongaarse culturele geschiedenis – het liefst door geboorte. De grondwet is een afrekening met de erfenis van het socialisme, maar over de erfenis van de Holocaust – waarin Hongarije met nazi-Duitsland collaboreerde – wordt met geen woord gerept. In plaats daarvan wordt de constitutionele verwerping van het socialistische verleden juist ingezet om iedere vorm van kosmopolitisme de kop in te drukken. Dat Orbán zelf als socialistische apparatsjik werkte en al sinds 1990 deel uitmaakt van de politieke elite waartegen hij ageert, mag in dat opzicht kennelijk niet deren.

Twee recente voorbeelden laten goed zien hoe ver Orbáns overwinning op andere politieke ideologieën gevorderd is, en hoezeer zijn eigen politiek traditionele verhoudingen in de war schopt. Onlangs werden vrijwel gelijktijdig het socialisme en het liberalisme mikpunt van zijn toorn, toen het standbeeld van de wereldberoemde denker Georg Lukács uit Boedapest werd verwijderd en een nieuwe onderwijswet de Central European University (ceu) tot sluiten dwong. Lukács speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van het twintigste-eeuwse socialisme, terwijl de ceu opgericht werd door durfkapitalist George Soros. Hoewel Lukács en Soros in veel opzichten tegenpolen zijn, zijn zij voor Orbán een en dezelfde vijand van de Heimat: kosmopolitische, veranderingsgezinde individuen, die fundamenteel ontwortelde en vervreemde tradities vertegenwoordigen. Beiden worden ze tot symbool gemaakt van de voortdurende kolonisering van het land, eerst door het socialisme, later door shock-kapitalisme en het bijbehorende cultuurrelativisme. Daarbij maakt Orbán impliciete toespelingen op zowel Lukács’ als Soros’ Joodse achtergrond, die in de door hem gedomineerde media vervolgens dankbaar expliciet gemaakt worden. De Joodse marxist en de durfkapitalist vertegenwoordigen de uitbuiting van het Hongaarse volk voor en na 1989.

‘Laat Soros niet als laatste lachen’, heet het in de meest recente postercampagne. Posterpropaganda onder het mom van ‘overheidsmededelingen’ is een van Orbáns belangrijkste machtsmiddelen. Een paar maanden geleden werd het volk in een ‘nationale consultatie’ gevraagd naar zijn mening over de eu. De tendentieuze vragenlijst ging vergezeld van een grootscheepse postercampagne onder de titel ‘Laten we Brussel stoppen!’ Het blijkt de moeite niet eens de schijn van neutraliteit op te houden. De symbolische gelijkschakeling van socialisme en liberalisme, die al in de preambule van de grondwet verscholen ligt, wordt zo compleet gemaakt: waar eerst de Sovjet-Unie de koloniserende onderdrukker was, krijgt nu de Europese Unie deze rol toebedeeld.

Het publieke domein

In weekblad Élet és Irodalom – een van de laatste onafhankelijke gedrukte media – beschreef filosoof András Kardos Orbáns hegemonie als een tweede ‘systeemruil’, na de overstap van socialisme naar kapitalisme in 1989. De bekende liberale Hongaars-Oostenrijkse publicist Paul Lendvai spreekt in een recent verschenen boek over Orbáns ‘maffiastaat’. Het verschil tussen de twee termen is tekenend, en Kardos’ analyse is accurater: Orbán handelt met zijn volgelingen niet alleen tegen en onder de instituties van een constitutionele democratie, maar installeerde een volledig nieuwe illiberale orde. Waar Trump per decreet moet regeren en een permanente state of emergency moet veinzen, herdefinieerde Orbán simpelweg het gehele Hongaarse staatsbestel. Hoewel Hongarije op papier nog een democratie is, verzekerde Orbán zich al bij zijn verkiezing van zijn machtspositie, door gerrymandering van kiesdistricten en een ingewikkeld tweestemmensysteem dat de winnende partij onevenredig bevoordeelt. De restanten van de versplinterde oppositie komen niet verder dan enkele zetels: de antisemitische nationalisten van de Jobbik-partij vormen Orbans enige grote bedreiging.

Ondertussen zijn de geschiedenisboeken voor de tweede keer sinds 1989 herschreven, en worden gedenktekens en straatnamen – spiegels van de heersende ideologie – vervangen en hernoemd. In korte tijd verschenen in het straatbeeld tientallen standbeelden voor autoritair regent en nazicollaborateur Miklós Horthy, en zelfs een kleine veertig van antisemitisch schrijver Wass Albert, wiens werk een ware revival doormaakt. De verdachtmakingen van deze ‘straatideologie’ zijn erg tendentieus: het Rooseveltplein aan de voet van de Boedapester Kettingbrug verdween, evenals straten vernoemd naar Gorki, Majakovski en andere publieke figuren die ook maar enigszins aan de socialistische traditie gerelateerd kunnen worden.

Orbáns overweldigende succes wordt verklaard door het samenspel tussen hersymbolisering en de institutionalisering van beleid. Zijn mediawet uit 2010 installeerde een commissie die mediakanalen toetst op moreel handelen, en zich officieel richt tegen ‘verslonzing’ van de berichtgeving, maar in wezen de terugkeer van (zelf-)censuur betekent. De grote dagbladen werden door Orbáns eigen netwerk overgenomen, opgedoekt of omgebouwd tot propagandakanaal. Toen een nieuw onafhankelijk en relatief succesvol nieuwsportaal werd opgericht onder de naam 444.hu reageerde een van Orbáns volgelingen met de website 888.hu die amper het niveau van Breitbart.com overstijgt. Sites als 444.hu zijn op één hand te tellen, hun bereik is bijzonder klein, en in veel gevallen wordt ze een perskaart ontzegd. Ook de laatste grote oppositiekrant, Népszabadság (‘Volksvrijheid’), werd afgelopen jaar opgeheven. De staatsomroep zelf heeft zijn kritische rol volledig verloren en zendt met name de successen van de regering uit. Voor veel Hongaren buiten Boedapest is de publieke omroep nog altijd de voornaamste nieuwsbron. Dat leidt tot absurde scenario’s waarin Orbán de vooruitgang van de natie bezingt voor mensen die werkloos thuis zitten: de economische groei, die na jaren stagnatie recent terugkeerde, concentreert zich voornamelijk rondom Boedapest.

Nu de meeste pijlers van een gezonde diverse democratie het onderspit hebben moeten delven, kan en bij de hoeders en voeders van die traditie. Orbans aanval op Lukács en Soros dus begrepen worden als een aanval op zijn laatste institutionele vijand: de academie.

De academie als fremdkörper

De wet waardoor de Central European University dreigt te moeten sluiten, valt binnen een al maanden voortdurende campagne tegen Soros. Het officiële argument voor de ‘lex ceu’ is dat de universiteit een concurrentievoordeel zou genieten ten opzichte van Hongaarse universiteiten, doordat de ceu ook Amerikaanse diploma’s mag afgeven. Dat is niet alleen niet helemaal juist en bovendien irrelevant, maar is vooral een zwakke aanleiding voor de publiekscampagne tegen Soros, die propagandistische proporties aanneemt. De campagne richt zich niet zozeer tegen zijn vermogen, noch tegen de wijze waarop hij dat verkreeg – hoewel daar zeker vraagtekens bij gezet kunnen worden –, maar tegen zijn steun aan organisaties die diversiteit en multiculturalisme in Hongarije zouden promoten. ‘Filantrokapitalist’ Soros, die zijn vermogen vergaarde via een reeks beursspeculaties met verregaande macro-economische gevolgen, vertegenwoordigt zowel het internationale durfkapitalisme (shock-doctrine-stijl) en het multiculturalisme, en hij is ook nog eens Joods. Hij is Orbáns ideale economische, culturele en etnische boeman voor alle problemen van het postsocialistische tijdperk.

Als zelfs de radicale marxist Slavoj Žižek de noodzaak voelt zijn eeuwigdurende aanvallen op Soros te staken en hem zelfs te verdedigen, is het wel duidelijk dat het Orbán niet te doen is om kapitalismekritiek of marktregulatie. Sterker: de wijze waarop Hongaarse Postbus 51-filmpjes antisemitische stereotypes opvoeren, rechtvaardigt Žižeks conclusie dat hier sprake is van een neofascistische tendens. De Duitse marxistische filosofe Rosa Luxemburg schreef begin twintigste eeuw dat zonder socialisme de mensheid slechts barbarij zou resten. In Hongarije lijkt zij nu op een verwrongen manier gelijk te krijgen: sinds het goulashsocialisme uit Hongarije is verdwenen, heeft Hongarije meer dan ooit de barbarij te vrezen.

Standbeeldpolitiek

Georg Lukács (1885-1971) ging ver in zijn trouw aan het socialisme. Pas toen de Russen in 1968 de Praagse Lente neersloegen, gaf hij de mislukking van het communistische project toe. Toch kwam hij veelvuldig in de problemen door radicaal van de ‘partijlijn’ af te wijken. Binnen de filosofie, en met name binnen de kritische theorie, geldt Lukács als een van de meest invloedrijke denkers van de twintigste eeuw. Zijn begrip ‘verdinglijking’ stond aan de basis van het denken van de Frankfurter Schule en het westerse marxisme als geheel. Net als vele anderen staat Lukács op de zwarte lijst van publieke figuren die op basis van de preambule van de grondwet uit het Hongaarse publieke domein geweerd moeten worden. De ‘wereldberoemde filosoof’ was immers lid van de communistische partij. Dat zijn relatie met die partij op zijn zachtst gezegd problematisch was, en hij zelfs ternauwernood aan een communistisch vuurpeloton ontsnapte, kennelijk blijkt irrelevant. Zelfs Lukács’ actieve rol in de opstand van ’56, die de Hongaar volgens Orbáns grondwet nooit mag vergeten, is niet voldoende om zijn naam te zuiveren in de ogen van het huidige bewind: zijn partijlidmaatschap weegt zwaarder.

Lukács was marxist, had een Joodse achtergrond en was een door en door kosmopolitisch intellectueel. Voldoende reden dus voor het expliciet antisemitische Jobbik om voor te stellen Lukács’ standbeeld te verwijderen, en voor Orbáns partij Fidesz om vervolgens met dat voorstel in te stemmen en het standbeeld te vervangen door de zoveelste beeltenis van de heilige Stefan, katholiek en oer-Hongaar, en dus een geschiktere nationale mascotte. Samen met het dreigende sluiten van het Lukács-archief en een hoop nieuwe regelgeving (die het met name filosofiefaculteiten moeilijk maakt) illustreert het voorval de symbolische zeggingskracht van de academicus en de filosoof – een zeggingskracht die Orbán en de zijnen graag neutraliseren.

There is an alternative

In het voorwoord van Die Theorie des Romans (1916) omschrijft Lukács de leidende linkse intellectuelen van zijn tijd als bewoners van een ‘Grand Hotel Abgrund’. Zij zouden in alle comfort aan de afgrond van een betekenisloos bestaan huizen – een bijtende verwijzing naar de politieke afzijdigheid en het filosofische defaitisme van veel naoorlogse linkse denkers. Adorno en Horkheimer zagen inderdaad een onoverkomelijke dialectische kloof tussen rede en barbarij, met een uitblijvende arbeidersrevolutie en de Holocaust als resultaat.

Precies op die onmogelijkheid van maatschappelijke verandering wees Lukács al met zijn begrip ‘verdinglijking’. In Geschichte und Klassenbewusstsein (1923) liet de filosoof zien hoe het juk van de markt sociale relaties omzet in ogenschijnlijk onveranderlijke objectieve gegevens. Niet alleen op de markt reduceren we waarde tot prijs, maar de gehele sociaal-culturele orde wordt volgens Lukács in toenemende mate aan het fetisj van de efficiëntie onderworpen. Voor Lukács zette een dergelijke diagnose aan tot verzet: de afgrond moest overbrugd worden, de status quo doorbroken. In onze tijd, sinds Thatchers there is no alternative, lijkt financieel-economisch pragmatisme het enige redelijke politieke antwoord op de werkelijkheid. Visie zou het zicht van regeringsleiders maar belemmeren.

Een slechter antwoord op de opkomst van extreemrechts is ondenkbaar. Juist het einde van de grote twintigste-eeuwse verhalen leverde het schoongeveegde politieke toneel op waarop Orbán groot kon worden. Hierin verschilt West-Europa nauwelijks van Hongarije. In Oost-Europa verdween het staatssocialisme, hier ‘schudde de sociaaldemocratie haar ideologische veren af’. Orbán slaagde er in de universalistische pretenties van de liberale democratie te bestrijden door deze neer te zetten als een ideologie van zelfverrijking, corruptie en vervreemding. Hetzelfde beluisteren we nu bij Trump, Wilders en Le Pen. Terwijl het liberalisme gewoonlijk als de constitutionele vorm van de democratie wordt verdedigd, vallen extreemrechtse en reactionaire bewegingen haar juist aan op de inhoud. Daarbij leiden hun aanvallen op het multiculturalisme moedwillig de aandacht af van het echte probleem; de sociaaleconomische onzekerheid die kiezers juist in hun armen drijft. Zo bieden reactionaire politici paradoxaal genoeg meer uitzicht op verandering dan de meest progressieve (maar zelfingenomen) verdedigers van de rechtsstaat, die plots al te behoudend lijken. Een werkelijk geloofwaardige verdediging van diversiteit en politieke vrijheid kan alleen door politiek handelen gevoerd worden.

Het lijkt nu of Orbán, Trump en Wilders het enige alternatief zijn voor het onzinnige there is no alternative. Tegenstanders als Corbyn en Sanders hebben dat in de gaten: het verdedigen van de rechtsstaat en het ontmaskeren van politici als Orbán kan enkel slagen als die is gestoeld op een eigen, alternatief verhaal van verandering en emancipatie in plaats van op enkel morele afkeuring. Bij Orbán, Wilders, Poetin en Trump vindt de kiezer een aanklacht tegen de werkelijkheid die de linkse traditie niet meer lijkt te kunnen formuleren. Het heeft geen zin een pluriformiteit tegen reactionaire politici te verdedigen, als die pluriformiteit in de praktijk niet de onenigheid creëert die democratie betekenis geeft.

In Orbáns illiberale democratie zijn nu verkiezingen op komst. Zijn parlementaire meerderheid lijkt in beton gegoten en instellingen die een tegengeluid kunnen laten horen, zijn in Hongarije zo goed als verdwenen. Het is te hopen dat wat er van de Hongaarse democratie over is – zowel parlementair als extraparlementair – er toch in slaagt een tegengeluid te laten horen, opdat het extreemrechtse nationalisme in de ogen van de Hongaren en de rest van de wereld niet het ultieme, paradoxale bewijs van de veelzijdigheid van de democratie zal zijn.