Het trauma Vietnam: Ken Burns’ The Vietnam War

Befaamd filmmaker Ken Burns zette zich het afgelopen decennium aan The Vietnam War. Het bleek een hels karwei: de oorlog en zijn erfenis zijn nog altijd te levend en te omstreden voor een kalme terugblik. De serie (meer dan 18 uur) en het vergezellende boek geven een overzicht van de huidige stand van de Vietnamoorlog-receptie. Antropoloog van Zuidoost-Azië John Kleinen is onze gids. Door John Kleinen


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#3

 


In de openingsbeelden van elke aflevering draait de geschiedenis zich om: kogels en granaten keren terug in hun vuurmonden, bommen stijgen het vliegtuig weer in en napalm wordt opgezogen van het bladerdek van de bomen. Eddie Adams’ opname van de executie van een Vietcongstrijder wordt door de projector teruggedraaid. Fascinerend, en gruwelijk surrealistisch: was het maar niet gebeurd, denkt de kijker. Helaas.

Met meer dan achttien uur televisie over de Vietnamoorlog verspreid over tien afleveringen van elk ongeveer honderd minuten pakte het Amerikaanse publieke televisienetwerk Public Broadcasting System (samen met de BBC) afgelopen herfst fors uit. The Vietnam War is gemaakt door Ken Burns en Lynn Novick. Burns is een van de meest succesvolle Amerikaanse documentairemakers en tv-producenten van dit moment. Hij tekende eerder voor oer-Amerikaanse thema’s als de Burgeroorlog en het Wilde Westen, maar ook voor de ‘Dust Bowl’ en de Drooglegging van de jaren dertig. Ook schrok hij niet terug voor een psychologisch portret van Franklin en Eleanor Roosevelt. Die lange lijst documentaires bezorgde hem een reeks van Emmy’s, Grammy’s en Oscarnominaties, en onlangs kreeg hij voor zijn hele oeuvre een prijs van de gezaghebbende National Academy of Television Arts & Sciences (NATAS).

In ons land geniet Burns vooral bekendheid vanwege het in 2016 door de VPRO uitgezonden The Central Park Five, over een groep zwarte jongens die jarenlang gevangen zaten voor een verkrachting die ze onder grote druk hadden bekend, maar niet gepleegd.

Het Ken Burns-effect

Het idee om ook de nog altijd controversiële Vietnamoorlog aan te pakken ontstond meer dan tien jaar geleden, nadat Burns zijn beproefde procedé van ‘visual oral history’ (het samenbrengen van oral history en historische fotografie en video, om de geleefde historische ervaring des te sterker invoelbaar en gecontextualiseerd over te kunnen brengen) had toegepast op de Tweede Wereldoorlog. Maar vergeleken bij die ‘goede oorlog’ bleek de barbarij van Vietnam een ongekende uitdaging: het project kostte met zijn ongekende hoeveelheid archiefwerk en nieuw afgenomen interviews uiteindelijk meer dan 30 miljoen dollar.

Het huidige politieke klimaat in de Verenigde Staten is ook niet het gunstigste voor een project dat deze traumatische episode, en de machtspolitieke en culturele dynamiek erachter, nog eens stevig bevraagd. Toch oogstte de serie de afgelopen maanden breed succes. De aantrekkingskracht zit hem vooral in de overvloed aan nauwelijks bekend foto- en videomateriaal, door de makers opgefrist met zorgvuldig toegevoegd authentiek geluid. Ook nu weer zorgt de maker van de serie voor het ‘Ken Burns-effect’ (sinds kort ook standaard opgenomen in Apples beeldmontagesoftware), dat foto’s met handig ‘pannen en zoomen’ tot leven wekt.

Emotionele archeologie

Ondanks de goede ontvangst kwamen veteranen en demonstranten van weleer elkaar op een aantal gevoelige punten toch weer tegen. Bijvoorbeeld over de vraag hoe structureel het geweld tijdens de Vietnam-oorlog nu eigenlijk was. Het zal de makers niet verrassen: over zinnetjes in het gesproken commentaar als ‘het doden van burgers gebeurde in elke oorlog’ in plaats van ‘het vermoorden van burgers’, of over hun behandeling van het veelgehoorde verwijt aan terugkerende veteranen dat zij ‘babykillers’ waren, werden zij het slechts na felle discussies in het team van adviseurs en ternauwernood eens. Ken Burns zelf noemde zijn serie al eens ‘een oefening in emotionele archeologie’ (The Atlantic, 4 september 2017).

Op zoek naar ontwikkelingen in het Amerikaanse denken over de Vietnamoorlog ligt het dan ook voor de hand om de receptie van de serie te vergelijken met die van die ene andere lange documentaireserie over de oorlog: Vietnam: A Television War (1983, door Stanley Karnow). Ook nu zijn er weer felle reacties, maar de scheidslijnen lopen toch anders dan toen: de linkse ‘duiven’ en rechtse ‘haviken’ hebben plaatsgemaakt voor een door de Trump-administratie aangemoedigd discours van nationalisme en patriottisme, tegenover een meer internationaal geëngageerde houding. Net als Karnow hanteert Burns een gematigd Amerikaans perspectief dat ruimte biedt aan verschillende kampen, onder de disclaimer ‘There is no single truth in war’.

Inhoudelijk is The Vietnam War namelijk zeker vernieuwend. In zo’n tachtig interviews delen betrokkenen hun oorlogservaringen met de kijker. Hier geen Amerikaans overwicht, noch een parade van politici en generaals, maar ex-soldaten en burgers uit de VS en het voormalige Noord- en Zuid-Vietnam die terugblikken op het drama dat hen tussen 1945 en 1975 trof. Nieuw archiefmateriaal maakt de herbeleving van het trauma ‘Vietnam’ des te prangender.

Bijzonder moedig is de in veel interviews geuite kritiek van Noord-Vietnamezen (onder wie de schrijver Bao Ninh) op de lange duur van de oorlog en de manier waarop het leiderschap van de Vietnamese Communistische Partij de gewapende strijd tot de bittere eindoverwinning heeft doorgezet. Zijn bijna terloopse opmerking dat Noord-Vietnamese soldaten tegenstanders vaak doodden om hun gevechtsrantsoenen zal hem in Hanoi zeker niet in dank worden afgenomen.

Hardliners

Ook buiten de publieke arena oogst The Vietnam War naast waardering ook verdeeldheid. Burns en Novick hebben redelijk zorgvuldig gebruikgemaakt van nieuwe bronnen en perspectieven, zoals die van onderzoekers Edward Miller en Fredrik Logevall, wier werk over de periode 1945-1963 – ruwweg tussen het uitroepen van de onafhankelijkheid en de moord op Ngo Dinh Diem – nieuwe en verrassende inzichten heeft opgeleverd.

De geschiedschrijving van de koude oorlog in Zuidoost-Azië en de Vietnamoorlog is gaandeweg overgenomen door een nieuwe generatie specialisten met kennis van lokale talen, waaronder het Vietnamees, en met toegang tot de archieven van alle strijdende partijen. Zij staan in zekere zin op de schouders van oudere bruggenbouwers als William J. Duiker en George C. Herring, die al eerder bekendheid verwierven met hun ‘post-revisionistische’ geschiedschrijving van de oorlog (zoals bijvoorbeeld in Duikers orthodoxe biografie over Ho Chi Minh uit 2001, waarin hij een overtuigend complex portret van Ho schilderde dat alle stereotypen vakkundig ontmantelt). Boeken als Imagining Vietnam and America (2000) van Mark Bradley en Vietnam: A New History (2016) van de Frans-Canadese historicus Christopher Goscha zijn voorbeelden van deze nieuwe benadering.

Burns en Novick hebben goed geluisterd naar deze historici, maar ook naar Vietnamese bronnen die licht schijnen op de dynamiek achter het hardnekkige verzet van de Noord-Vietnamezen en het Nationale Bevrijdingsfront. De manier waarop in Hanoi de militaire strategie tegen de Amerikanen werd ontwikkeld is veel beter te begrijpen door het werk van de Vietnamees-Amerikaanse historica Lien Hang Thi Nguyen, die ook meewerkte aan de documentaire. In Hanoi’s War: An International History of the War for Peace in Vietnam (2012) had zij al overtuigend aangetoond hoe desastreus de strategieën van hardliners als Le Dzuan en Le Duc Tho waren voor het verloop van de oorlog en hoe hoog de prijs was die de Noord-Vietnamezen daarvoor betaalden.

Ook voor de Zuid-Vietnamezen en hun motieven en handelen is ruim aandacht. Werd hun gesneefde republiek met dito leger voorheen vaak afgedaan als een extra zwakke en corrupte vorm van Aziatisch despotisme, hier wordt ook stilgestaan bij de pogingen van Ngo Dinh Diem en zijn broer Nhu om hun deel van het land te moderniseren. Ook het aandeel van de Zuid-Vietnamese troepen, naast de Amerikanen, aan bepaalde veldslagen tegen de aanvallende Noorderlingen en hun bondgenoten, komt meer tot zijn recht.

Revisionisme en representatie

Voor velen zullen ook de door de serie onderstreepte welbekende feiten soms een verrassing zijn: de Vietnamoorlog was de langste oorlog van de twintigste eeuw; het aantal gemiste kansen om de oorlog zonder al te veel gezichtsverlies en Amerikaanse oorlogsdoden te beëindigen, was talrijk; slechts een vijfde van de Amerikaanse troepenmacht was actief betrokken bij de gevechten (de rest werkte aan de gigantische infrastructuur die nodig was om de reusachtige Amerikaanse gevechtsmachine te laten draaien); de oorlog kostte aan weerszijden van de zeventiende breedtegraad (de militaire grens tussen Noord en Zuid-Vietnam) het leven aan drie miljoen mensen, onder wie ten minste twee miljoen burgerslachtoffers, grotendeels als gevolg van Amerikaans wapengeweld.

Het verbaast dat dezelfde filmmakers die deze duistere kanten van de oorlog zo nadrukkelijk behandelen, het adagium dat het Vietnam-avontuur ‘te goeder trouw was begonnen, door fatsoenlijke mensen, maar geboren uit noodlottige misverstanden, Amerikaanse overmoed en misrekening in de Koude Oorlog’ nieuw leven inblazen. De constatering dat de oorlog ‘zo lang duurde omdat het gemakkelijker leek door te modderen dan toe te geven dat deze […] het gevolg was van tragische beslissingen van vijf Amerikaanse presidenten’ achten veel critici in al haar onschuld zelfs volstrekt ongeloofwaardig.

Onder linkse historici geldt de Vietnamoorlog nog altijd als een op misvattingen en leugens gebaseerde postkoloniale invasie. Met de suggestie van een soort onhandige onschuld staat voor hen gelijk onomstotelijk vast dat de documentaire geen wetenschappelijke waarde heeft. Minder radicale vakgenoten zijn wat genuanceerder en proberen op zijn minst begrip te tonen voor wat Burns cs. beoogden met hun Vietnam War. Toch kun je concluderen dat de makers iets te gretig het beeld presenteren van een burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden en tussen Vietnamezen van diverse politieke pluimage. Het internationale karakter van deze ‘proxywar’ verdwijnt al te vaak en onnodig naar de achtergrond.

Kanteljaar 1968

Ook neo- of postrevisionistische geschiedschrijvers volgden The Vietnam War nauwlettend. Het boegbeeld is Mark Moyar, wiens uit 2006 stam-mende boek Triumph Forsaken: The Vietnam War 1954-1965 de toon zet voor de heropening van een revisionistisch debat. Volgens hem vocht Amerika in Vietnam voor een rechtvaardige zaak en was de dominotheorie een verstandige analyse van de politieke werkelijkheid. Anders dan zijn voorgangers betoogt Moyar echter dat de dolkstootlegende – dat de VS de oorlog hadden kunnen winnen als de media, de linkse pers en hun handlangers in het Congres Zuid-Vietnam in 1973 niet hadden laten vallen – niet langer standhoudt. De fouten van de regering-Kennedy (1961-1963) zijn volgens hem doorslaggevender. Burns en Novick gaan daarin een eind mee, maar leggen grote nadruk op de rol van menselijk handelen en toeval in politieke processen; politici en militairen handelden veelal op basis van politiek eigenbelang en met gebrek aan visie voor de lange termijn.

Dat de makers van de serie hebben geprofiteerd van nieuw onderzoek, blijkt het duidelijkst uit hun analyse van de sleuteljaren 1968 en 1969. Eind 1967overheerste in Washington nog generaal Westmorelands optimisme. Toen luidde het Tet-offensief van Noord-Vietnamese troepen en het Nationale Bevrijdingsfront (aangeduid als de Vietcong) het bloedigste jaar van de oorlog in. In de VS ontstonden massaprotesten, al sprak slechts een minderheid zich al uit voor onmiddellijke terugtrekking van de VS uit Vietnam. Het offensief bleek tegen de verwachtingen van Hanoi in niet het einde van de Zuid-Vietnamese strijdkrachten maar het begin van het einde voor de Vietcong, dat met de brede guerrilla-inzet in heel Zuid-Vietnam het beruchte Phoenix-pacificatieprogramma over zich afriep.

Het geweld van 1968 omvatte enkele van de meest gruwelijke wreedheden die zijn begaan tegen Vietnamese burgers: het door de Vietcong in oude keizerlijke hoofdstad Hue aangerichte bloedbad (met tussen de 2.800 en 5.000 slachtoffers) en de door vier Amerikaanse compagnieën in My Lai begane slachting. Ook in de VS zelf was het een gewelddadig jaar (de moorden op Martin Luther King, Jr. en Robert F. Kennedy) – met aanzienlijke gevolgen voor de Amerikaanse publieke opinie, ook ten aanzien van de oorlog. De presidentsverkiezingen stonden dat jaar in het teken van gehaaste pogingen van de Johnson-administratie om de oorlog in Vietnam te beëindigen. Tegen het einde van 1968 waren ongeveer 550.000 Amerikanen betrokken in meer dan 200 grote gevechtsoperaties, was er meer dan een half miljoen ton bommen op Vietnam neergedaald, en had de oorlog de VS al 20 miljard dollar gekost. 1968 telde het grootste aantal dodelijke slachtoffers in een enkel jaar van de oorlog, met meer dan 16.000 Amerikanen en ongeveer 100.000 Noord- en Zuid-Vietnamezen. Ondanks de strategische nederlaag vochten de Noord-Vietnamezen en het NLF, of wat daarvan over was, gewoon door.

Smoking Gun

De documentaire krijgt een onverwachte, bijna perverse dimensie door onze actualiteit. In de tijd van ‘America First’ klinkt het weer extra luid: we moeten af van het Vietnam-syndroom. De tijd van de Powell Doctrine – enkel oorlog als vitale belangen op het spel staan, alle andere opties zijn uitgeput, en dan slechts met de inzet van een beslissend militair overwicht, haalbare doelen en een heldere exitstrategie – sneuvelde al in Afghanistan. Nu is de vraag niet of maar wanneer Trump zijn kans schoon ziet ergens militair in te grijpen onder het apocalyptische motto ‘strike first’.

Het stelt daarbij allerminst gerust dat Trumps merkwaardige verhouding tot de waarheid doet denken aan Richard ‘Tricky Dick’ Nixon. Burns en Novick tonen aan de hand van recent onderzoek overtuigend aan hoe Nixon de oorlog in Vietnam voor zijn doel gebruikte. Zijn nipte verkiezingsoverwinning in november 1968 was gebaseerd op de loze belofte van ‘een eervolle vrede’. Zijn voorganger Lyndon Johnson, die geen tweede termijn ambieerde, had daarvoor een gedegen plan. Nixon benaderde via geheime kanalen de bevriende regering van Zuid-Vietnam om de onderhandelingen in Parijs te boycotten in afwachting van een voor Thieu gunstigere regeling. Sluitend bewijs voor deze manoeuvres is pas recentelijk geleverd.

Hoewel Johnson destijds vermoedde dat zijn rivaal valsspeelde, kon hij geen bewijs vinden voor Nixons persoonlijke betrokkenheid. Seymour Hersh naderde de waarheid al in The Price of Power (1983), maar belichtte daarin vooral de rol van Kissinger. Pas zesenveertig jaar na dato werd in een gespreksverslag van Richard H. Haldeman, een van Nixons helpers bij het Watergate-schandaal, de ‘smoking gun’ gevonden: Nixon had persoonlijk opdracht gegeven de besprekingen in Parijs te saboteren. Het Amerikaanse publiek mocht nooit te weten komen dat de Zuid-Vietnamese president Thieu, voor wie op dat moment al 35.000 Amerikanen waren gesneuveld, op instigatie van Nixon vredesgesprekken had geweigerd om hem te helpen met zijn verkiezing. Nog cynischer is het dat een Amerikaanse presidentskandidaat, louter om de verkiezingen te winnen, geen eind aan het bloedvergieten wilde maken. De trots van de VS en Nixons persoonlijkheid zorgden voor een verlenging van de oorlog met vijf jaar.

Het gewicht van het geheugen

Met hun monumentale documentaire hebben de makers geprobeerd de onmetelijke en onherstelbare tragedie van de Vietnamoorlog betekenis te geven. Geen oorlog ervoor of erna heeft dieper ingegrepen in de levens van gewone Amerikanen en Vietnamezen.

De laatste aflevering van de documentaire, getiteld The Weight of Memory, behandelt de periode tussen 1973 – het formele einde van de oorlog voor de Amerikaanse grondtroepen als gevolg van de onderhandelingen in Parijs – en 1975 – het einde voor de Vietnamezen met de dramatische exodus uit Saigon, van wat de schrijver Thanh Viet Nguyen ‘oceanische vluchtelingen’ noemt in plaats van ‘bootvluchtelingen’. Het iconische Vietnam-monument in Washington, ontworpen door de Chinees-Amerikaanse Maya Lin, is nog steeds onderwerp van veel discussie, maar de plek en het gedenkteken krijgen langzamerhand een blijvende plaats in het collectieve geheugen van de meeste Amerikanen. Het lijdt geen twijfel dat iets soortgelijks zal gebeuren met The Vietnam war.