Geerten Waling aan Rob Hartmans, 11 juni 2018 (brief #5)

Geerten Waling en Rob Hartmans schrijven elkaar naar aanleiding van Carlo Strengers Beschaafde minachting. Handleiding voor het verdedigen van onze vrijheid en Steven Pinkers Enlightenment Now: The Case for Reason, Science, Humanism, and Progress. De vraag is natuurlijk of en hoe we ons tot de Verlichting kunnen en moeten verhouden, wat ze ons nog te vertellen heeft: ‘de verlichting wordt vaak beschouwd als een tegelijkertijd filosofisch én historisch fenomeen. Hierbij worden historische “feiten” losgeweekt uit hun context en ingezet om filosofische argumenten kracht bij te zetten. Dit wil uiteraard niet zeggen dat men zich niet door de verlichting kan laten inspireren, maar wie van haar een vaandel wil maken waarachter de mensheid de lange mars der vooruitgang kan volbrengen, moet wel erg rigoureus de schaar in het verleden zetten. Volgens mij moeten historici daar niet aan meewerken.’ (Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden gedurende de maand voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier.) Door Geerten Waling


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#3

 


Waarde Rob,

Verlichting is een opdracht. Al direct vraag ik me af of je dat met me eens zult zijn, want ik vermoed dat jij uitgesproken verlichtingsadepten maar fundamentalistisch vindt. Laat me daarom persoonlijk beginnen: jij, ik en veel andere mensen die ik kan opnoemen lijken me Verlichte Mensen, in die zin dat ons denken en doen sterk zijn bepaald door verlichtingswaarden, waarin we een leidraad zien om het bestaan begrijpelijker en draaglijker te maken. Niet dat we daarmee overigens dogmatici zijn. Niemand is consequent een uithangbord van de verlichting. Irrationaliteit is ook bij Verlichte Mensen aan de orde van de dag: kijk maar naar onze kinderachtige ruzies, nutteloze aankopen of de inname van verdovende middelen.

Niettemin proberen we steeds weer zin van onzin te scheiden met behulp van een aan de verlichting ontleende gereedschapskist. We zien bijvoorbeeld ratio en gevoel als twee afzonderlijke velden met elk hun eigen waarde. We gaan uit van mensenrechten. Pragmatisme is goed, dogmatiek iets om te vermijden. Of iemand gelijk heeft, stellen we vast door logisch te redeneren, empirische toetsing toe te passen en argumenten uit te wisselen in een open debatomgeving – dat principe vormt het materiaal van de drie pijlers waarop de moderne, seculiere samenleving steunt: de democratie, de wetenschap en de publieke moraal.

Deze overtuiging maakt je tegenwoordig tot een ‘rechtse rakker’, blijkbaar. Althans, dat is het verwijt aan het adres van lieden die religieuze dogma’s tegen het licht van de rede houden of die bij mensenrechten een bepaalde universaliteit durven veronderstellen. Neem bijvoorbeeld columnist Elma Drayer, rechtsfilosoof Paul Cliteur, cabaretier Hans Teeuwen of tegenwoordig zelfs Femke Halsema: allemaal worden ze voor (flirtend met) ‘rechts’ uitgemaakt zodra ze opkomen voor de rechten van vrouwen of homo’s. Zodra ze dus een progressief, op verlichtingswaarden geïnspireerd standpunt innemen. Het échte rechtse kamp is vrij marginaal in Nederland – en sterk verdeeld bovendien: we hebben protestantse, katholieke, islamitische, liberale en klassieke conservatieven (en dan is er nog een snippertje libertariërs).

Iets anders ligt dat in het westerse debat in brede zin, hoewel ook verlichtingsadepten als bioloog Richard Dawkins, essayist Christopher Hitchens en filosoof Sam Harris regelmatig juist vanwege een verlichte denktrant onterecht tot de rechterflank zijn gerekend. Dat geldt zeker ook voor de auteurs van de twee boeken over de Verlichting die ik met je wil bespreken: de Zwitsers-Israëlische Carlo Strenger (Beschaafde minachting) en de Canadees Steven Pinker (Enlightenment Now). Beiden zijn psychologen, wat wellicht niet toevallig is. Toch benaderen ze de verlichting vanuit tegenovergestelde posities. Strenger lijkt me een pessimist die de verlichting ziet als de laatste strohalm die de boel nog van de ratsmodee kan redden; Pinker daarentegen is een onverbeterlijke optimist.

Vanwege mijn zonnige natuur begin ik met Strenger, om zo op een positieve noot te kunnen eindigen. Het voordeel dat een pessimist heeft, is dat hij ofwel gelijk krijgt, ofwel positief verrast kan worden. Een wat gemakkelijke positie dus voor Strenger, waarbij hij zich nog kwetsbaarder maakt voor kritiek doordat zijn relatief korte essay voornamelijk bestaat uit associatieve argumenten en anekdotisch bewijs. Toch verdient hij een compliment, omdat hij kunstig manoeuvreert: enerzijds verzet hij zich tegen het relativisme dat hij in de heersende ‘politieke correctheid’ signaleert, anderzijds wijst hij de onbeheerste, dogmatische aanvallen daarop – van ‘rechts’, veronderstel ik – af. In zijn zorgvuldig afgebakende middenpositie pleit Strenger voor een zo beschaafd en zuiver mogelijke vorm van minachting jegens de vijanden van de verlichting (islamisten bijvoorbeeld, of klimaatsceptici).

Strenger worstelt met de vraag hoe het Westen trouw kan blijven aan zijn eigen verlichtingswaarden, zonder dat het daarbij die waarden verraadt. Eigenlijk is dat de vraag naar de weerbare democratie, maar dan toegepast op de intellectuele cultuur. Tolerant willen zijn, openstaan voor debat, de plicht voelen om naar alle stemmen te luisteren – het wil allemaal niet zeggen dat we andermans gedrag of ideeën niet kunnen verachten. Sterker nog, dat moeten we, zodra we ze als ‘irrationeel, immoreel of onmenselijk’ kunnen aanmerken. Dat is onderdeel van onze meningsvorming, maar die moet volgens Strenger wel verantwoord zijn. Daar hield ik even mijn hart vast, want doorgaans volgt dan een moralistische riedel over ‘fatsoen’ en ‘de juiste toon’. Maar zo niet bij Strenger: verantwoorde meningsvorming stoelt volgens hem op een serieuze moeite om je in de materie te verdiepen, en op een aanval op de ideeën, niet de persoon, van je tegenstander.

Een loffelijk streven, al heeft het ook iets naïefs. Juist de door Strenger aangehaalde verdrijving van Ayaan Hirsi Ali uit Nederland en van Salman Rushdie uit Groot-Brittannië laten zien dat er met moordlustige fanatici niet beschaafd valt te discussiëren. En geldt dat eigenlijk ook niet voor al die softies die hun mond hielden en bij het vertrek van Ali en Rushdie opgelucht ademhaalden? Beslist geldt het voor de toenmalige minister die na de moord op Van Gogh opriep tot handhaving van het godslasteringsverbod. Of voor hen die klagen over beveiligingskosten van Geert Wilders. Strengers oproep tot ‘intellectuele zelftucht’ lijkt aan dovemansoren gericht. Scherp, doch niet vrolijk stemmend, is zijn analyse van de naoorlogse degeneratie van het westerse denken: de marxistische verleiding maakte blind voor het moorddadige totalitarisme op links, de schaamte daarover maakte vervolgens alle grote ideologieën verdacht – inclusief de Verlichting. Het Westen zou met zijn Verlichting vooral ellende hebben veroorzaakt, en universele claims waren uit den boze.

Vrolijker wordt het gelukkig bij Pinker, die door Strenger terecht genoemd wordt als een van de wetenschappers die met hun toegankelijke geschriften de ‘verantwoorde meningsvorming’ voor een groot publiek weten te ontsluiten. Pinker maakt meteen een onderscheid tussen de grillige westerse geschiedenis en de best goede ideeën die dan (voornamelijk) in dat Westen mogen zijn ontstaan, maar die een universele zeggingskracht hebben. Eenieder die redelijkheid en menselijke waardigheid waardeert kan er zijn voordeel mee doen. En dat gebeurt ook. Al zal de wereld nooit perfect zijn – en hoed je voor wie naar perfectie streeft –, de geschiedenis van de mensheid wordt gekenmerkt door een groots narratief: een vooruitgang op vrijwel alle fronten, die sinds de verlichting in de hoogste versnelling staat.

Een bekend verwijt aan het adres van Pinker is dat hij een soort verlichtingszeloot is, met zijn honderden pagina’s aan statistieken die aantonen dat het allemaal fantastisch gaat met de mens en de wereld, zoals ook in zijn eerdere boek The Better Angels of Our Nature. Nu lijkt me de verlichting een van de minst slechte vertrekpunten voor fanatisme, vooral vanwege de interne waarborgen tegen dogmatiek. Wie gepassioneerd preekt voor een open en kritisch debat, met ruimte voor argumenten van alle kanten en een streven naar individuele ontplooiing en waardigheid, die zal toch eerder als redelijke progressief uit de bus komen dan als fanaat?

Pinker zelf valt zijn critici onder meer aan in het hoofdstukje ‘Progressophobia’, waarin hij juist de ‘progressieve’ intellectuelen verwijt dat ze wel peuzelen van de vruchten van de vooruitgang, maar dat ze de mogelijkheid zelf van die vooruitgang (door wetenschap, kennisdeling en debat) met een vies gezicht afwijzen. Even daarvoor heeft hij al erkend dat de menselijke natuur verre van rationeel is – neem onze behoefte aan zondebokken – en dat er voortdurend contraverlichtingen op de loer liggen. Religieus en nationalistisch dogmatisme vormen voortdurende bedreigingen, maar Pinker schilt ook een appeltje met de anti-verlichte tendensen van de linkse identiteitspolitiek, waar Strenger zich eveneens tegen verzette.

Steeds komt Pinker terug op het oorverdovende bewijs: we blijken door kennis en rede altijd, en steeds beter, in staat om de grootste problemen te boven te komen. Met Strenger in de hand zouden we tot de conclusie kunnen komen die Isaac Asimov ooit trok: ‘The saddest aspect of life right now is that science gathers knowledge faster than society gathers wisdom.’ Maar wie Pinker leest zal ook dat pessimisme relativeren en concluderen dat vooruit-gang een indrukwekkende geschiedenis heeft, nog altijd voortschrijdt en ook in de toekomst mogelijk is. Zeker als we de verlichting niet alleen zien als een interessante historische periode, maar als een roeping. Tja… Een opdracht?

Hartelijke groeten,
Geerten