‘Deservingness’ in een meritocratische samenleving

De Victorianen spraken ooit als eersten van ‘the deserving versus the undeserving poor’. De ‘deserving poor’, dat zijn de harde werkers, de ongelukkigen, de pechvogels vol goede intenties die meer tegenspoed op hun pad hebben gekregen dan zij eigenlijk zouden verdienen. De ‘undeserving poor’ daarentegen, dat zijn de luilakken, de lapzwansen, de nietsnutten die hun precaire situatie aan niets dan zichzelf te wijten hebben en daarom ons mededogen niet waard zijn. Maar wat denken we dan eigenlijk dat dat is, ‘verdienen’? Door Anouk Kootstra


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#6


Hoewel we vraagstukken over ‘deservingness’, oftewel van wat mensen al dan niet verdienen, tegenwoordig vooral in verband brengen met de verzorgingsstaat, spelen ze ook in veel andere sociale en politieke dossiers een rol. Denk bijvoorbeeld aan de recente vluchtelingencrisis, waarbij in discussies en debatten steeds opnieuw het onderscheid gemaakt wordt tussen vluchtelingen en economische migranten. De eerstgenoemden zijn op de vlucht voor oorlog en terreur, en zoeken slechts een veilig onderkomen. Vluchtelingen worden gezien als slachtoffers van een situatie waarvan de oorzaak buiten henzelf ligt, wat maakt dat ze geen verantwoordelijkheid dragen voor hun behoeftigheid. Economische migranten daarentegen, worden als ‘gelukszoekers’ gekenschetst. Hun vertrek uit het land van herkomst zou louter ingegeven zijn door een wens naar grotere welvaart. Dat is een zelfgekozen vlucht, dus draagt deze groep ook zelf verantwoordelijkheid voor de precaire situatie waarin ze zich bevindt. Oftewel, aan de gedachte dat vluchtelingen wel steun verdienen maar economische migranten niet, ligt een bepaald idee van deservingness en de daaraan te ontlenen rechten ten grondslag.

Bij dit onderscheid tussen ‘the deserving’ en ‘the undeserving’ kunnen we de nodige kanttekeningen plaatsen. Een van de belangrijkste is dat de begrippen dienen om een ingewikkelde werkelijkheid van alle nuance te ontdoen: al het grijs dat de achtergrond van vluchtelingen en economische migranten rijk is, wordt wit dan wel zwart. Dat laat nog buiten beschouwing dat onder het stigmatiseren van bepaalde groepen als undeserving vaak seksisme of racisme schuilgaat, of een combinatie van beide. Een illustratie hiervan is het Amerikaanse stereotype van de ‘welfare queen’, zorgvuldig geïntroduceerd tijdens de politieke campagne van Ronald Reagan in 1976. Het idee van undeservingness kreeg daarin letterlijk een gezicht, namelijk dat van Linda Taylor; een criminele, zwarte vrouw die het welvaartssysteem misbruikte om veelvuldig geld te innen dat haar volgens de spelregels niet toekwam. Taylor was dan een logisch doelwit van nationale woede, maar zij werd in het politieke klimaat van toen al snel emblematisch voor bijstandsontvangers in het algemeen: het beeld van de welfare queen – een luie, als een koningin levende, alleenstaande zwarte moeder die vanwege haar lage seksuele moraal meer kinderen had dan ze kon verzorgen – werd het voorbeeld van undeservingness in Amerikaanse debatten over sociale zekerheid.

Het idee van deservingness verdient onze kritische aandacht, zoveel staat vast; en Michèle Lamonts theorie over ‘boundary work’ komt daar heel goed bij van pas.

Symbolic en social boundaries

In haar werk beschrijft Lamont grenzen (‘boundaries’) als conceptuele handvatten die door mensen worden gebruikt om onderscheid te maken tussen zichzelf en andere individuen of groepen. Deze afbakeningen verlenen identiteit, en maken het mogelijk om structuur aan te brengen in een chaotische wereld. Lamont onderscheidt twee vormen: symbolische en sociale grenzen. Symbolische grenzen zijn scheidslijnen waarmee mensen elkaar indelen in aparte groepen. Dit classificeren van individuen speelt een essentiële rol in de menselijke identiteitsvorming en het verwerven van status. Het doorlopende proces van in- en uitsluiting waardoor lidmaatschap van zo’n groep ontstaat, is vaak gebaseerd op gelijkenis en gedeelde kenmerken. Symbolische grenzen hebben dus betrekking op de dynamische dimensie van sociale relaties, waarbij individuen en groepen constant bezig zijn met het trekken van lijnen tussen wij en zij, tussen van ons en van hun.

Wanneer opvattingen over deze scheidslijnen breed gedeeld worden en er een bepaalde maatschappelijke consensus heerst, zullen symbolische grenzen consequenties hebben in de fysieke wereld. Dat is het moment waarop ‘social boundaries’ ontstaan. Sociale grenzen zijn dus de geobjectiveerde gevolgen van symbolische grenzen, die zich manifesteren in de ongelijke toegang tot en verdeling van materiële en non-materiële bronnen, middelen en mogelijkheden. De kapitaaltheorie van Bourdieu leert dat het hier niet alleen gaat om economische middelen, zoals geld en eigendom, maar ook om sociale middelen zoals netwerken en sociale relaties, en culturele middelen zoals kennis en opleiding. Het is belangrijk om te zien dat sociale grenzen slechts een mogelijke consequentie van symbolische grenzen zijn, terwijl symbolische grenzen de noodzakelijke voorwaarde vormen voor het bestaan van sociale grenzen.

Het eerdergenoemde voorbeeld van de welfare queen is hiervan een goede illustratie. Dit stereotype van de alleenstaande, Afro-Amerikaanse moeder werd langzaam maar zeker gemaakt tot het gezicht van alle uitkeringsgerechtigden. In zijn boek Why Americans Hate Welfare laat Martin Gilens zien hoe dit beeld keer op keer gereproduceerd wordt in de media. Als gevolg hiervan hebben veel Amerikanen een verstoord beeld van wie nu eigenlijk gebruikmaakt van sociale zekerheid. Door het negatieve imago van de ontvangers werd het programma van sociale bijstand synoniem aan undeservingness. Dit is, volgens Gilens, de werkelijke reden waarom Amerikanen over het algemeen weinig enthousiast zijn over hun verzorgingsstaat. Nicolas Winter gaat in zijn boek Dangerous Frames nog een stap verder: hij laat zien dat publieke steun voor een werknemersverzekering als Social Security (een soort equivalent van de AOW en WIA) hoger is dan dat voor de bijstand, omdat Social Security geassocieerd wordt met hardwerkende, witte Amerikanen die in zwaar weer beland zijn, terwijl de bijstand gekoppeld wordt aan werkschuwe, zwarte Amerikanen die hun omstandigheden aan zichzelf te wijten zouden hebben.

Dit voorbeeld laat duidelijk zien hoe symbolische grenzen tussen de deserving en de undeserving de opmaat kunnen vormen voor sociale grenzen die daadwerkelijke gevolgen hebben voor toegang tot schaarse middelen in de fysieke wereld. Het onderscheid is dan ook meer dan alleen retoriek: overheidsbeleid is vaak expliciet gericht op het scheiden van dergelijke groepen. Dit is terug te zien in beide eerdergenoemde voorbeelden: zowel binnen de verzorgingsstaat als bij de vluchtelingencrisis wordt getracht het onderscheid tussen de deserving en de undeserving te institutionaliseren. Beleidsmaatregelen schiften diegenen die wel mededogen en hulp verdienen van de rest, voor wie dit niet geldt. Uitkeringsgerechtigden zijn bijvoorbeeld vaak verplicht mee te doen aan activiteiten van de gemeente die ervoor moeten zorgen dat ze sneller opnieuw een baan vinden. Doen ze dit niet, dan kan hun uitkering worden stopgezet. Het onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden en mensen in de bijstand is dus een schoolvoorbeeld van een symbolische grens waarvan de fysieke consequenties zich als een sociale grens manifesteren.

Deservingness

De tweedeling tussen de twee groepen – de deserving en de undeserving – wordt breed gedragen, en er bestaat een bepaalde maatschappelijke consensus over het verloop van de grens. Hoe zij precies tot stand komt is minder duidelijk: filosofen, sociologen en psychologen hebben zich veelvuldig beziggehouden met de vraag wat de kern is van deservingness, en welke factoren bepalen dat een individu of groep als deserving of als undeserving wordt gezien.

In filosofische benaderingen wordt vaak de nadruk gelegd op de centrale rol van verantwoordelijkheid binnen deservingnessclaims. Een individu kan meestal alleen iets verdienen op basis van iets waar hij of zij verantwoordelijkheid voor draagt. Claims van deservingness zijn dus in principe niet gebaseerd op iets wat buiten de macht van een individu ligt. Sociologen hebben op hun beurt vijf criteria benoemd die van belang zijn voor het maken van onderscheid tussen de deserving en de undeserving: controle, attitude, reciprociteit, behoeftigheid en identiteit. ‘Controle’ benoemt de verantwoordelijkheid die een individu heeft over zijn of haar eigen precaire situatie. ‘Attitude’ verwijst naar de houding van de armen: zijn ze dankbaar en bescheiden? ‘Reciprociteit’ refereert aan de bijdrage die zij geleverd hebben aan de samenleving. ‘Behoeftigheid’ verwijst naar de nood waarin iemand verkeert en in hoeverre hulp noodzakelijk is. ‘Identiteit’, tot slot, gaat over de mate waarin we ons in de hulpbehoevende kunnen herkennen. Psychologen hebben ons geleerd dat het bij evaluaties van deservingness vooral gaat om de relatie tussen de acties van individuen en d uitkomsten ervan. Positief gedrag dat tot positieve uitkomsten leidt, zien we als verdiend, evenals negatief gedrag dat uitmondt in een negatieve uitkomst. Als gedrag en uitkomst niet in overeenstemming zijn – positief gedrag dat een negatieve uitkomst heeft, of andersom, negatief gedrag met een positieve uitkomst – wordt dit als onverdiend gezien.

Wat deze drie disciplinaire benaderingen met elkaar gemeen hebben, is dat ze grotendeels gebaseerd zijn op iets waar een individu zelf invloed op kan uitoefenen. De verantwoordelijkheid die door filosofen zo wordt benadrukt, wordt doorgaans bij het individu gelegd. De vijf criteria van de sociologen benadrukken voornamelijk gedrag en houding, iets waar tot op zekere hoogte individuele controle over bestaat. Bij de psychologen is het overduidelijk: zij stellen dat in een evaluatie van deservingness alleen de acties van een individu moeten worden meegenomen. Interessant is dat deservingness een heel centrale rol speelt binnen het prestatiegerichte ideaal waarop onze samenleving gestoeld is. De manier waarop er binnen de zogeheten meritocratie naar deservingness wordt gekeken, staat echter lijnrecht tegenover de hiervoor besproken perspectieven.

Het meritocratische ideaal

‘Meritocratie’ refereert aan een politieke en sociale visie die ervan uitgaat dat iemands positie in de samenleving gebaseerd dient te zijn op merites, oftewel op wat iemand verdient op basis van zijn of haar talenten en de manier waarop hij of zij daarvan gebruikmaakt. De hoogste maatschappelijke posities – wat betreft invloed, macht, salaris en status – dienen bekleed te worden door mensen die deze posities verdienen op basis van hun motivatie om hun aanleg optimaal te benutten. De term vindt haar oorsprong in het werk van Michael Young, die in 1958 de satirische novelle The Rise of Meritocracy schreef, om te waarschuwen voor de dystopische toekomst die ons ten deel zou vallen. Zijn voorspelling werd bewaarheid: het meritocratisch ideaal lijkt zo rechtvaardig en eerlijk dat het een van de weinige denkwijzen is waar actoren aan beide zijden van het politieke spectrum het over eens zijn, ook al zien ze andere wegen die ernaartoe leiden.

Een van de belangrijkste pijlers van het meritocratische ideaal is het verschaffen van gelijke kansen. Alleen wanneer iedereen een gelijke uitgangspositie heeft, zullen aangeboren talenten immers op gelijke wijze ontwikkeld kunnen worden, en kan iedereen de positie bereiken die hij of zij verdient. Wanneer twee kinderen met hetzelfde talent en dezelfde intrinsieke motivatie om hard te werken niet dezelfde mogelijkheden krijgen om zichzelf te ontplooien – bijvoorbeeld door een betere of slechtere toegang tot het onderwijssysteem – en één van hen daardoor niet de positie bereikt die hij of zij verdient, faalt het meritocratisch systeem. Aangezien het systeem staat of valt met het bestaan van gelijke kansen, is veel beleid er dan ook op gericht dit principe te waarborgen. Wanneer onderzoek laat zien dat het talentvolle kinderen uit lagere milieus vaak niet lukt om in te stromen op hogere onderwijsniveaus, worden er maatregelen genomen die het tij moeten keren. Voorbeelden hiervan zijn taallessen voor kinderen van ouders met een migratieachtergrond, of de opvoedpoli’s in grote steden die ouders moeten helpen hun kinderen een gedegen opvoeding te bieden.

De meritocratie belooft een rechtvaardig en eerlijk systeem te zijn waarin – mits het principe van gelijke kansen gewaarborgd blijft – iedereen uiteindelijk op de maatschappelijke positie terechtkomt die hij of zij verdient. Daar lijkt wat in te zitten, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld een aristocratisch systeem, waarbij iemands sociale positie gebaseerd is op geboorte en afkomst, en ontsnapping niet of nauwelijks tot de mogelijkheden behoort. Het lijkt, in onze hedendaagse samenleving, niet meer dan logisch dat individuen met meer intellectueel talent op posities terechtkomen die verantwoordelijkheid vergen en invloed, status en salaris met zich meebrengen. Desalniettemin berust deze belofte van een perfecte meritocratie, die een eerlijke en rechtvaardige samenleving zou opleveren, op een verstoord begrip van deservingness en wat het betekent om iets te verdienen.

Deservingness in een meritocratie

Zoals we hebben gezien, wordt de symbolische grens tussen deserving en undeserving gezien als een kwestie van individuele verantwoordelijkheid. Binnen het meritocratische ideaal wordt deservingness, datgene dat iemand verdient, echter gekoppeld aan talent: talentvollen verdienen, mits zij hun talent succesvol aanwenden, een hoge positie met alle voordelen van dien, terwijl talentlozen, op basis van hun gebrekkige aanleg, een lagere positie verdienen. Deze invulling van deservingness staat in schril contrast met de definitie van deservingness op basis van verantwoordelijkheid.

Geen mens heeft immers iets voor zijn of haar eigen intelligentie hoeven doen, niemand kiest ervoor om een intellectuele hoogvlieger te zijn, of een bovenmatig capabele student. Talent heeft juist alles met geluk te maken – en laat geluk, zoals we hierboven hebben gezien, nu net geen geldige reden zijn voor deservingness. John Rawls betoogt in zijn klassieker Theory of Justice dat niet alleen talent, maar zelfs het menselijk vermogen om uitstekend werk af te leveren afhankelijk is van geluk: onze sociale omstandigheden, onze manier van met zaken omgaan, en zelfs ons karakter zijn zaken waarvoor we volgens Rawls geen verantwoordelijkheid dragen. De eerlijkheid en rechtvaardigheid van het meritocratisch ideaal zijn ten dele dus slechts schijn: het hebben van talent of het ontbreken ervan is een kwestie van geluk waar niet of nauwelijks verantwoordelijkheid voor kan worden genomen.

Toch past het idee van deservingness feilloos binnen het meritocratisch systeem waarin we gewend zijn om grenzen te trekken op basis van prestatie. De twee zijn met elkaar verbonden in een oneerlijk ‘verdienmodel’: de maatregelen die erop moeten toezien dat iedereen over gelijke kansen kan beschikken, klinken zo aantrekkelijk omdat ze er uiteindelijk op gericht zijn alleen ‘the talented deserving’ te laten profiteren. Alleen zij die talentvol zijn en die vanwege de omstandigheden niet in staat zijn om hun talenten te benutten worden door deze specifieke maatregelen geholpen – de rest, de talentlozen, de mensen die onvoldoende hun best doen of een combinatie van beide, kunnen hiermee niet profiteren van iets wat zij ‘eigenlijk niet verdienen’. En hier zien we de werkelijke ‘social boundaries’, de daadwerkelijke fysieke gevolgen, van dat symbolische onderscheid tussen de deserving en de undeserving: het lijkt ons te ontslaan van de plicht goed voor alle mensen te zorgen.