‘Goeiemôre Suid-Afrika, ons moet opstaan en aangaan.’ Nieuwe stemmen in de Zuid-Afrikaanse poëzie

Maatschappelijke en politieke onderwerpen als gender, culturele toe-eigening, dekolonisatie en het slavernijverleden bepalen in toenemende mate het publieke debat in Nederland. In het bij uitstek multiculturele Zuid-Afrika (met elf officiële talen) staan ras, dekolonisatie en klasse natuurlijk al veel langer hoog op de publieke agenda. Resoneren zulke discussies ook in de literatuur, en hoe? Antjie Krog, Marlene van Niekerk, Lesego Ram-polokeng, Gabeba Baderoon, Rustum Kozain – veel Zuid-Afrikaanse dichters schrijven, meer of minder uitgesproken, over de toestand van het landen de eigen precaire politieke, maatschappelijke positie, of die van de medemens. Maar hoe is het gesteld met de jonge en nieuwe Zuid-Afrikaanse dichters, waarover hebben zij het? Een kleine bestekopname. Door Alfred Schaffer.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#5

       


Als de stand van een nationale literatuur wordt gemeten aan de ruimte die er is voor jonge of nieuwe stemmen om te debuteren, dan gaat het uitstekend met de Zuid-Afrikaanse poëzie. Slam poetry, spoken word en poetry performances zijn in dit verband van vitaal belang, vooral voor veel Engelstalige en zwarte dichters. Vaak is het podium een alternatief voor de dichtbundel. In cafés en kleine theaters in Johannesburg en Kaapstad, maar ook op een maandelijks podium als ‘Amazinkâ’ in de township Kayamandi nabij het overwegend witte en welgestelde Stellenbosch, zijn jonge dichters te horen die van hun voordracht een enerverende, politieke gebeurtenis maken, voor een jong en veelal gemengd publiek dat meejoelt en -lacht, of instemmend knikt. Zoals Wamuwi Mbao schrijft in een blog op de website voor literatuurkritiek Slipnet (slipnet.co.za): ‘Session after session, poet after poet, forging connections across culture, across age groups, across the divides of our society. I’ve watched cynical black youths burst into spontaneous applause as an old white man performed in the flawless isiXhosa of their grandparents.’

Het is poëzie die door de performance dikwijls een vorm van theater wordt. Gedichten over zwart zijn in een witte wereld, over het vrouwelijke, zwarte lichaam, over seks, relaties, aids, geweld. Over opgroeien in een township, over de noodzaak van dekolonisatie. Hartroerend, kwaad, maar vaak genoeg ook hilarisch, dikwijls voorgedragen uit het hoofd en bovendien meertalig; sinds de eerste sessies in 2011 kun je op één Amazink-avond Xhosa, Engels, Afrikaans en Zoeloe voorbij horen komen. Dat taal in deze context van performance niet neutraal is, wordt door Frances Strooh helder gesteld wanneer hij, eveneens op Slipnet, naar aanleiding van een optreden van Khanyisile Mbongwa schrijft: ‘Mbongwa has a particularly interesting language history. She was born to Zulu parents, yet grew up in Xhosa and had all her classes in primary school in Afrikaans. An interesting observation is the fact that she chose to recite her English poems from a page, whereas the poems she composes in her native tongue are performed from memory. This performative difference might suggest that she distances herself from the coloniser’s tongue; that she does not view it as her own, that it cannot express her sincerest sensations.’

Busuku-Mathese en Putuma

De performatieve kant van de huidige Zuid-Afrikaanse poëzie is krachtig, maar ook recente boekpublicaties van nieuwe dichters getuigen van veel vitaliteit. Twee Engelstalige debuutbundels die eruit springen kwamen van de hand van Sindiswa Busuku-Mathese (1990) en Koleka Putuma (1993). Busuku-Mathese schreef Loud and Yellow Laughter (2016) als onderdeel van haar master in Creative Writing aan de universiteit van KwaZulu-Natal. De aantrekkelijk uitgegeven bundel is een intieme, gelaagde verkenning van een typisch Zuid-Afrikaanse, hybride familiegeschiedenis en bestaat uit gedichten, documenten, dagboekfragmenten en foto’s. Meer dan een verzameling afzonderlijke gedichten is de bundel een doorlopend verhaal, compleet met een opsomming van de belangrijkste karakters, als in een script of theatertekst. Koleka Putuma staat bekend als performer en spoken word-artiest. Collective Amnesia, een bundel waarin de ‘a’ in ‘woman’ consequent is ‘doorgestreept’, beleefde inmiddels een vierde druk. Net als haar optredens is Putuma’s debuut een maatschappelijke en politieke stellingname, zoals in de flaptekst te lezen is: ‘Her incendiary poems demand justice, insist on visibility and offer healing. In them, Putuma explodes the idea of authority in various spaces – academia, religion, politics, relationships – to ask what has been learnt and what must be unlearnt.’

Collective Amnesia mag dan gegrond zijn in de werkelijkheid van een jonge, strijdbare zwarte vrouw in Zuid-Afrika, een pamflet is de bundel zeker niet. De tekst is experimenteel en vliegt alle kanten op, zonder te verzanden in maniërisme. De bundel bevat gedichten met titels als ‘Memoirs of a Slave & Queer Person’ en even uitgesproken regels als ‘Black men and white womxn / always write about black womxn / as if we are already dead’. Ze staan naast intieme, kwetsbare regels als ‘I often wonder why I feel as if I am drowning every time I look out into the sea, / this and feeling incredibly small’ uit het gedicht ‘Water’ (ook als voordracht op YouTube te vinden), waarin Putuma zich lijkt te richten tot de witte lezer. Ze activeert er zowel het slavernijverleden als het feit dat de Zuid-Afrikaanse natuurlijke ruimte, ook zoveel jaar na de apartheid, voor verschillende bevolkingsgroepen en rassen een verschillende betekenis heeft:

They mock us
for not being able to throw ourselves into something that was instrumental
in trying to execute our extinction.
For you, the ocean is for surfboards, boats and tans
and all the cool stuff you do under there in your bathing suits and goggles.
But we,
we have come to be baptised here.

Juist omdat Putuma’s visie en stellingname ingebed zijn in een persoonlijk verhaal, wordt haar werk nergens essentialistisch.

Nuwe Stemme

De publicatiemogelijkheden zijn voor jonge Afrikaanssprekende dichters waarschijnlijk beter dan voor dichters die pakweg in het Tswana, isiXhosa of Sotho schrijven. Het Afrikaans beschikt over een (door de politieke geschiedenis) goed ontwikkeld netwerk aan kranten, uitgeverijen, tijdschriften en televisieen radiozenders. Een bijzonder initiatief betreft Nuwe Stemme, waarvan de eerste aflevering in 1997 verscheen. Omdat het voor uitgeverijen risicovol is om veel poëziedebuten te lanceren, werd het project ‘Nuwe Stemme’ bedacht om toch regelmatig nieuw geluid te laten horen. Twee redacteuren (bekende dichters of figuren in de Afrikaanse media en letteren) wordt gevraagd om uit een grote hoeveelheid (anonieme) ingezonden gedichten een selectie te maken. Belangrijke dichters als Gilbert Gibson, Loftus Marais, Fourie Botha, Danie Marais, Ronelda S. Kamfer en Bibi Slippers debuteerden met een eigen bundel na publicatie in Nuwe Stemme. Inmiddels is Nuwe Stemme een belangrijke gebeurtenis voor de Afrikaanse poëzie. In augustus verscheen Nuwe Stemme 6, samengesteld door dichters Charl-Pierre Naudé en Bibi Slippers. Opgenomen is onder meer de jonge gekleurde dichter Ryan Pedro, die op subtiele wijze ras en klasse thematiseert:

menskleur

jy kleur vir liewe jesus verkeerd in
s
ê ’n wit meisie aan ’n bruin seun
op sy eerste dag by
pikkiebult pre-primêr, kakamas. (*)
sy haal die bruin kryt uit
sy hand en gee vir hom ’n ander
kleur aan
en sê
daarsy.

(*) ‘Kleuterschool “Pikkiebult” in Kakamas’, een dorpje in de Noordkaap aan de grens met Namibië.

Jong talent

Via de Creative Writing-cursussen aan Zuid-Afrikaanse universiteiten komt eveneens veel talent bovendrijven. Als we even bij de Afrikaanse situatie blijven, zien we dichters, schrijvers en academici als Antjie Krog, Joan Hambidge, Marlene van Niekerk, Willem Anker, Henning Pieterse en François Smith die nieuw (en niet per se Afrikaans) talent begeleiden op weg naar een eerste roman, verhalenof dichtbundel.

De eerdergenoemde Bibi Slippers is een van de meest recente voorbeelden van deze ontwikkeling. Alhoewel zij met enkele gedichten haar officieuze debuut maakte in Nuwe Stemme 4 (2010) was het vooral haar ‘Meestersgraad in Kreatiewe Skryfwerk’ onder leiding van Marlene van Niekerk en de schrijver en dramaturg Willem Anker die haar debuut vormgaf. Haar theoretische onderzoek ging over Nox van de Canadese Anne Carson; het creatieve gedeelte behelsde de bundel Afskrif. Toen Slippers eind 2016 officieel debuteerde was de titel veranderd naar Fotostaatmasjien (‘Kopieerapparaat’), maar de experimenteerdrift was gebleven. Fotostaatmasjien is een conceptbundel die speelt met noties als ‘oorspronkelijkheid’ en ‘authenticiteit’, waarin tweets, Instagram, Taylor Swift, de haren van Harry Styles en de sociopolitieke toestand van Zuid-Afrika aanleiding zijn voor averechtse gedachtenkronkels.

Slippers is voor veel jonge Afrikaanse dichters een verse, eigentijdse stem waarmee zij zich kunnen identificeren: ze vertegenwoordigt de gegoede ‘witte’ Afrikaanse millennial, die zich bewust is van haar institutionele voorrechten en zich daartoe probeert te verhouden. En evenals Putuma en Busuku-Mathese gooit ook Slippers de deuren open en herdefinieert ze wat poëzie kan zijn. Het is energie die zindert in regels als ‘Goeiemôre Suid-Afrika, ons moet opstaan en aangaan’, uit het lange ‘En route: Suid-Afrika’, en die haar meerdere prijzen opleverde.

Slippers veroverde niet de Ingrid Jonkerprijs voor het beste debuut; die ging naar de bundel die bome reusagtig soos ons was van Hilda Smits, een jonge psychotherapeut die momenteel in Philadelphia werkt. Smits maakte haar opwachting in Nuwe Stemme 5, en debuteerde met een raadselachtig, fragmentarisch, hermetisch werk:

in die ruim aand
val die son ’n hand vol muggies
sweef magies
voor die stoep verby
terwyl die pen skryf
deur ’n soliede hand begelei
sny ’n klein vliegtuig die wit lug
van die oog millimeter vir millimeter oop

Kaaps

Maar ook buiten Nuwe Stemme broeit het: de jonge dichters Shirmoney Rhode (Nomme 20 Delphi Straat, 2016) en Nathan Trantraal debuteerden niet via dat podium. Zowel Rhode als Trantraal thematiseren hun socio-economische achtergrond in een gekleurde, arme gemeenschap en schrijven bovendien in het Kaaps, een variant van het ‘Standaardafrikaans’ en een taal op zich, sterk beïnvloed door het Maleis. Beide dichters maken een politiek statement door in het Kaaps te schrijven en geven zo cultureel-maatschappelijke erkenning aan de diversiteit van de Afrikaanstalige gemeenschap. Onder anderen de grote Afrikaanse dichter Adam Small (1936-2016) ging hen daarin voor.

Vooral het debuut van Trantraal, Chokers en survivors (2013), sloeg in als een bom. Hier was een dichter die de lezer (lees: ‘witte’ lezer) tegelijk kon schokken én vermaken, zoals in de volgende regels uit het gedicht ‘FIFA 06’ waarin de ‘ik’ genoeg heeft van de mishandeling door zijn vader en hem ‘terugpakt’, met als gevolg een vreemde en wreed-humoristische dissociatie:

Die way ek my pa skop is baie Fifa 06,
it voel ’n bietjie fake en unconvincing
asof ek net deerie motions gan.

Rhode wees Trantraal er in een polemiek op het bekende internetforum Litnet op dat de gekleurde gemeenschap niet alleen gekoppeld mag worden aan drugs, armoede, huiselijk en bendegeweld. Daarmee snijdt Rhode een belangrijke kwestie aan: wat betekent het om te schrijven voor en over je gemeenschap? Wie heeft het recht te spreken, waarover, voor wie (vaak de witte, gegoede Afrikaanse lezer of lezeres), en met welke motieven? Zulke bedenkingen nemen niet weg dat ook Trantraals tweede bundel Alles het niet kom wôd (2017) werkt en poëtisch ijzersterk is.

De gekleurde dichteres Jolyn Phillips publiceerde met de bundel Radbraak een aantal maanden geleden een bewierookt poëziedebuut. Deels in Kaaps, is het een gelaagde, gefragmenteerde bundel, over verbrokkelde gezinnen en gemeenschappen, maatschappelijk onrecht, maar vooral over de taal zelf, met regels als ‘ek is in graad 6 die duiwel is / los die vlamme skel welderie weldera / uit die karavaan almal hardloop dra water aan’. Een eenduidig verhaal wil Phillips niet vertellen, het experiment staat voorop. Radbraak werd door Charl-Pierre Naudé bejubeld in Die Burger: ‘Dit is lanklaas [red.: een hele tijd geleden] wat Afrikaans ’n digter gelewer het wat nog in die jare twintig van haar lewe verkeer wat met soveel belofte haar buiging maak.’

Verzinnen wat er staat

De Zuid-Afrikaanse poëzie die het meest wordt vertaald naar het Nederlands is de Afrikaanstalige poëzie; niet alleen zijn de talen verwant, maar er is ook een historische band tussen de Nederlandse en Zuid-Afrikaanse gemeenschappen. De vraag is zelfs of Nederlandse vertalingen van Afrikaanse gedichten eigenlijk wel nodig zijn; het Afrikaans is immers zo begrijpelijk. Toch ontgaat de argeloze Nederlandse lezer veel, en bovendien komt het Afrikaans, onder andere door de toenemende invloed van het Kaaps en het Engels, steeds verder van het Nederlands af te staan, waardoor het belang van vertalingen eigenlijk alleen maar groter wordt.

Gelukkig is er veel Zuid-Afrikaanse poëzie die al in het Nederlands beschikbaar is. Vooral vertaler Robert Dorsman en uitgeverij Podium zijn van groot belang geweest bij het ontsluiten van Afrikaanstalige poëzie, van bijvoorbeeld Antjie Krog en Gert Vlok Nel. Zoals bekend zijn ook Ingrid Jonker en Breyten Breytenbach in het Nederlands te lezen. Het uitgeven van vertaalde poëzie in bundelvorm staat onder toenemende druk in Nederland, veelal om financiële redenen, maar in diverse literaire tijdschriften wordt nog aandacht besteed aan vertaalde – en dus ook Afrikaanse – poëzie. Op diverse festivals in Nederland en België kunnen Afrikaanse dichters hun teksten laten horen, zoals bijvoorbeeld Marlene van Niekerk en Antjie Krog op de Nacht van de Poëzie, respectievelijk in 2016 en in 2017.

Vertalen van het Afrikaans naar het Nederlands (of vice versa) is dikwijls verraderlijk juist omdat de talen zo nauw verwant zijn. Zelfs het Standaardafrikaans is een zeer plastische en elastische taal en daardoor al gauw experimenteler dan het Nederlands. Poëzie die merendeels in het Kaaps geschreven is, zoals van Trantraal, Phillips en Rhode, is extra lastig te vertalen, zoals ook fonetisch geschreven Haags, Limburgs of Gronings moeilijker is om te zetten in een andere taal dan Standaardnederlands. Met het vertalen van sterk cultuuren streekgebonden varianten van het Afrikaans gaat dus veel verloren. Bovendien is veel Zuid-Afrikaanse poëzie zoals gezegd überhaupt niet op schrift gesteld, wat het nog lastiger maakt om er als Nederlander kennis van te nemen.

Vertalen is ‘verzinnen wat er staat’, met een zaklamp je weg vinden in een donkere kelder. Ook de vertaler van Afrikaanse poëzie naar het Nederlands moet bijschijnen, omdat het licht in de kelder niet goed werkt. De ervaring leert dat feedback noodzakelijk is – in je eentje kun je alle valkuilen en vertaalmogelijkheden nauwelijks overzien. Ik kan me als vertaler dan ook goed vinden in de woorden van vertaler Tom Naaijkens in De slag om Shelley (2002): ’Elke vertaling wordt blijkbaar bedolven onder een grote berg twijfel, zo niet opgeworpen door de vertaler zelf dan wel door de vertaalbeschouwer. […] Wie meent in zijn regels de vastigheid neergelegd te hebben, overschreeuwt zijn angst en beven.’

Wat dat betreft verschilt het werk van de vertaler weinig van dat van de dichter. Alle genoemde Zuid-Afrikaanse dichters dichten in een werkelijkheid die zo divers en gepolitiseerd is, dat het onzinnig zou zijn te spreken van dé essentie van deze poézie. De Zuid-Afrikaanse poézie vertaalt een diffuse werkelijkheid, en doet dat op evenveel manieren als er talen, gemeenschappen en individuen zijn; met alle problemen en ongelijkheden die daarbij komen kijken. Als we de vitaliteit van een literatuur inderdaad aan haar betrokkenheid bij de werkelijkheid mogen afmeten, dan verkeert Zuid-Afrikaanse poëzie in goede vorm, vooral dankzij het jonge, veelal vrouwelijke stemgeluid.

Vertaalwerk

Zelf was ik tot nu toe medeverantwoordelijk voor de vertaling van Medeweten van Antjie Krog (samen met Dorsman en Jan van der Haar) en de bundels van Ronelda S. Kamfer: Nu de slapende honden (2010), Santenkraam (2012) en de nieuwe bundel Mammie (2017; oorspronkelijk Hammie, 2016), allen uitgegeven door Podium. De gedichten van Kamfer lijken eenvoudiger dan ze zijn. Anders dan de poëzie van Kamfers echtgenoot, Nathan Trantraal, zijn Kamfers gedichten niet geheel in het Kaaps, maar wel zeer spreektalig, met Kaapse invloeden. Het gevaar is dat een vertaling de gedichten gladstrijkt. De uitdaging is om, ondanks het verlies van het Kaapse register, vertalingen te maken die min of meer op eigen benen kunnen staan.

Mammie is de derde bundel van Kamfer en haar meest persoonlijke. In de gedichten is een dochter aan het woord die afscheid neemt (en blijft nemen) van haar overleden moeder – met wie ze een moeilijke relatie heeft gehad. Het is een aangrijpend en ontwapenend verhaal, dat zoals zoveel andere nieuwe dichtbundels van jonge Zuid-Afrikaanse vrouwen niet zozeer als een verzameling losse gedichten gelezen moet worden, maar als een doorlopend relaas in dichtvorm – een verhaal dat ook tot de Nederlandse lezer zal spreken, al is hij of zij niet bekend met de Zuid-Afrikaanse realiteit die Kamfer beschrijft. Haar werk is misschien wel exemplarisch voor veel nieuwe Zuid-Afrikaanse poëzie: persoonlijk, onthullend, maatschappelijk betrokken, een creatieve getuigenis van een weergaloos subject in een even harde als onwrikbare realiteit:

Als pijn geen pijn meer is

een week voor mijn moeder doodging
hadden zij en Allisen ruzie
ik kende niet het hele verhaal
maar koos de kant van Allisen
ik negeerde mijn moeder het hele weekend

die zondagavond kwam ze
in haar teddyberen-nachtpon
en met blauwe rollers in haar haar
op mijn bed zitten
ze mompelde iets over dat ik
moest stoppen met roken
je kind wordt nog blauw geboren
ik rolde met mijn ogen en zei is goed

ze zweeg
liet haar hoofd in haar handen zakken
en begon te snikken
jeetje Ronelda nu moet jij me niet ook nog
afwijzen
ik krijg het al van alle kanten te verduren

ik schrok en troostte haar
ik zei sorry Mammie ik ben alleen kwaad

ja mijn kind dat weet ik het
spijt me zo

van alles

ik zei alleen
het is oké Mammie dat is allemaal oude shit

want als een moeder sorry zegt
is het alsof God naar de aarde afdaalt
en een kroon op je hoofd zet