Samenleven in vijf stellingen

Tijd: najaar 1991. Plaats: De Biels, de kantinekelder van het Hervormd Lyceum Zuid te Amsterdam. Handeling: een groepje vrienden tegen Ton, de uitbater, ‘Maar dat kun je niet zeggen!’ Onderwerp: zijn uitspraak dat Turken en Marokkanen grote gezinnen stichten voor de kinderbijslag en met voorrang huizen en banen krijgen. Wij: een stel progressieve tieners uit Zuid. Hij: gezinsman en kleine ondernemer uit Amsterdam Oud-West. Uitslag: patstelling. Stelling 1: door morele verontwaardiging is nog nooit iemand overtuigd. Door Merlijn Olnon


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#1


Het is alweer meer dan vijfentwintig jaar geleden dat het debat over de integratie van ‘islamitische allochtonen’, oftewel ‘het integratiedebat’, in volle hevigheid losbarstte. Of je Frits Bolkesteins Luzern-lezing van september 1991 nu als startsein ziet, zijn latere aanscherpingen daarvan voor de Nederlandse media, of de polemische polarisatie die daarop volgde; daar aan het begin van de roaring nineties – die tijd waarin het in alle andere opzichten niet op leek te kunnen, met aan het einde de rode streep van Paul Scheffers ‘Het multiculturele drama’ (NRC Handelsblad, 29 januari 2000) en natuurlijk 9/11 – ligt de populistische Fundgrube van Pim ‘ik zeg wat ik denk’ Fortuyn, Rita ‘ik doe wat ik zeg’ Verdonk, Geert ‘minder, minder, minder’ Wilders en Thierry ‘oikofobie’ Baudet.

Meer dan vijfentwintig jaar polemiek, politieke en sociale heroriëntatie en polarisatie, wat heeft het opgeleverd? De termen ‘allochtoon’, ‘multiculti’ en ‘theedrinken’ werden ingeruild voor andere – soms eufemistischer (‘niet-westerse nieuwkomers’), vaak ruwer (‘overgave’, ‘zelfhaat’, ‘uitverkoop’, ‘infectieziekte’). Maar veel meer dan dit hebben we er niet aan overgehouden: het inzicht dat ook de zorgen van ‘de gewone man’ (lees: de witte m/v) serieus genomen moeten worden, en bij de landgenoten over wier rug over die zorgen gepolemiseerd wordt het pijnlijke besef dat ze er hoe dan ook niet bij horen, dat hun ervaringen en meningen er niet toe doen.
Stelling 2: hoe harder de verwijten, des te harder de aarde waarop ze vallen.

In 1993 besloot ik me te verdiepen in de achtergrond van de Turkse landgenoten om wie het destijds vooral te doen was. Omdat ik de dovendiscussie moe was en me wilde verdiepen in een andere beschaving, ook om vanuit die beschaving de blik weer op Nederland te kunnen richten. Ik ging Turkse talen en culturen studeren met een minor internationale betrekkingen, specialiseerde me in de geschiedenis van de Osmaanse verwesteringsbeweging en de betrekkingen tussen Europa en het Osmaanse Rijk, en promoveerde uiteindelijk op de geschiedenis van het multiculturalisme in Izmir – tot het nationalistische inferno van 1922 een aantal eeuwen lang de meest succesvolle multiculturele stad ter wereld (zie tiny.cc/olnon-phd).

Het geheim van dat samenleven? Een systeem van georganiseerd multiculturalisme, of eigenlijk ‘multinationalisme’: (1) verregaande groepsautonomie (zelfbesturende etno-religieuze ‘naties’), (2) een zekere mate van sociale segregatie (iedere natie concentreerde zich in eigen buurten, al was er ook aanzienlijke diversiteit), (3) groepsspecialisatie (iedere natie had een erkende hoofdrol in het economische systeem) en (4) een lokale traditie van sterke interculturele tolerantie – dat alles (5) binnen een moedwillig door het gezag gecreëerde, opmerkelijk vrije, publieke ruimte, begrensd (6) door een streng en betrekkelijk voorspelbaar staatsgezag dat als scheidsrechter optrad.

Een vredige maar nogal minimale vorm van multicultureel samenleven, kortom, die werd gekenmerkt door tolerantie, geïnstitutionaliseerde discriminatie en, vanwege de groepsdruk, een tegenwoordig onacceptabel tekort aan persoonlijke vrijheid. Toch wijst het ons geloof ik op het belangrijkste ingrediënt voor succesvol samenleven: tolerantie. Het is tegenwoordig bon ton om na groepsemancipatie ook af te geven op tolerantie – als een statement van paternalisme (‘jij tolereert mij?’). Het is ook een suboptimale manier van samenleven, maar we leven nu eenmaal niet in een wereld waar iedereen elkaar als gelijke accepteert en het is stukken beter dan niet tolereren en getolereerd worden. En God verhoede dat we het op een dag allemaal met elkaar eens zijn, gelijkgeschakeld. Zoals Isaiah Berlin het in zijn laatste essay (‘My Intellectual Path’, The New York Review of Books, 14 mei 1998) formuleerde:

If pluralism is a valid view, and respect between systems of values which are not necessarily hostile to each other is possible, then toleration and liberal consequences follow, as they do not either from monism (only one set of values is true, all the others are false) or from relativism (my values are mine, yours are yours, and if we clash, too bad, neither of us can claim to be right).
Stelling 3: leef en laat leven, totdat die orde zelf in het geding is.

De vraag – vreemd genoeg heb ik hem in al die jaren nog nauwelijks horen stellen – dringt zich op: wat verwachten wij eigenlijk van samenleven? Alles wijst erop dat we het steeds meer als een eenzijdige transactie zijn gaan zien: de ander is per definitie een bedreiging, iemand om frustraties op bot te vieren en – als het tot een confrontatie komt – ons daarbij deemoedig gerust te stellen. (Een beetje zoals het schertsende huwelijksadvies dat vijf woorden het geheim van een goed huwelijk zouden zijn: ‘Ja schat, je hebt gelijk.’) De ander – of die nu vreemdeling is, ‘nieuwe Nederlander’, een concurrent in de liefde of op werk, een medeweggebruiker, misschien zelfs een vriend – wordt geïnstrumentaliseerd, een obstakel. Exit samenleven, enter ‘atomaire samenleving’; een existentiële bedreiging voor de mens en zijn wereld. Om Naomi Klein (This Changes Everything: Capitalism Vs. The Climate, 2014) te parafraseren: het grootste probleem van het neoliberale kapitalisme is dat het ons heeft laten geloven dat collectieve actie onmogelijk is. Of, zoals oorlogsverslaggever Sebastian Junger het zegt in Tribe, zijn via Sarajevo van de Amerikaanse frontier tot Irak en Afghanistan voerende beschouwing over PTSS en het moderne westerse ‘samenleven’:

The social fracturing at its final stage: political fracturing on the national level, people living in single family homes and communities where they do not depend on or relate to their neighbors (it’s not a community but just a collection of homes), and then within the home you have all the children and parents on different devices, sleeping in separate bedrooms and not relating to each other: a complete fracturing of the human bond from top to bottom. There’s nothing in our evolutionary past that suggests that’s a workable idea. […] In effect, humans have dragged a body with a long homanid history into an overfed, malnourished, sedentary, sunlight-deficient, sleep-deprived, competitive, inequitable and socially isolated environment – with dire consequences.

Overdreven? In Nederland wellicht, maar gedenk de Turpins, afgelopen januari groot in het nieuws omdat zij hun dertien kinderen jaren als slaven konden behandelen, gewoon in de Californische voorstad Perris. Geen buur die zich afvroeg waarom ze de kinderen nooit zagen, of – belangrijker – die meende het recht te hebben daar iets achter te zoeken. De grens tussen betrokkenheid en bemoeizucht is dun.

Junger eindigt zijn provocerende maar overtuigende betoog met een roep om solidariteit, volgens hem de enige effectieve remedie tegen de evolutionaire regressie van het moderne kapitalisme. Zijn goede nieuws is daarbij dat zijn ervaringen in oorlogs- en andere crisissituaties hem één ding heel duidelijk hebben gemaakt: de westerse leefwijze heeft de mens er nog niet onder – in crisissituaties blijkt vrijwel ieder mens in staat tot ongelooflijke empathie en zelfopoffering, voor de groep en zelfs voor anderen die ze in het gewone leven koud laten. Zo heeft onze evolutie ons bedraad.
Stelling 4: de samenleving verhindert samenleven, maar we verleren het niet.

Vier stellingen, die leiden naar een vijfde, en naar de winnaar van de Brouwerprijs. Waar het zo is dat onze samenleving fundamenteel onleefbaar dreigt te worden voor de mens en dat de westerse mens daardoor ook de rest van de wereld onleefbaar dreigt te maken. Waar collectieve solidariteit nodig is voor verandering terwijl de mogelijkheid daartoe steeds verder uit zicht raakt. Waar we in ons hele wezen geneigd zijn tot empathie, nieuwsgierigheid en hulpvaardigheid waar we nood zien, terwijl ons het zicht op de ware aard van die nood wordt ontnomen door een systeem dat ons voorhoudt dat we vooral voor onszelf moeten zorgen… daar helpt maar één ding: elkaar dwingen tot een gesprek.

Het project ‘Leer je buren kennen’ laat zien dat het kan en dat het werkt. Het wil desinteresse en argwaan bestrijden door deelnemers verplicht samen te brengen – niet om ze te overtuigen van het eigen gelijk of ze paternalistisch, verontwaardigd of bestraffend toe te spreken, maar voor een open en duidelijke uitwisseling van meningen en gevoelens met maar één doel: zorgen dat mensen die elkaar normaal niet zien staan, elkaar een keer zien. En daarna? Daarna neemt de menselijke natuur het als het goed is over, zoals Kwame Anthony Appiah het zegt in Cosmopolitanism: Ethics in a World of Strangers (2006):

The points of entry to crosscultural conversations […] do not need to be universal; all they need to be is what these particular people have in common. Once we have found enough we share, there is the further possibility that we will be able to enjoy discovering things we do not yet share.
Stelling 5: samenleven is te belangrijk om aan het toeval over te laten.