‘The colored bathroom is a mile away…!’. Fassins morele economie van het leven

Het bestaan van ongelijkwaardige levens is naar zijn eigen zeggen de drijfveer van de Franse antropoloog Didier Fassin. In een compact en strak opgezet betoog beargumenteert Fassin in Punir wat straffen is, waarom men straft en wie men kiest te straffen. De methode die Fassin gebruikt om tot een kritische theorie van het straffen te komen, is een combinatie van etnografie en genealogie naar Foucault en Nietzsche. De eerste bracht met Discipline, toezicht en straf de ontstaansgeschiedenis van het straffen over een korter tijdsbestek in kaart; in De genealogie van de moraal keek Nietzsche naar de langere termijn. Met hun werk in de hand betoogt Fassin hoe gemeenschappen waarin de sociale orde werd hersteld door een schuld te vereffenen aan degenen die iets was aangedaan, zich ontwikkelden naar een samenleving waarin het lijden de norm werd als boetedoening voor een fout, en de cruciale rol van de kerk daarin. Fassin spreekt van een overgang van ‘een affectieve economie van schuld’ naar een ‘morele economie van vervolging’. Niet compensatie maar straf werd in de loop van de tijd de reactie op de overtreding van regels of wetten in de samenleving. Dat roept de vraag op naar de rechtvaardiging voor het straffen. Door Marjolijn Voogel 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#4

   

Kortgeleden keek ik met mijn zoons van dertien, twaalf en negen jaar de film Hidden Figures uit 2016 van Theodore Melfi. De film vertelt het waargebeurde verhaal van een team van Afro-Amerikaanse wetenschapsters rond Katherine Johnson en haar collega’s Dorothy Vaughan en Mary Jackson, dames die een cruciale rol speelden in de NASA in de beginjaren van de ruimtewedloop. Dankzij hun berekeningen lukte het de Amerikaanse astronaut John Glenn om in 1962 als eerste Amerikaan in een baan om de aarde te vliegen. Hevig ontdaan waren mijn zoons bij het zien van de beelden van de aparte afdeling voor colored people achter in de bus, in de bibliotheek en natuurlijk bij de cruciale scène waarin hoofdrolspeelster Johnson uitbarst als haar manager vraagt waarom zij om de paar uur zulke lange pauzes neemt: ‘The colored bathroom is a mile away…!’ De morele verontwaardiging van mijn zoons was groot, maar ook hun gevoel van superioriteit ten opzichte van de levenswijze in het verre en vreemde Amerika van vroeger. Daarbij realiseren ze zich nog niet hoe die geschiedenis van rassensegregatie doorwerkt en nog steeds tot schrijnende ongelijkheden leidt.

Het bestaan van ongelijkwaardige levens is naar zijn eigen zeggen de drijfveer van de Franse antropoloog Didier Fassin. In respectievelijk 2017 en 2018 verschenen van zijn hand twee publicaties met prikkelende titels: Punir. Une passion contemporaine en La vie. Mode d’emploi critique. Zulke ambitieuze titels duiden op een antropoloog die zijn werk anders doet dan zijn vakgenoten en daarin stelt hij de lezer niet teleur. Ook Fassins loopbaan, die hij begon als arts, is anders dan de meeste van zijn vakgenoten. Zijn jongere broer Éric Fassin, eveneens bekend Frans socioloog, bracht hem op het pad van de sociale wetenschappen.

Hij zette zijn eerste stappen richting de sociale wetenschappen in de medische antropologie, maar daar nam hij afstand van zijn vakgenoten. Hij had er moeite mee dat zij de medische wereld te veel an sich bestudeerden en te weinig rekening hielden met de sociale structuren waarin die is ingebed. Liever beschouwt Fassin de totalité van waaruit elke groep en domein deel uitmaakt, een geheel dat bestaat uit een verbazingwekkende pluralités van werelden en ongelijkheden met betrekking tot de behandeling van ziekte, straffen en alle andere vormen van leven. ‘Ce ne sont pas les éléments qui déterminent l’ensemble mais c’est l’ensemble qui détermine les éléments’, citeert hij Georges Perec, naar wiens werk hij met de titel van het tweede boek verwijst. Met dat uitgangspunt begeeft hij zich op het grensvlak van politiek en moraal, over het algemeen het domein van juristen en filosofen, met wie Fassin in discussie treedt. Inmiddels is Didier Fassin professor in de sociale wetenschappen aan het prestigieuze Institute for Advanced Studies in Princeton en wetenschappelijk directeur van de École des Hautes Études en Sciences Sociales te Parijs.

Een morele economie van vervolging

Zijn multidisciplinaire benaderingswijze is terug te zien in Punir, waarin Fassin de explosieve en wereldwijde stijging van het aantal gedetineerden problematiseert. De Verenigde Staten spannen daarbij de kroon: in 1970 zaten er 200.000 mensen in Amerikaanse federale en staatsgevangenissen. Veertig jaar later waren dat er acht keer zoveel, een aantal dat groeit naar 2,3 miljoen als daarbij de gedetineerden in de jails worden opgeteld. Ook in Frankrijk is het aantal gedetineerden de afgelopen decennia sterk gestegen. Het idee achter straffen en detentie is dat ze criminaliteit dienen op te lossen. Gezien de expansie van het aantal gedetineerden dreigt de oplossing echter het probleem te worden, vanwege de hoge economische en humanitaire kosten. Fassin is niet de eerste die deze problematiek duidt. Vooral in Amerika is veel gepubliceerd over de politieke ontwikkelingen en de praktijken die hebben geleid tot de huidige situatie. Maar in deze literatuur wordt maar zelden de aard van het straffen zelf geproblematiseerd en de veronderstellingen die daaraan ten grondslag liggen, namelijk dat er een moreel verband is tussen misdaad en straf en dat wettelijke vervolging een puur rationele aangelegenheid is.

In een compact en strak opgezet betoog beargumenteert Fassin wat straffen is, waarom men straft en wie men kiest te straffen. De methode die Fassin gebruikt om tot een kritische theorie van het straffen te komen, is een combinatie van etnografie en genealogie naar Foucault en Nietzsche. De eerste bracht met Discipline, toezicht en straf de ontstaansgeschiedenis van het straffen over een korter tijdsbestek in kaart; in De genealogie van de moraal keek Nietzsche naar de langere termijn. Met hun werk in de hand betoogt Fassin hoe gemeenschappen waarin de sociale orde werd hersteld door een schuld te vereffenen aan degenen die iets was aangedaan, zich ontwikkelden naar een samenleving waarin het lijden de norm werd als boetedoening voor een fout, en de cruciale rol van de kerk daarin. Fassin spreekt van een overgang van ‘een affectieve economie van schuld’ naar een ‘morele economie van vervolging’. Niet compensatie maar straf werd in de loop van de tijd de reactie op de overtreding van regels of wetten in de samenleving. Dat roept de vraag op naar de rechtvaardiging voor het straffen.

Ongelijkheid in het straffen

Aan de hand van voorbeelden uit zijn etnografisch onderzoek toont Fassin aan dat de juridische rechtvaardiging, in westerse maatschappijen meestal geworteld in utilitaristische principes, in de praktijk vaak problematisch is. Er is daarbinnen te weinig aandacht voor de gevoelens van zowel dager als gedaagde; sentimenten van verontwaardiging, van superioriteit of zelfs van genot. Vanuit het basisprincipe dat voor de wet iedereen gelijk is, is dit immers een groot taboe. Zo beschrijft Fassin het verschil in de behandeling van Fransman van Senegalese origine die een politieagent zou hebben beledigd, en een witte man uit de middenklasse die zijn vriendin zou hebben verkracht. Door het als onaangepast beschouwde gedrag van de eerste en de kunst van het bespelen van de rechter van de tweede, wordt de Senegalees terechtgesteld en de jongeman uit de middenklasse vrijgesproken, terwijl het delict van de Fransman ernstiger is.

Fassin toont aan dat binnen het juridische systeem in veel westerse democratieën een keuze tot stand komt waardoor bepaalde groepen dubbel de dupe zijn. Niet alleen worden die vaker en scherper gecontroleerd, en daarmee veelal ook gekleineerd, ook worden ze als niet-ingewijden in de sociale rechterlijk instituties hiervan keer op keer buitengesloten door degenen die dat wel zijn. Steeds weer wordt zo hun status van buitenstaander bevestigd. Verbetering in de rechtsgang zal volgens Fassin dan ook niet tot stand komen door a priori nieuwe spelregels, die meestal niets met de werkelijkheid van doen hebben, op te stellen. Gezien de complexiteit binnen strafpraktijken is het vruchtbaarder om na te gaan welke betekenissen hieraan worden gegeven door de verschillende betrokkenen, en om a posteriori na te gaan hoe het spel gespeeld wordt en vooral: wat er op het spel staat.

De opkomst van de biolegitimiteit

Ondanks dat het leven de basis vormt van de antropologie, namelijk het leven van mensen onder wie de antropoloog zich begeeft voor zijn onderzoek, is het leven an sich zelden geproblematiseerd binnen die discipline. Dat hiaat tracht Fassin op te vullen met La vie. Mode d’emploi critique. Ook dit werk heeft een rigide opzet, in drie delen: vormen van leven, ethiek van het leven en politiek van het leven. Fassin is niet geïnteresseerd in een kritische bezinning op het leven of de vraag hoe moeten we leven. De hamvraag is: welke waarde hechten wij aan het leven? Dat leven heeft twee dimensies, een biologische (het levende) en een biografische (het geleefde). Meestal worden die beide onafhankelijk van elkaar onderzocht, terwijl ze in werkelijke levensvormen natuurlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Biografische feiten of gebeurtenissen in een leven bieden immers nieuwe (on)mogelijkheden van leven en vice versa.

Fassin laat zien dat er sinds de jaren zeventig een verschuiving plaatsvindt in de ethiek van het leven. Uit de forse daling van het aantal toekenningen van asielaanvragen (in Frankrijk daalde dat aantal sinds de jaren zeventig van 90 procent naar 10 procent) blijkt de afname van de legitimiteit van de politieke dreiging en het biografische bewijs daarvoor van asielzoekers. Daarentegen is er een stijging te zien van het aantal naturalisaties op basis van medische dossiers. Instituties in de verschillende landen lijken zich beter op hun gemak te voelen met de veronderstelde neutraliteit van medische of psychische aandoeningen, die als empirisch robuuster en daarmee dringender worden gezien, dan de vermeend verdachte partijdigheid van de biografische bewijsvoering. Die toenemende legitimiteit van het humanitaire belang vermindert echter de kracht van de roep om sociale rechtvaardigheid. De waarde van het leven als sociaal en politiek feit is gedaald, terwijl de waarde van het leven als een natuurlijk en biologisch feit toeneemt. Fassin spreekt van de opkomst van de biolegitimiteit, de erkenning van het leven als hoogste goed uit naam waarvan uiteindelijk elke actie kan worden gerechtvaardigd. De wettelijke bescherming en sociale rechtvaardigheid van asielzoekers worden daarentegen steeds vaker aangetast.

Er bestaat een fundamentele spanning tussen deze ontstane ethiek en het huidige beleid, de politiek van het leven. Daarbinnen worden concrete levens op zeer uiteenlopende wijzen gewaardeerd. Zo bestaan er enorme verschillen in de uitkeringen van levensverzekeringen bij overlijden ten gevolge van humanitaire of oorlogsrampen. Maar ook het sterftecijfer van een land is veelzeggend voor de waardering van levens. Opnieuw is het voorbeeld van de Verenigde Staten stuitend, vanwege het bestaan van enorme ongelijkheden die uit dat cijfer blijken. Het machtigste land ter wereld, met de hoogste welzijnsuitgaven en zonder twijfel de meest innovatieve medische technologie, komt pas op de 34e plaats van landen met de hoogste levensverwachting. De onderlinge verschillen tussen groepen zijn daarbij enorm. Zo is in de leeftijdscategorie tussen vijfentwintig en vierenzestig jaar de sterfte onder de zwarte bevolking twee keer zo groot als die onder de witte bevolking. De levensverwachting van zwarte mannen die hun school niet hebben afgemaakt is maar liefst veertien jaar minder dan van hun witte evenknieën die hoger onderwijs hebben genoten. Ook hier is een verband te leggen tussen fysieke sterfte en een sociale dood, een notie die werd geïntroduceerd met betrekking tot de slavernij en die berust op het idee dat een slaaf werd gedwongen de sociale gemeenschap waartoe hij behoorde te verlaten en geresocialiseerd in een totaal vervreemde levensvorm. Het is vergelijkbaar met de uitpuilende Amerikaanse gevangenissen, waarbinnen het aandeel zwarte gevangenen maar liefst acht keer zo hoog is dan het witte aandeel, en die daarmee net als ten tijde van de rassensegregatie als het ware uit de samenleving worden verbannen, dringt zich op.

Une économie morale

Deze grote ongelijkheid tussen verschillende populaties hangt samen met materiële aspecten zoals gezondheid, leefomstandigheden, inkomen en opleiding. Maar niet alleen daardoor zijn ongelijkheden te verklaren. Ook andere, morele factoren spelen een rol, zoals de dagelijkse neerbuigendheid, onderschatting en/of discriminatie ten opzichte van buitenstaanders. Fassin spreekt van ‘une économie morale’; de productie, verspreiding, toe-eigening van waarden, gevoelens en emoties rond een sociaal feit, in casu straffen en leven.

Hij onderstreept daarbij het belang om te kijken naar de uitdrukkingen ervan en de mechanismen die ermee gepaard gaan. Zo beschrijft hij de verbazing van zijn Amerikaanse collega’s over de hevige protesten in Parijse banlieues, telkens wanneer een meestal jonge man omkomt tijdens gewelddadige interacties met de politie. Ondanks dat (of wellicht juist doordat) dit in Amerika zo vaak voorkomt, is zulk geweld daar zelden aanleiding voor protesten. Het duidt op een andere waardering van het leven, of in ieder geval van bepaalde vormen van leven. De politieke economie die zich manifesteert in ongelijkheid door uitbuiting of uitsluiting, veronderstelt een morele economie en hangt er nauw mee samen. Want om een groep van individuen te kunnen uitbuiten of uitsluiten, moet men dit kunnen rechtvaardigen. Omgekeerd vraagt de ongelijkheid van levensverwachting niet alleen om een kwantitatieve, meetbare antwoorden, maar ook om de erkenning voor de kwaliteit van levens. Zo is Fassins werk te vergelijken met de bijl waarmee de manager in Hidden Figures na Johnsons uitbarsting de colored bathrooms in de NASA-gebouwen aan diggelen slaat.

De belangrijkste verdienste van Fassins grootse en meeslepende aanpak is dat hij zijn lezer laat nadenken over zaken waarvan verondersteld wordt dat het duidelijk is wat ermee wordt bedoeld, ook door degenen die er dagelijks onderzoek naar doen. Ook is in tijden van steeds verdergaande specialisatie Fassins interdisciplinaire helicopterview verfrissend, zelfs als hij daarmee noodgedwongen voorbijgaat aan verschillen in situaties. Er zijn voldoende onderwerpen die interessant zouden zijn voor de aanpak die Fassin voorstaat. Wat te denken bijvoorbeeld van een kritische beschouwing van het hedendaagse opvoeden en scholen, waarbij nu eens niet het hoe centraal staat, maar bevraagd wordt wat het is, waarom we het doen en wie we opvoeden. Ongetwijfeld komen daarbij nieuwe hidden figures in the picture.