Rob Hartmans aan Geerten Waling, 11 juni 2018 (brief #6)

Geerten Waling en Rob Hartmans schrijven elkaar naar aanleiding van Carlo Strengers Beschaafde minachting. Handleiding voor het verdedigen van onze vrijheid en Steven Pinkers Enlightenment Now: The Case for Reason, Science, Humanism, and Progress. De vraag is natuurlijk of en hoe we ons tot de Verlichting kunnen en moeten verhouden, wat ze ons nog te vertellen heeft: ‘de verlichting wordt vaak beschouwd als een tegelijkertijd filosofisch én historisch fenomeen. Hierbij worden historische “feiten” losgeweekt uit hun context en ingezet om filosofische argumenten kracht bij te zetten. Dit wil uiteraard niet zeggen dat men zich niet door de verlichting kan laten inspireren, maar wie van haar een vaandel wil maken waarachter de mensheid de lange mars der vooruitgang kan volbrengen, moet wel erg rigoureus de schaar in het verleden zetten. Volgens mij moeten historici daar niet aan meewerken.’ (Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden gedurende de maand voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier.) Door Rob Hartmans


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#3

 


Beste Geerten,

Het leven is vaak wreed en deelt soms ongenadige klappen uit, maar uitgemaakt worden voor ‘rechtse rakker’ lijkt mij toch geen al te ernstig letsel. Ik kan me althans niet herinneren dat ik er begin jaren tachtig wakker van lag toen linkse vrienden mij dit etiket opplakten omdat ik vóór de kruisraketten was, meer sympathie kon opbrengen voor Yitzhak Rabin dan voor Yasser Arafat, me wild ergerde aan het geweld en groepsegoïsme van de kraakbeweging en altijd vlijmscherp reageerde op lieden die het communisme propageerden of zelfs maar vergoelijkten. Achteraf bleek dit het laatste decennium van de Koude Oorlog – een periode waar sommigen tegenwoordig met zekere nostalgie naar terugkijken, omdat ze denken dat toen de politieke scheidslijnen helder en zelfs eenduidig waren. Onzin natuurlijk, want ik voelde me allesbehalve verwant aan VVD’ers die op deze terreinen hetzelfde standpunt innamen, maar tegelijkertijd weinig moeite hadden met de militaire dictaturen in Zuid-Amerika of het Zuid-Afri-kaanse apartheidsregime, die van mening waren dat de talrijke werklozen luie profiteurs waren wier uitkering drastisch verlaagd diende te worden, en die het een schande vonden dat prins Bernhard wegens de Lockheed-affaire geen uniform meer mocht dragen. Kortom, voor mij gold wat Renate Rubinstein ooit schreef: ‘links geweest en toch niet rechts geworden’.

Ik ben dan ook niet snel geneigd om auteurs als Steven Pinker of Carlo Strenger links of rechts te noemen. (Als je het niet erg vindt laat ik eminente denkers als Cliteur, Drayer en Teeuwen hier even buiten beschouwing; een mens kan ook te veel hooi op z’n vork nemen.) Zo zet Strenger zich sterk af tegen de zogenoemde ‘politieke correctheid’ die links zou kenmerken, maar schrijft hij tevens dat onze vrijheid en cultuur te kostbaar zijn om over te laten aan conservatieven en rechtspopulisten. Op zich vond ik Beschaafde minachting een sympathiek boekje, alleen vroeg ik me op zeker moment af waar Strenger nu zo driftig tegenaan trapte. En toen wist ik het ineens: tegen een open deur, of beter gezegd, tegen een hele reeks open deuren. De voosheid van het postmodernisme, de gevaren van religieus fanatisme, het simplisme van de populisten en de noodzaak om onze vrijheden te verdedigen tegen obscurantisten, fundamentalisten en fanatici – het komt mij allemaal nogal bekend voor. Dat hele idee van ‘beschaafde minachting’ vind ik weinig opmerkelijk en zijn claim dat we hiermee beschikken over ‘een instrument dat ons de mogelijkheid biedt om onze waarden met krachtiger middelen te verdedigen’ (p. 118), lijkt me nogal overdreven. Ligt mijn tegenstander er echt wakker van als ik hem, al dan niet ‘beschaafd’, minacht? Ik vrees dat daar meer voor nodig is.

Ook benadrukt Strenger steeds dat men zich bij discussies moet baseren op de laatste stand van de wetenschap, en aangezien men die nooit op alle terreinen kan overzien, moet men dus meestal kijken naar wat de deskundigen op dat terrein zeggen. Dat is op zich natuurlijk heel verstandig, maar gaat uiteraard alleen op voor de levensterreinen waarop de wetenschap iets te zeggen heeft, en waar er min of meer sprake is van consensus. In veel gevallen blijft ‘de waarheid’ toch een omstreden zaak, en bovendien kun je wetenschappelijke methodes ook inzetten voor heel dubieuze zaken. In feite heeft Karel van het Reve de kwestie al in 1954– midden in de Koude Oorlog, toen velen geneigd waren volledig zwart-wit te denken – helder geformuleerd: ‘Het zijn […] naar onze mening geen politieke of wereldbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden.’ [1]

Beschaving en barbarij – als ik Pinker moet geloven is het eerste volledig het product van de verlichting, en leidt elke kanttekening bij dit idee uiteindelijk tot de overwinning van de barbaren. Evenals Strenger keert Pinker zich niet alleen tegen allerlei ‘progressieven’ die in werkelijkheid ‘progressofoob’ zijn, maar tevens tegen ‘autoritair populisme en romantisch nationalisme’. (Gezien onze vorige brieven kan ik het niet laten erop te wijzen dat hij in deze laatste twee verschijnselen een soort ‘Fascism Lite’ ziet doorwerken (p. 448).) De vraag waar het volgens Pinker om draait is: ben je vóór of tegen de verlichting?

Onlangs las ik de Engelse vertaling van Rivolta contro il mondo moderno van de Italiaanse fascist en esoterische filosoof Julius Evola (1898-1974) [2], die door Pinker wordt genoemd als een van de inspiratiebronnen van de alt-right-beweging. Geconfronteerd met dit soort denkers kost het me geen enkele moeite om me volledig een zoon van de verlichting te voelen. Met het gedweep met strijd, hiërarchie en ‘het hogere’ heb ik helemaal niets, en ik vind het ronduit debiel om te beweren dat de wereld al duizenden jaren degenereert. Nee, geef me dan maar het optimisme van Pinker, die bovendien vooral op zoek is naar praktische oplossingen voor concrete problemen.

Waar ik wel moeite mee heb, is dat Pinker de verlichting ziet als een soort banier, waaronder de weldenkende en goedwillende mensen ten strijde kunnen en moeten trekken tegen de krachten der duisternis. Hij lijkt daarmee een beetje op Jonathan Israel, die ook van mening is dat we alle ‘kernwaarden van de moderniteit’ te danken hebben aan de verlichting. [3] Beiden reduceren de verlichting tot een set waarden en idealen, die sinds ze in de zeventiende en achttiende eeuw ‘ontdekt’ zijn universele en eeuwige geldigheid bezitten. Niet dat er iets mis is met waarden als vrijheid van gedachte en meningsuiting, democratie, tolerantie, seksuele en raciale gelijkheid en het idee van de rechtsstaat, maar wie denkt dat we ze uitsluitend te danken hebben aan de verlichting geeft blijk van een volstrekt onhistorische kijk op het verleden.

Veel zaken die als ‘typisch’ voor de verlichting worden gezien hebben veel oudere wortels, en bovendien zijn veel van die denkbeelden later aangevuld of gecorrigeerd door andere bewegingen. Zo was het negentiende-eeuwse liberalisme evenzeer een product van de romantiek als van de verlichting. Het beeld dat velen momenteel van de verlichting hebben, wordt sterk beïnvloed door de drie monumentale boeken van Israel. Het probleem is echter dat Israels visie op de verlichting sterk getuigt van wat de Italiaanse historicus Vincenzo Ferrone ‘het paradigma van de centaur’ noemt.

Net zoals dat mythische wezen man én paard is, wordt de verlichting vaak beschouwd als een tegelijkertijd filosofisch én historisch fenomeen. Hierbij worden historische ‘feiten’ losgeweekt uit hun context en ingezet om filosofische argumenten kracht bij te zetten. In zijn even elegante als briljante boek over de verlichting laat Ferrone zien dat dit leidt tot een grove vertekening van wat er daadwerkelijk is gebeurd tussen pakweg 1650 en 1800. Veel filosofen, en een ideologisch gedreven historicus als Israel, zoeken naarstig naar ‘de oorsprong van de moderniteit’, of zoals Ferrone het formuleert: ‘Philosophers are tempted to push upstream until they arrive at the source. Historians must tell us how the river made its way, among what obstacles and difficulties it made its course.’ [4] Er is namelijk niet één bron, en de ideeën over mens en wereld die tijdens de verlichting dominant werden, zijn later geëvolueerd en zijn nog altijd onderhevig aan verandering. Dit wil uiteraard niet zeggen dat men zich niet door de verlichting kan laten inspireren, maar wie van haar een vaandel wil maken waarachter de mensheid de lange mars der vooruitgang kan volbrengen, moet wel erg rigoureus de schaar in het verleden zetten. Volgens mij moeten historici daar niet aan meewerken.

Met hartelijke groet,
Rob

Noten

  1. K. van het Reve, Sovjet-annexatie der klassieken. Bijdrage tot de geschiedenis der Marxistische cultuurbeschouwing (Amsterdam 1954), 143.
  2. Julius Evola, Revolt Against the Modern World, vert. Guido Stucco (Rochester VT 1995).
  3. Voor mijn bezwaren tegen Israels visie op de verlichting, zie ‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’, dNBg 2016#4; Jonathan Israel, ‘A Reply to Rob Hartmans’, plus mijn dupliek, dNBg 2017#1. Zuiver in de Israelse leer is Pinker trouwens niet, want hij voert onder anderen Hobbes, Montesquieu, Voltaire en Hume op als belangrijke verlichtingsdenkers, terwijl die volgens Israel behoorden tot de kwalijke categorie van de ‘gematigde verlichting’, die alleen maar in de weg liep bij de zegenrijke arbeid van de ‘radicale verlichting’ van Spinoza en Diderot.
  4. Vincenzo Ferrone, The Enlightenment. History of an Idea, vert. Elisabetta Tarantino (Princeton & Oxford 2017), 157. Een ander handzaam en bijzonder goed overzicht, dat eveneens kan fungeren als antidotum tegen Israels verwrongen kijk op de verlichting, is Dan Edelstein, The Enlightenment. A Genealogy (Chicago & Londen 2010).