Rob Hartmans aan Geerten Waling, 26 maart 2018 (brief #1)

Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Dit keer was het de beurt aan Hartmans om Waling de handschoen toe te werpen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden gedurende de maand voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier. Door Rob Hartmans


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#2


Beste Geerten,

‘Oude schrijvers citeren, mijn jongen, dat is het begin van alle gemak.’ Aan deze woorden van Gerrit Komrij, die inmiddels zelf een oude schrijver is die vermoedelijk meer geciteerd dan gelezen wordt, moest ik denken toen ik zat te lezen in de onlangs verschenen vertaling van de Ricordi van Francesco Guicciardini. Dat is niet zo vreemd. Om te beginnen leefde deze Florentijn van 1483 tot 1540, zodat je hem met recht ‘oud’ mag noemen, terwijl hij in Nederland bij lange na niet zo bekend is als zijn oudere stadsgenoot en vriend Machiavelli, waardoor een citaat van hem een flinke belezenheid suggereert. Belangrijker is echter dat Guicciardini zelf niet zoveel ophad met het citeren van klassieke auteurs, terwijl het in zijn tijd – nog meer dan in de onze – gebruikelijk was om zo de eigen mening een zweem van autoriteit te verlenen.

Guicciardini wordt door velen gezien als de eerste historicus die contemporaine schriftelijke bronnen gebruikte – zijn monumentale Storia d’Italia was gebaseerd op een deel van het stadsarchief van Florence dat hij nadat hij in ongenade was gevallen gewoon mee naar huis had genomen – maar die historische belangstelling betekende niet dat hij van mening was dat voorbeelden uit het verleden klakkeloos op het heden geplakt konden worden. In tegenstelling tot Machiavelli, die te pas en te onpas Romeinse auteurs citeerde en het Rome van vóór Julius Caesar zag als voorbeeld voor zijn eigen Florence, was Guicciardini ervan overtuigd dat er uit de geschiedenis geen wetmatigheden
en regels waren af te leiden, omdat de details van elke situatie anders zijn: ‘Iets beoordelen aan de hand van voorbeelden is bedrieglijk. Als ze niet in werkelijk alle opzichten gelijk zijn, hebben ze geen zin, want ook de geringste afwijking in een situatie kan ervoor zorgen dat de uitkomst volslagen anders is. En om die minieme afwijkingen te zien is een goed en scherpziend oog vereist.’ (nr. 117)

Centraal bij Guicciardini staat het begrip discrezione ofwel onderscheidingsvermogen: het nuchter en op basis van zo veel mogelijk informatie beoordelen van situaties en gebeurtenissen. Niet het verleden en niet de starre, abstracte logica, maar de empirie moet hierbij ons kompas zijn.

Het zal je vast niet verbazen dat ik hierbij aan jou moest denken, want jij had vorig jaar forse bezwaren tegen mijn stuk over Thierry Baudet, waarin ik parallellen trok tussen het hedendaagse populisme en het fascisme van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. [1] Dit is kritiek die veelvuldig te beluisteren valt: de maatschappelijke werkelijkheid van nu wijkt heel sterk af van die van de jaren dertig en elke verwijzing naar dat verleden is in feite een vorm van ‘demonisering’. Uiteraard zijn een-op-een analogieën altijd onzinnig, maar is elke vergelijking (oftewel: een analyse van overeenkomsten én verschillen) daarmee taboe? Guicciardini zou het bijvoorbeeld volstrekt idioot hebben gevonden om het aan de macht komen van Trump te vergelijken met wat er
in 1933 in Duitsland gebeurde, maar ongetwijfeld zou hij ook van mening zijn geweest dat de lieden die daarentegen beweerden dat ‘het allemaal wel zal meevallen’ onzin uitsloegen, want ook dat kunnen we helemaal niet weten.

Waarom bestuderen we de geschiedenis eigenlijk? Alleen om verwonderd en nieuwsgierig rond te dolen in wat de vaak geciteerde romancier L.P. Hartley een foreign country noemde, waar de exotische bewoners heel andere dingen doen dan wij? Is de historicus dan niet meer dan een filatelist, die de kleurige en opmerkelijke postzegels uit dat buitenland in een album plakt? L’histoire pour l’histoire? Of proberen we toch op de een of andere manier iets te leren van dat verleden? En dan bedoel ik niet alleen kennis for its own sake, maar om onze discrezione te scherpen, om ons te helpen bij het vormen van een oordeel. Joseph Brodsky schreef ooit: ‘in a society in which the authority of the church is in decline, and the authority of philosophy and the state are negligible or nonexistent, it falls precisely to history to take care of ethical matters.’ [2]

De geschiedenis als geheel herhaalt zich nooit, maar dat wil niet zeggen dat mensen telkens volstrekt andere dingen doen, dat er geen enkele structuur te ontwaren valt. Zie bijvoorbeeld het nieuwe boek van Guido van Hengel, waarin hij de denkbeelden en daden beschrijft van drie zelfbenoemde ‘zieners’ – Frederik van Eeden, Erich Gutkind en Dimitrije Mitrinović – die aan het begin van de vorige eeuw Europa wilden redden van de ondergang. Je kunt deze figuren, met hun overspannen verwachtingen van een ‘bloedbond’ van ‘koninklijken van geest’ die een ‘pan-mensheid’ tot stand wilden brengen, afdoen als een stelletje wereldvreemde mafklappers, of als exponenten van een tijd die radicaal verschilt van de onze, maar geen van beide reacties is helemaal terecht.

Zij leefden in een tijd waarin de ‘onttovering van de wereld’ razendsnel ging, waarin liberalisme en kapitalisme in de ogen van velen leidden tot materialisme, hypocrisie, een cynische elite en geestelijke leegte, waarin de cultuur zou vervlakken en commercialiseren, en, zeker toen de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken, ‘de ondergang van het Avondland’ aanstaande leek. Het was een tijd waarin ‘de moderniteit’ tal van nieuwe beloftes meebracht – waaronder razendsnelle technologische ontwikkelingen en een revolutie in de kunst – en tegelijkertijd in toenemende mate als een probleem werd gezien. De ontworteling en atomisering van het individu, het verloren gaan van zekerheden, het uiteenvallen van de gemeenschap, een beklemmend gevoel van onzekerheid en angst voor de toekomst – het leek alsof Europa ten dode was opgeschreven. Velen zagen in de aanwezigheid van niet-Europese mensen (lees: Joden)
een groot probleem, terwijl verschillende economische, maatschappelijke en culturele ontwikkelingen leidden tot een verschuiving van de man-vrouwverhoudingen, die weer resulteerde in wat wel een ‘crisis van de mannelijkheid’ werd genoemd.

Het Europa van 2018 lijkt in veel opzichten helemaal niet meer op het Europa van 1918, maar niet te ontkennen valt dat soortgelijke geluiden de laatste jaren steeds meer klinken. Alarmistische kreten over de catastrofale ‘omvolking’ van ons werelddeel, de kritiek op een geestloze, cynische en zichzelf verrijkende elite, de plotselinge belangstelling voor Oswald Spengler, het gezeur over het nefaste ‘cultuurmarxisme’ en het veelvuldig geklaag over assertieve vrouwen die zich niet willen onderwerpen aan zelfbenoemde alfamannetjes – de uitingsvormen en de context zijn niet identiek aan die van honderd jaar geleden, maar het gevoel van crisis en ondergang wordt door sommige doemdenkers luidkeels uitgevent. En vooral omdat er ook lieden zijn die deze onvrede in politiek vertalen, kan het volgens mij geen kwaad te kijken naar de overeenkomsten en verschillen met de culturele, sociale en politieke ontwikkelingen in de eerste decennia van de vorige eeuw. Dat kan helpen bij het verbeteren van onze discrezione, en ons wellicht behoeden voor het herhalen van sommige fouten. Want naast de exacte wetenschappen is het vooral de geschiedenis die ons de empirische kennis levert waarop we onze beslissingen kunnen baseren.

Met hartelijke groet, Rob

(lees hier het antwoord van Geerten Waling)

Noten
[1] ‘Thierry Baudet en de erfenis van de jaren dertig’, dNBg 2017#1. Voor de goede orde: elke vergelijking met de Shoah is uiteraard taboe, al was het maar omdat in de jaren dertig zelfs de meeste nazi’s zich daar nog geen voorstelling van konden maken.
[2] Joseph Brodsky, ‘Profile of Clio’, On Grief and Reason. Essays (Londen 1996), 114-137, aldaar 116.