Rusland toen en nu: over doodsdrift en ‘De Russische idee’

Rusland is nog niet zo gesloten en onkenbaar als veertig jaar geleden – nog lang niet. Toch worden er over ‘de Russische idee’ en ‘de Russische ziel’ zowel door apologeten als door tegenstrevers genoeg vreemde verhalen verteld. Oud Rusland-correspondent Raymond van den Boogaard scheidt kaf van koren en verliest zich daarbij nog altijd niet in polemeiek of partijdigheid. Door Raymond van den Boogaard


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#3


Als het om de kennis van Rusland in Nederland gaat, heeft de stad Arnhem een streepje voor. Want daar is sinds kort de ‘Rusland en Oost-Europa Academie’ gevestigd, waarvan het logo is voorzien van een tsaristisch kroontje. Ruslandkenners als Marie-Thérèse ter Haar en Milja van den Brink, die tot op heden eigenlijk weinigen waren opgevallen, staan – blijkt uit de website van de Academie – voor een omvangrijk programma van lezingen en andere vormen van Ruslandvoorlichting, vanuit een kloek pand in de binnenstad van Arnhem.

‘Poetin – de man en de mythe’ heet een programma, en een ander ‘Zijn zij nu gek of zijn wij het?’ Die titels doen een polemische inzet vermoeden. En inderdaad: ‘Zijn zij nu gek of zijn wij het?’ blijkt één grote rechtzetting van het ‘vooringenomen’ beeld dat ‘de media’ zouden schetsen van de Russische leider en zijn land. De frisse benadering door de Academie blijkt verder uit de prominente aanwezigheid van een portret van Stalin op de website, en de vermelding in de lijst van medewerkers van twee prominente Nederlandse Poetin-fans: de conspiratiejournalist Joost Niemöller en de naar de politieke zelfkant afgedreven professor Karel van Wolferen.

Wat mij aan zo’n site vooral fascineert, is dat er in veertig jaar zo weinig veranderd is: de openbare gedachtewisseling over Rusland wordt nog steeds slechts ten dele door feiten bepaald, en voor een belangrijk deel door ideologische parti-pris.

Voor of tegen

Toen ik me in 1978 als beginnend journalist bij een krant belast zag met de berichtgeving over Rusland, alias de Sovjet-Unie, werd met mijn pennenvruchten regelmatig de vloer aangeveegd in het maandblad van de Vriendschapsvereniging Nederland-USSR. In deze club hadden, na de breuk tussen de CPN en de Sovjetleiding, de laatste Nederlandse Moskou-adepten zich verschanst. Hun verwijt was ook toen al: vooringenomenheid. Objectieve berichtgeving over de Sovjet-Unie in de ‘burgerlijke’ pers was voor de vriendschapsvereniging eenvoudigweg onbestaanbaar. Mij werden onveranderlijk duistere, door hogere imperialistische machten ingegeven inzichten aangewreven. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat men er aan de andere kant van het spectrum ook wat van kon. Een deel van de Nederlandse Ruslandkunde aan de universiteiten had zo’n grondige afkeer van de Sovjet-Unie dat ik mij regelmatig geconfronteerd zag met het verwijt aan de leiband van de KGB te lopen als ik poogde liberaal-waardenvrij de Pravda te citeren.

Nu spreken we hier over een tijd waarin informatie uit de eerste hand over Rusland schaars was. In de jaren 1980, voor perestrojka, bestond de Nederlandse aanwezigheid in de Sovjet-Unie – toeristen die in gesloten formatie door de enige daartoe gesanctioneerde reisorganisatie Intoerist werden rondgeleid daargelaten – uit niet meer dan zo’n honderdvijftig mensen: diplomaten, een handjevol zakenlieden, wat studenten her en der, en natuurlijk die ene officieel geaccrediteerde correspondent (ik). Hun zicht op de Russische werkelijkheid werd op allerlei manieren beperkt: Sovjetburgers waren vaak bevreesd voor contact met de klassenvijand, zodat onbevangen conversatie een uitzondering bleef. Je kreeg ook nooit een dorp te zien – reizen buiten de rondweg om Moskou was een gecompliceerde, aan vergunningen met vooraf vastgelegde routes en verblijf in steden onderworpen bezigheid. Ook ben ik eens maandenlang hinderlijk geschaduwd – wat spannend lijkt, maar na de eerste week toch je spontaniteit aantast.

Ik denk met plezier terug aan mijn vijf jaar in Moskou, maar was in 1987 ook enorm blij dat ik weer weg mocht. Wat mijn critici van beide kanten vooral zo irriteerde, denk ik, was dat ik niet zulke uitgesproken meningen, pro of contra, had over het Rusland van toen. Niet dat er twijfel hoefde te bestaan aan mijn democratische gezindheid of afkeer van politiestaten. Maar de Sovjet-Unie was wat het was, en geëngageerde verslaggeving stond bij mijn krant niet in hoog aanzien.

Bij mijn afscheid heb ik geschreven dat het treurig was hoe in zo’n groot en interessant land de mensen gedwongen waren op hun knieën te leven, maar dat het aan de andere kant boeiend was om te zien hoe zij daarbij hun waardigheid behielden. Zo’n afstandelijke benadering deed het, denk ik, goed bij veel krantenlezers – de nieuwsgierigheid naar het ‘echte leven’ in Rusland was onder hen heel groot. Maar onder Nederlanders met een intense belangstelling voor Rusland maakte ik met deze methode weinig vrienden – in die kringen was verheerlijking of verguizing de norm.

‘De Russische idee’

Dertig jaar zijn sindsdien verstreken, waarin de contacten tussen Nederlanders en Russen zijn geëxplodeerd. Vele duizenden Nederlanders hebben inmiddels ervaring opgedaan met Rusland en de Russen – intensiever dan ik vóór 1987 ooit voor mogelijk had gehouden. Ze hebben in het land vrij rondgereisd, hebben er gewerkt of zijn er zelfs bedrijven begonnen, hebben er gestudeerd, onderzoek gedaan, Russisch geleerd of gevreeën. De kennis van Rusland en de vertrouwdheid met het land zijn enorm toegenomen, zowel kwantitatief als kwalitatief. Niemand is in Moskou meer bang, als een buitenlander hem op straat aanspreekt – als ik er weleens ben, treft me dat elke keer nog als een klein wonder.

Rusland, zou je mogen veronderstellen, is voor Nederlanders dus mettertijd een ‘normaal’ land geworden, zoiets als de Verenigde Staten, of Frankrijk – landen waarover de meningen wellicht verschillen, maar niet in zo’n mate dat de ene groep Nederlanders de andere beschuldigt in de appreciatie te kwader trouw te zijn. Toch gebeurt dat laatste nu dus weer, en de oorzaak daarvan is niet ver te zoeken: die ligt in de neiging van de Russische politici van nu om hun land met zijn bevolking opnieuw af te schermen van de rest van de wereld, en de werkelijkheid te verstoppen achter een gordijn van ideologische overwegingen.

Nog is Rusland niet zo gesloten en onkenbaar als veertig jaar geleden – nog lang niet. Maar de inzet van de overheid onder Vladimir Poetin is onmiskenbaar: de allesoverheersende staatsmedia schilderen sinds enkele jaren de rest van de wereld, in de praktijk vooral het Westen, in toenemende af als een bedreiging voor Rusland, waar je erg voor moet uitkijken. Wat er bedreigd wordt, is – volgens diezelfde propaganda – iets onbestemds, wat wel ‘de Russische idee’ genoemd wordt. Die idee bestaat, al naargelang de politieke eisen van het moment, uit goedmoedig vertrouwen in de politieke leider, orthodoxe religiositeit, de bereidheid om leven en comfort op te offeren voor het moederland. Centraal staat de vage gedachte dat Rusland een unieke historische opdracht heeft in het concert der volkeren.

Deze ‘Russische idee’ lijkt wel een beetje op de ‘Russische ziel’, het kitschbegrip waarnaar vroeger vaak verwezen werd. Ook die ‘ziel’ bleef meestal vaag omschreven: de ‘Russische mens’ zou tot lijden geroepen zijn, en juist daardoor superieur. Nu, geleden is er in de afgelopen eeuw zeker in Rusland. Maar dat niet alleen, natuurlijk; er is ook op allerlei manieren geleefd. Er is geen vaag gezwijmel over de Russische mens of politiek opportunisme voor nodig om te zien dat dat leven in veel opzichten sterk afweek van de ervaringen in de rest van Europa.

Voor die afwijking zijn sinds jaar en dag allerlei hoogdravende historische-, cultuurfilosofische verklaringen in zwang: dat het middeleeuwse koninkrijk Moskovië ontstond als een vazalstaat van de Mongoolse horde bijvoorbeeld, wat een verklaring zou zijn voor de antiwesterse tendens in de Russische beschaving. Of dat Rusland de renaissance heeft gemist. Maar voor een verklaring voor de ‘vreemdheid’ die Rusland – alle openheid van de afgelopen decennia ten spijt – voor de meeste Europeanen nog steeds uitstraalt, met alle fascinatie en vrees waarmee dat gepaard gaat, is het misschien niet nodig zo ver terug te gaan. De ervaringen van grofweg de afgelopen eeuw leveren al voldoende materiaal.

De Sovjetbeschaving

De Duitse Ruslandkundige Karl Schlögel schreef eerder fantastische studies over het jaar van de stalinistische grote terreur, 1937, en over de stad Berlijn als buitenpost van de Russische beschaving. Met Das Sowjetische Jahrhundert poogt de auteur een beeld te geven van de Sovjet-Unie als een verdwenen beschaving. Hij wil er als een archeoloog naar graven, zoals de ondertitel van het boek het omschrijft.

Schlögel pretendeert geen volledigheid. Een encyclopedie heeft hij niet willen maken. Op beschouwelijke toon, en enigszins wijdlopig, schildert de auteur elementen uit het Sovjetleven: de datsja,hoe de Baltische Sovjetrepublieken onder Russen golden als een surrogaat-Westen, de ‘kommoenalka’ (door meerdere gezinnen gedeelde woning), de barakken, Sovjetparfum, de trappenhuizen, Sovjettelefoontoestellen, de museumcultuur, Sovjetdeuren, de inrichting van kantoren, de manier waarop 1 mei en 7 november gevierd werden, het Sovjetkookboek, de stem van Joeri Borisovitsj (nieuwslezer in de oorlogsjaren), de bewaking bij buitenlandse ambassades, de sfeer in lange afstandstreinen en nog heel veel meer.

Veel aspecten van het Sovjetleven ontbreken, ondanks de kloeke omvang van dit boek: meer dan 900 pagina’s. Schlögel behandelt bijvoorbeeld wel de wereld van het ballet, terwijl de Sovjetbioscoop schittert door afwezigheid. Wodka en dronkenschap – in het oog springende maatschappelijke problemen toch – komen slechts zijdelings aan de orde. Persoonlijk betreur ik vooral de afwezigheid van een hoofdstukje over omgangsvormen. De frasen die je hoorde uit te spreken bij bezoek bijvoorbeeld: ‘Excuus dat ik niets gekocht heb’ als het bezoek een onverwacht karakter droeg en je dus geen cadeautje voor de gastvrouw bij je had; of ‘komt u nog eens bij ons’ bij het vertrek van een gast, ook al was men misschien blij van hem af te zijn. Of de dure morele verplichting op de schouders van de buitenlandse gast die op een Russische verjaardag verzeild was geraakt, om na zeven of acht toosten door naaste familie en vrienden ook nog een toost namens de grote wereld uit te brengen, liefst een beetje geestig, nadat hij al zeven of acht glazen ‘tot het einde’ had moeten ledigen. Gelukkig wordt de Russische taal onder invloed van alcohol steeds eenvoudiger te hanteren.

‘Archeoloog’ Schlögel maakt de door hemzelf gewekte verwachting van een overzicht van de Sovjetcivilisatie dus niet waar – het blijft bij capita selecta. Wat de auteur opdiept uit het verzonken Sovjetverleden wordt kennelijk vooral bepaald door zijn eigen ervaringen. Elders heeft hij uitgelegd dat hij, als kind van de Duitse studentenrevolte van 1968, mede uit ideologische belangstelling de studie van de Sovjet-Unie heeft opgenomen – een onderwerp waarvoor, zegt hij, weinigen zich destijds interesseerden. Zijn blik blijft te allen tijde die van de historicus. Bij veel onderwerpen – woonomstandigheden bijvoorbeeld – beschrijft hij hoe die zich hebben ontwikkeld in de loop van de Sovjetgeschiedenis.

Want ofschoon vriend en vijand van de Sovjet-Unie de geschiedenis van deze staat graag als een monolithisch geheel plachten voor te stellen – het werk van Lenin was voor eeuwig tenslotte – waren er natuurlijk wel degelijk zeer verschillende perioden. Op de jaren van de ‘Rode terreur’ na 1917, en de burgeroorlog, volgde de ‘Nieuwe Economische Politiek’ (NEP), een tijdelijk herstel van het marktmechanisme en ondernemerschap. Pas eind jaren twintig, met het eerste Vijfjarenplan onder Stalin, ontstaat de Sovjet-Unie zoals die ons nu meestal voor ogen staat.

De terreur

‘Civilisatie’ is voor de Sovjet-Unie inderdaad geen slecht woord – er ontstond een systeem met eigen maatschappelijke codes en een eigen esthetiek. In Schlögels boek zijn enkele van de beste hoofdstukken gewijd aan de meest indrukwekkende projecten uit de jaren dertig: de geweldige stuwdam in de Dnjepr, de mijnstad Magnitogorsk, het Bjelomorkanaal – allemaal omvangrijke, respect afdwingende ondernemingen die mede door dwangarbeid op grote schaal gerealiseerd konden worden. Want de jaren van opbouw van de stalinistische variant op een moderne industriestaat waren natuurlijk ook die van de stalinistische terreur, waaraan in de jaren tot aan Stalins dood in 1953 tientallen miljoenen mensen ten offer zijn gevallen.

Die terreur zou altijd als een soort schaduw over de Sovjet-Unie blijven hangen, ook nadat medio jaren vijftig, ten tijde van partijleider Nikita Chroesjtsjov en de zogeheten ‘dooi’ mensvriendelijker politiek de overhand kreeg. Voor het eerst na 1917 kreeg de Sovjetburger recht op ‘privacy’. Schlögel laat zien hoe er na de dood van Stalin geleidelijk voor een meerderheid van de bevolking een eind kwam aan het bestaan in kommoenalki, pensions en barakken door de massale bouw van prefabflats, de zogeheten Chroesjtsjovki, waarmee elke Russische stad tot op heden bezaaid is. (En die het Moskouse stadsbestuur nu op grote schaal wil laten af breken.)

De Sovjet-Unie vanaf de jaren zestig, onder partijleider Leonid Brezjnjev en zijn opvolgers, was geen democratie of rechtsstaat, maar nu ook weer niet de hel op aarde of een staat van terreur, waar je ieder moment moest vrezen voor de nachtelijke klop op de deur. Het merkwaardige was natuurlijk dat daarbij de stalinistische vormen en stijl hardnekkig voortleefden. Een nummer van het partijblad Pravda uit 1985 verschilde in opmaak, stijl van de foto’s en taalgebruik niet noemenswaardig van een Pravda uit 1937. Hetzelfde gold voor de parade op 1 mei: diezelfde massale turndemonstraties, uit bordkarton vervaardigde praalwagens met politieke karikaturen van de klassenvijand en gezwaai met kunstbloemen naar de leiders die vanaf het mausoleum van Lenin de parade afnamen.

Ofschoon het gebalsemde lijk van Stalin na 1956 zijn plaats aan Lenins zijde verloor en alsnog werd gecremeerd en de as aan de Kremlinmuur werd bijgezet, leefde het stalinisme toch door in het openbare leven. En niet uitsluitend in uiterlijkheden, ook in politieke inhoud. Stalin zelf mocht niet meer genoemd worden, maar zijn ‘model’ leefde voort, in de organisatie van de economie en vooral in de politieke retorica, met spandoeken, leuzen en schijnverkiezingen. Toen onder partijleider Michail Gorbatsjov na 1985 werd geprobeerd om aan de stalinistische structuren te knagen, en inspiratie te zoeken bij de periodes van de NEP en de ‘dooi’, bleek het te laat: het vermogen van de Sovjetstructuur tot zelfregeneratie bleek uitgeput.

Verzwegen offers

Over het Rusland van nu hangt nog steeds de schaduw van Stalins terreur. Omvang en diepte daarvan zijn duidelijker geworden sinds in de jaren 1990 veel Sovjetarchieven opengingen – Schlögel is een van de historici die daarvan goed gebruik hebben gemaakt. Maar van overheidswege wordt de openbare verwerking van de Stalinistische terreur geenszins bevorderd, en de laatste jaren steeds minder. Russische burgers die op eigen initiatief onderzoek willen doen naar de identiteit van de slachtoffers, of betrokken zijn bij opgravingen op de talrijke plaatsen waar massa-executies hebben plaatsgevonden, zien zich in toenemende mate dwarsgezeten. Sommige archieven van de geheime dienst NKVD zijn inmiddels weer dicht, en de burgerorganisatie Memorial, die zich met zulk onderzoek bezighoudt, is tot ‘buitenlands agent’ verklaard; haar leden krijgen steeds vaker last met de politie. Als de naam van Stalin van overheidswege valt, is dat meestal in verband met de overwinning in de Tweede Wereldoorlog – in Rusland ‘Grote Patriottische’ geheten. Dat past kennelijk beter bij de ‘Russische idee’ van de huidige Kremlinbewoners dan de herinnering aan tegen het eigen volk gerichte terreur.

Dus blijft die terreur, die vrijwel geen familie in Rusland onverlet heeft gelaten, als een soort doem in de lucht hangen. Ook nu beter bekend is welke enorme omvang de terreur had, en hoe hij was georganiseerd, blijven er tal van vragen. De voornaamste daarvan is natuurlijk: waarom? Wat beweegt een regime om tientallen jaren lang, voor een groot deel op basis van willekeur, de bevolking uit te dunnen? Daarvoor zijn natuurlijk wel min of meer rationele motieven te verzinnen: het was de methode van een zwakke staat om de controle over de samenleving te behouden, het was een reservoir voor goedkope slavenarbeid, het was een methode om alle bestaande kaders in de samenleving door jongere te vervangen, in de hoop dat door hun onervarenheid de werkelijkheid kneedbaarder zou blijken.

Tegelijkertijd had die terreur iets redeloos, al was het maar omdat de daders van vandaag morgen opeens de slachtoffers konden worden, en ook vaak werden, zonder enige consideratie voor hun voor het regime nuttige knowhow. Het bekendste voorbeeld daarvan zijn de Sovjetstrijdkrachten: toen Hitler in 1941 min of meer onverwacht de Sovjet-Unie binnenviel, waren in de voorgaande jaren juist legerleiding en officierskorps ernstig uitgedund. De terreur had iets van een collectieve Russische suïcide, die niet zo eenvoudig rationeel te verklaren is.

Dat geldt ook voor verwante, grote vragen, zoals die waarop Schlögel regelmatig terugkomt: hoe is het mogelijk dat de terreur samenvalt met authentiek enthousiasme voor de opbouw van het socialisme in brede lagen van de bevolking? Want dat enthousiasme was niet alleen maar iets uit de overheidspropaganda, of iets wat door angst of dwang werd ingegeven, het bestond echt: de opofferingsgezindheid en het blinde optimisme – dezelfde eigenschappen die president Poetin nu zo graag als een eeuwig kenmerk van de Russische mentaliteit voorstelt.

Doodsdrift

Het is verleidelijk om bij zulke algemene, welhaast metafysische vragen ook brede cultuurfilosofische verklaringen te zoeken. In twee opmerkelijke, recente publicaties gebeurt dat ook. De Zwitserse slavist Felix Philipp Ingold ziet de verklaring in de attitude van Russen tegenover de dood, die heel anders zou zijn dan die van andere Europeanen. In zijn Todeskonzepte der russischen Moderne von Tolstoj bis Lenin onderzoekt hij nauwgezet de opvattingen over de dood bij tal van Russische schrijvers, filosofen en kunstenaars, vanaf het eind van de negentiende eeuw tot in de jaren 1920. Iedere zichzelf respecterende Russische intellectueel, meent hij, was en is een ‘thanatoloog’.

Volgens Ingold komt het vooral door de Russisch-orthodoxe traditie dat in Rusland de dood niet zozeer als een betreurenswaardige beëindiging van het leven wordt beschouwd, zoals in de rest van Europa, maar meer als iets om naar toe te leven, een doel. In een land waar het leven van oudsher door politieke en economische omstandigheden een meer precair karakter draagt, kreeg de dood een andere plaats, meent Ingold. Zijn Todeskonzepte is een zeer onderhoudend boek, mede door de behandeling van een aantal minder bekende denkers en auteurs. Onder hen is de filosoof Nikolaj Fjodorov (1829-1903), die meende dat het tijd werd om, in het kader van de technisch-wetenschappelijke vooruitgang, de mens de weg naar onsterfelijkheid te openen – dezelfde gedachte die heden ten dage sommige internetmiljardairs in Silicon Valley koesteren.

In zekere zin waren zulke gedachten natuurlijk de voorlopers van de in de Stalin-tijd gelanceerde gedachte dat het de nieuwe mens mogelijk zou zijn de natuur te overwinnen – nog in de jaren 1980waren er grootscheepse plannen om rivieren die van zuid naar noord stroomden, om te leiden in zuidelijke richting, zodat met het water meer akkers bevloeid konden worden. Het klopt ook wel dat in de Russische samenleving en cultuur van alledag een opmerkelijke doodsdrift bestaat, meer dan bij ons. Zie bijvoorbeeld de aan verafgoding grenzende verering van dichters die in de Sovjettijd de hand aan zichzelf sloegen, zoals Sergej Jesenin of Vladimir Majakovski.

De these van Ingold lijkt me ook een verklaring voor iets wat me bij Russen altijd heeft verwonderd: het taboe op optimisme. Wie zich onder Russische intellectuelen als een dommerik wil profileren, moet aan de keukentafel opperen dat het misschien in de al of niet naaste toekomst wel beter kan gaan met Rusland. Dat is volkomen not done – de enige acceptabele opvatting is dat het leven catastrofaal is, en vermoedelijk nog slechter zal worden. Ik heb dat taboe op optimisme altijd gezien als een impliciete kritiek op de communistische ideologie, die immers een stralende toekomst van de daken riep. Overigens hadden Russische pessimisten van Nikolaj Fjodorov in dat opzicht niets te vrezen. Diens pleidooi voor de onsterfelijke mens liep niet uit op een stralende toekomstverwachting. Integendeel: als oude mensen eeuwig bleven leven, was dat in zijn gedachtegang de beste garantie dat er nooit iets kon veranderen.

Millenarisme

Een andere moderne auteur met een grote greep ten aanzien van het Sovjetverleden is de Amerikaans-Russische historicus Yuri Slezkine. Diens lijvige Huis van de regering is de afgelopen maanden alom geprezen. Onder gebruikmaking van veelal nog onbekende familiearchieven reconstrueert Slezkine nauwgezet het leven van de bewoners van een groot flatgebouw met meer dan vijfhonderd appartementen, aan de oever van de rivier de Moskva schuin tegenover het Kremlin, het Huis uit de boektitel.

Het resultaat is een zeer uitgebreide zedenschets van de eerste generaties communistische elite. Vrijwel niets blijft onbesproken: de seksuele mores, de eetgewoonten (het Huis had een eigen gemeenschappelijke keuken), hun huisraad (uit de eigen timmermanswerkplaats). Veel aandacht heeft Slezkine ook voor wat ze lazen: klassieken als Poesjkin, Dostojevski en Tolstoj natuurlijk, maar ook veel politiek correcte contemporaine romans, die Slezkine uitvoerig navertelt en waarvan je onmiddellijk begrijpt waarom ze inmiddels volstrekt vergeten zijn. De elite uit het Huis bestuurde het land met harde hand, in opdracht van de partij uiteraard, maar werd ook zelf in de jaren dertig slachtoffer van de terreur, wat binnen het complex tot voortdurende verhuizingen leidde.

De – overigens schandelijk slechte – Nederlandse vertaling uit het Engels van het boek heeft als ondertitel ‘Een familiesaga uit de Sovjettijd’, maar met deze knusse aanduiding wordt het werk tekortgedaan. Het is Slezkine geenszins alleen te doen om petite histoire. Hij pretendeert aan te tonen dat de regerende partij der bolsjeviki al sinds haar ontstaan een religieuze beweging vormde. En wel een van de millenaristische soort, met de komst van de communistische wereldrevolutie als de apocalyps die alles perfect zou maken en de definitieve gelukzaligheid brengen. Zoals vaker bij sekten, werd grote waarde gehecht aan de zuiverheid van de eigen rangen, daar immers onreinen het aanbreken van de apocalyps vertragen. De stalinistische terreur wordt in deze visie een rituele strijd tegen de grote, zondige wereld, en zijn handlangers in de eigen gelederen. Helaas is de onderbouwing van deze stelling, in honderden pagina’s filosofie en vergelijkende godsdienstwetenschap, niet vrij van antisemitische ondertonen. Slezkine lijkt het bolsjevisme in essentie als een Joodse sekte te zien, die Rusland te grazen neemt.

Bij zoveel grote greep is de bescheidener, beschrijvende benadering van Schlögel mij toch sympathieker, al laat die meer vragen open. Zo’n wat minder ideologische benadering biedt, lijkt me, de Russen ook meer kans op het bewerkstelligen van maatschappelijke verandering, wanneer – hopelijk over niet al te lange tijd – de staatscontrole over de media weer zal verslappen en er weer ruimte komt voor publieke gedachtewisseling in Rusland, over het verleden en vooral over waar het heen moet met het land. Het verdient beter dan geregeerd te worden aan de hand van brede, niet zelden obscurantistische opvattingen over zijn identiteit. Die verdoemen Rusland niet zelden tot stilstand, of fungeren als vrijbrief voor politieke agenda’s die zich aan Russische individuen weinig gelegen laten liggen. Rusland is niet alleen maar een exotisch, levensbeschouwelijk project. En anders dan men aan die Academie in Arnhem lijkt te denken, is niemand gek.