Tijd van monsters en midlifecrises

Kan je weten waar in de geschiedenis je je bevindt? Achteraf lijkt het altijd zo duidelijk. Maak een studie van het fin de siècle en je ziet een maatschappij die zwanger is van haar eigen ondergang. Werp nu een blik op de jaren twintig in Europa en je voelt aan je water dat het niet de goede kant opgaat met de democratie in Weimar. Maar waar staan wij? Als een historicus over zeventig jaar naar onze tijd kijkt, wat ziet ze dan? Door Eva Peek


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#5

 

Afgelopen lente brachten twee historici van formaat elk een boek uit over precies die vraag. Volgens The Road to Unfreedom van historicus van Centraal en Oost-Europa Timothy Snyder (Yale) bevinden we ons op een kantelpunt. David Runciman (Cambridge), presentator van de populaire podcast Talking Politics, trekt in How Democracy Ends zulke andere conclusies dat de combinatie uitnodigt tot nader onderzoek.

Van de apocalyptische titels hoeven we niet meer op te kijken. De raderen van de geschiedenis draaien volop, en niet per se de goede kant op. Vooral rond de staat van westerse democratieën hangt een nerveuze sfeer. Alsof we ons bevinden in een overgangstijd die doet denken aan Gramsci’s ‘interregnum’: ‘Het oude is aan het sterven en het nieuwe wordt nog niet geboren. Nu is de tijd van monsters.’

1930 of 1890?

Maar zien we echt in de verte de Rijksdag al branden, of kijken we met zijn allen de verkeerde kant op? Runciman schreef zijn boek vooral uit ergernis over de manier waarop collega’s als Snyder de monsters van onze tijd proberen te duiden. Als we alleen maar gespitst zijn op de manieren waarop democratie in het verleden faalde, waarschuwt hij, hebben we geen oog voor de unieke en nieuwe manieren waarop het in de toekomst misgaat. Hij hekelt alarmistische uitspraken als Snyders ‘post-truth is pre-fascism’. We zijn helemaal niet terug in de jaren dertig. Trump is geen nieuwe Hitler, Europa glijdt niet terug richting het interbellum. Ons historisch voorstellingsvermogen schiet volgens Runciman hopeloos tekort om onze eigen plek in de geschiedenis te begrijpen. Dat is de echte dreiging.

Het komt natuurlijk altijd wereldwijs over om op licht ironische toon te stellen dat de rest zich niet zo moet opwinden. Met de constatering dat de geschiedenis zich niet herhaalt krijg je immers altijd gelijk. Het kost Runciman dan ook weinig moeite te laten zien dat we we inmiddels veel te welvarend zijn voor een herhaling van zetten. Te vergrijsd ook. Oude mannen kunnen er nog zo veel fascistische ideeën op na houden, je hebt jonge mannen nodig om ze uit te voeren.

Gelukkig laat Runciman het niet bij die relativering. Want wat is er dan wel aan de hand? Is de verkiezing van Trump niet een teken aan de wand voor het failliet van de democratie? Runciman is niet immuun voor de potsierlijkheid van de verkiezing van de New Yorkse realityster. Hij beschouwt hem als de reductio ad absurdum van het democratisch proces: als Trump het antwoord is, schrijft hij, is er duidelijk iets mis met de vraag die we stellen. Maar in plaats van een voorbode van ‘democratic backsliding’, is de verkiezing van 2016 volgens hem vooral een symptoom van de midlifecrisis die de Amerikaanse democratie doormaakt. Trump is Amerika’s glanzende sportauto. Dat is beter dan Hitler, maar niet per se geruststellend.

Om de specifieke symptomen van de midlifecrises te begrijpen moeten we volgens Runciman een andere historische parallel trekken, en wel met de kinderjaren van de democratie rond 1890. Ook toen werden de VS door economische malaise geconfronteerd met populisme en gonsde het van de samenzweringstheorieën, midden in een periode van technologische revolutie. Maar de grote populistische golf van de late negentiende eeuw brak, en op plekken waar de democratie al enigszins geworteld was, kreeg ze volgens Runciman juist een enorme impuls van de populistische uitdaging.

Daar hoeven we nu niet op te rekenen. De jonge democratie kon tegen het populisme van toen twee troeven uitspelen: de uitbreiding van het stemrecht en de collectieve ervaring van grootschalig politiek geweld. Allebei die kaarten is ze nu kwijt. De eerste omdat je de democratie simpelweg niet eeuwig kan blijven uitbreiden. Aan het begin van de twintigste eeuw droeg de democratie nog een belofte in zich die kon enthousiasmeren, er was nog ruimte voor groei via het vrouwenkiesrecht en de burgerrechtenbeweging van de jaren ’50 en ’60. Nu zitten we vast.

En afname van massaal geweld is natuurlijk goed nieuws, maar volgens Runciman is een bijwerking dat we de democratie niet meer echt met elkaar beleven. Het leeuwendeel van de inwoners van democratieën krijgt de oorlogen van nu hoogstens mee via een beeldscherm, en het toch omvangrijke vuurwapengeweld in de VS is en blijft in zijn belangrijkste manifestatie – zelfmoord – vooral een individuele ervaring. Zonder collectieve ervaringen groeit het onderlinge wantrouwen en gedijen complottheorieën. Populisme floreert in vredestijd omdat het hardop de notie in twijfel trekt dat democratie nog wel echt een gedeelde ervaring is. Het is een prijs die Runciman graag betaalt voor vrede, maar de vraag is of de democratie er een antwoord op heeft. De geschiedenis biedt geen geruststelling.

Post-democratische scenario’s

Nu de democratie volgens hem over haar hoogtepunt heen is, wordt het voor Runciman hoog tijd na te denken over haar einde. Voor een ouderwetse militaire coup met tanks in de straten hoeven de gevestigde democratieën volgens hem niet zo te vrezen. Maar voor een moderne, diffusere vorm van een coup wel, waarbij we slaapwandelen richting een soort zombiedemocratie waar wel formele verkiezingen gehouden worden, maar de burgers het niet meer echt voor het zeggen hebben. Of het einde van de democratie dient zich aan als het einde van de wereld, door klimaatverandering of atoomoorlog. Ook het gevaar van een sluipende machtsgreep door slimme robots komt aan bod.

Runciman laat een brede waaier aan doemscenario’s de revue passeren. Toch blijft hij opvallend monter: hij doet niet sentimenteel over de democratie en gaat ervan uit dat die hoe dan ook ooit ten einde zal komen. Niets is eeuwig. Dus daagt hij de lezer uit met hem mee te denken over de meest logische volgende staatsvorm: het Chinese model van pragmatisch autoritarisme, een epistocratisch systeem dat macht baseert op kennis, of een samenlevingsvorm waarbij we onze vrijheid volledig in handen leggen van nieuwe technologie. Geen van die opties kan hem werkelijk bekoren, maar de verdienste van het boek is dat het de lezer op zijn minst uitdaagt de eindigheid van de democratie onder ogen te zien en de alternatieven te wegen. Dat is nuttiger dan paniekerig onze brandweerslangen op de Rijksdag te richten.

Het boekje is daarmee aangenaam tegendraads en niet overdreven duister van toon. Maar kunnen we het ons wel veroorloven om het te laten bij wat intellectuele speculatie? Moeten we niet ingrijpen? Zo’n vraag past niet bij de taakopvatting die Runciman voor zichzelf hanteert als wetenschapper. Hij presenteert zijn analyse, maar pretendeert niet ons de weg te kunnen wijzen: democratie zal er niet altijd zijn, zegt hij kalmpjes, maar heus nog wel even. En wat daarna komt is niet eens per definitie slechter. Natuurlijk heeft een midlifecrisis haar risico’s, maar we staan nu niet aan de vooravond van de derde wereldoorlog. U kunt het beste maar rustig gaan slapen.

Een politiek van eeuwigheid
Nee, dan Snyder. Zijn boek is een stuk slechter voor de nachtrust. Als een volleerd romanschrijver trekt hij de lezer mee in zijn geheel originele visie op het heden, waarin hij onze aandacht weglokt van de dagelijkse spektakelshow van de excentrieke bewoner van het Witte Huis, en richt op het land dat volgens hem de sleutel is om ons moment in de geschiedenis te begrijpen. Ons voorland is niet Weimar Duitsland, maar het Rusland van Vladimir Poetin.

De titel The Road to Unfreedom verwijst naar Friedrich Hayeks The Road to Serfdom, dat andere boek dat ons waarschuwt vooral niet het pad van onze oosterburen te volgen. Maar daar houdt de vergelijking meteen op; Snyder liet de economie volledig links liggen en schreef een boek over de manier waarop we tijd ervaren. Hij diagnosticeert ons unheimliche gevoel van de laatste jaren als een symptoom van de overgang van een ‘politiek van onvermijdelijkheid’ naar een ‘politiek van eeuwigheid’. Lange tijd zagen we de geschiedenis als een opwaartse rechte lijn. Met ons geloof in de onvermijdelijkheid van kapitalisme, van democratie en van technologische vooruitgang susten we onszelf in slaap. Maar wie de geschiedenis begrijpt, weet dat die nooit eindigt en dat alternatieven steevast de kop opsteken. Dus knapt de politiek van onvermijdelijkheid overmijdelijk uit elkaar. Dat proces werd in de VS natuurlijk al ingezet met de oorlog in Irak en de financiële crisis, maaar de verkiezing van Trump sealed the deal.

Volgens Snyder zijn we nu een politiek van eeuwigheid binnen aan het gaan. Daarin is de geschiedenis geen opwaartse lijn meer, maar een lus. Het is het melancholische verhaal van de onschuldige natie als eeuwig slachtoffer van aanvallen van buitenstaanders. Er is geen toekomst om voor te vechten, slechts een heden van eeuwige dreiging waartegen de overheid ons moet beschermen. Het is een staat van passieve nostalgie. Net zoals bij de politiek van onvermijdelijkheid hoeft niemand verantwoordelijkheid te nemen voor de loop van de geschiedenis.

Stilstand als ambitie
Het land dat als eerste arriveerde bij deze politiek van eeuwigheid is Rusland. Raymond van den Boogaard beschreef onlangs in ‘Rusland toen en nu: over doodsdrift en de Russische idee’ (dNBg 2018#3) hoe not done het in Rusland is om te opperen dat er een betere toekomst in het verschiet ligt. Snyders boek is een waarschuwing voor dit wereldbeeld en een inleiding in de filosofie erachter. Als een rode draad weeft Snyder door zijn vertelling de risico’s van een verdraaid beeld van de geschiedenis en de macht die ideeën hebben in de echte wereld. Om dat laatste te onderstrepen laat hij ons eerst uitgebreid kennismaken met de belangrijkste filosoof van het Russische eeuwigheidsdenken: Ivan Iljin, de christofascist die volgens Snyder zowat de invloedrijkste twintigste-eeuwse denker van het moment is. Iljin werd geboren in 1883 in Moskou en stierf in 1954 als ‘witte emigrant’ in Zwitserland, begraven en vergeten. Sinds de val van de Sovjet-Unie is zijn werk bezig met een spectaculaire comeback. In 2005 kreeg hij een statige herbegrafenis in Moskou, het jaar erop werd zijn archief, dat lag te verstoffen in Michigan, teruggevlogen naar het moederland. Hij wordt graag geciteerd door Poetin en andere Russische politici.

Iljins filosofie is de ideale kapstok voor Poetins politiek van de eeuwigheid. Iljin schreef dat de wereld die God schiep per definitie imperfect is. De ‘Waarheid’ vind je daarom niet in aardse feitelijkheden, maar in Gods totaliteit. Alleen een totalitair en eeuwig onschuldig Rusland kan de wereld de weg wijzen naar deze grotere waarheid, uiteraard onder leiding van een mythische leider. De onderdanen van deze leider hoeven zich enkel als cellen te voegen naar hun aangewezen plek in het organisch geheel.

Het idee dat het voor de leider onmogelijk is om te liegen, dat Rusland een eeuwig onschuldig lichaam is dat steeds wordt aangevallen, dat de huidige hiërarchische status quo de natuurlijke staat der dingen is, vooruitgang niet mogelijk en de geschiedenis cyclisch; het is koren op Poetins molen. Snyder dateert de precieze overgang van Rusland naar de politiek van eeuwigheid in 2012, het jaar waarin Poetin na een kort premierschap terugkeert als president. Vanaf dat moment brengt hij de principes van Iljin in de praktijk, en draait daarmee volgens Snyder in één keer de toekomst en de geschiedenis de nek om. Over de toekomst hoeft niet meer te worden nagedacht. Er is immers geen opvolgingsprincipe meer en niemand weet hoe Rusland eruit zal zien na Poetin. De geschiedenis, ondertussen, fungeert nog slechts als grabbelton van symbolen voor de onschuld van de natie en de disharmonie van de rest van de wereld.

In zijn eerste toespraak als president, voor de Doema in 2012, schildert Poetin zichzelf af als de vervulling van een eeuwige cyclus: de terugkeer van de oude heerser van Kyiv, die de Russen Vladimir noemen. Vanaf dat moment leeft Rusland in een eeuwigdurend heden. Tenminste, zolang Poetin de aandacht op het nu kan blijven vestigen en de Russen ervan overtuigt dat er ook elders geen samenlevingen zijn die in de toekomst geloven. Daarom regeert hij bij de gratie van permanent spektakel en strategisch relativisme: als Rusland niet sterker kan worden, moeten de anderen verzwakken. Ook Europa en de VS moeten de politiek van eeuwigheid zo snel mogelijk zien te bereiken.

De wijze natiestaat

Het centrale puzzelstukje in Snyders verhaal over Ruslands export van eeuwigheidsdenken naar de EU en de VS is de inval in Oekraïne in 2014. Snyder ziet die als een spectaculaire afleidingsmanoeuvre van Ruslands binnenlandse problemen en als agressieve stap in Poetins Euraziatisch project. Dat project is vanaf 2012 het model dat het Russische alternatief moet zijn voor de Europese Unie. Poetin gaf nog in 2004 te kennen helemaal geen moeite te hebben met het idee dat Oekraïne op termijn EU-lid zou worden, maar toen hij eenmaal had gekozen voor zijn politiek van eeuwigheid werd het van levensbelang dat landen zich niet welbewust van Rusland afkeerden. Het zou de Russen maar het idee geven dat er wel degelijk verbetering mogelijk is.

Als Poetin in deze vertelling de schurk is, en Iljin zijn kwade genius, dan zijn de opstandelingen op het Maidanplein in de winter van 2013 op 2014 voor Snyder de absolute helden. Ze verzetten zich tegen het plan van president Janoekovitsj om zich op het laatste moment terug te trekken uit het associatieverdrag met de EU. De honderdduizenden mensen die, zoals Snyder zegt, achter hun beeldschermen vandaan kwamen om hun lichamen in gevaar te brengen voor de rechtsstaat, kunnen rekenen op zijn onvoorwaardelijk liefdevolle bewondering.

Dat geldt niet voor de rest van de Europese bevolking. De beslissende Europese zwakte is een gebrek aan inzicht in de eigen geschiedenis, en Snyder neemt het de Europeanen duidelijk kwalijk dat ze dat zelf niet inzien. Hij verwijt ons dat we massaal zijn gevallen voor de mythe van de ‘wijze natiestaat’, onze eigen vorm van de politiek van eeuwigheid. Die mythe luidt dan als volgt: ‘Wij, wijze Europese natiestaten, leerden in 1945 dat oorlog een slechte zaak is, en begonnen daarom economisch samen te werken. Dat project groeide uit tot de Europese Unie, maar als we daar zin in hebben kunnen we altijd teruggaan naar de natie die we vroeger hadden.’ Een sterk staaltje geschiedvervalsing. De glorieuze onafhankelijke natiestaat waar we zo nostalgisch naar zijn, heeft nooit bestaan. Europese staten waren koloniale rijken. Toen ze uit elkaar vielen kregen ze de mogelijkheid zacht te landen in een integratieproject.

En zo laat Snyder zien hoe gevaarlijk een slecht begrepen eigen geschiedenis kan zijn. Want door handig in te spelen op dit gebrek aan zelfkennis probeert Poetin sinds 2013 de Europeanen weg te lokken van het saaie Europa, richting de opwindende afgrond van de eenzame natiestaat. Het Front National in Frankrijk kan rekenen op financiële steun van Rusland, het internationale televisienetwerk RT en onlinetwitterbots proberen momentum te creëren voor de AfD in Duitsland en de brexitcampagne in Groot-Brittannië. Die laatste missie, in het land dat misschien wel het meest lijdt aan de nostalgische illusies van de mythe van de wijze natiestaat, met ongekend succes.

Ook in het Oekraïneconflict bleek het Westen vatbaar voor de Russische taal van de eeuwigheidspolitiek. Volgens Snyder gingen we allemaal veel te makkelijk mee in de Russische spin dat het conflict niet ging om de keuzes van Oekraïners over hun toekomst, maar over eeuwige kenmerken van de beschaving zoals het spreken van de Russische taal, wat zogenaamd je etniciteit bepaalt en daarmee je lotsbestemming. Poetin leerde volgens Snyder van de inval in Oekraïne welke technieken werken in een informatieoorlog. Bijvoorbeeld het gebruik van meerdere, tegenstrijdige vormen van ontkenningen om zo veel mogelijk verwarring te zaaien en de hele notie van een waarheid te ondermijnen. Oekraïners zijn nationalistisch, maar er is geen Oekraïense taal. De Oekraïense staat is repressief, en de Oekraïense staat bestaat niet. En als de Amerikanen beter hadden gelet op Russische cyberaanvallen op zijn buurman, als onderdeel van de nieuwe, hybride oorlogsvoering, waren ze misschien beter voorbereid op hun eigen confrontatie met Russische hackers in 2016.

Het roer van de geschiedenis

Aan het eind van het boek, als Snyder eenmaal bij Trump is aangekomen, vallen alle puzzelstukjes zo precies in elkaar dat het bijna te mooi is om waar te zijn. Snyder laat het je duizelen van alle connecties die hij weet te leggen tussen Trump, zijn campagne en de Russen. Het is allemaal deel van één groot verhaal. Je ziet het pas als je het doorhebt.

Het is zijn kracht en zijn zwakte tegelijk. Runcimans klacht, dat Snyder een veredelde complotdenker is in naam van de democratie, is in zekere zin begrijpelijk. Maar het feit dat Runciman Rusland zelf slechts in een bijzin noemt, doet toch ook een blinde vlek aan zijn kant vermoeden. Of misschien duidt het gewoon op de onmogelijkheid van de vraag die de beide schrijvers stellen. Want waar staan we nu eigenlijk? Op de drempel van de politiek van eeuwigheid of midden in een midlifecrisis? Waar ze het op een griezelige manier over eens lijken te zijn, is het risico dat we onze democratie sluipenderwijs kwijtraken, inhoudelijk uitgehold maar met nauwelijks uiterlijke veranderingen. Hoe groot is de kans dat dat werkelijk gebeurt?

Uiteindelijk is het Snyder die het beste antwoord geeft op die vraag. Zijn boek raakt aan de kern van wat geschiedenis eigenlijk is, en waarom we die überhaupt zouden willen schrijven. Het punt van de geschiedenis van het heden is te bepalen waar je staat, omdat je alleen als je dat weet kunt kiezen welke kant je op wilt gaan. Een geschiedenis van het heden draait om de vraag wat je kunt doen, wat direct leidt tot de vraag wat je zou moeten doen. Hij is daarin onbeschaamd moraliserend en gebruikt grote woorden over goed en kwaad die niet iedereen zullen bevallen. Hij wil de monsters van onze tijd begrijpen opdat we ze kunnen verslaan. Maar hij toont daarmee ook aan dat de geschiedenis uiteindelijk voor ons openligt om vorm te geven zoals wij kiezen. Dus ook of Snyder een Cassandra zal blijken, of toch de jongen uit de Aisopische fabel die ‘Wolf!’ riep, zoals Runciman hem afschildert – dat bepalen wij uiteindelijk zelf. Beter dan Runciman laat Snyder zien hoe cruciaal menselijke keuzes zijn voor de loop van geschiedenis. Daarom is de vraag die Runciman en Snyder zichzelf stellen uiteindelijk onmogelijk, maar nuttig. Wat ziet de historicus over zeventig jaar? Het is aan ons.