Geerten Waling aan Rob Hartmans, 15 oktober 2018 (brief #13)

Geerten Waling en Rob Hartmans schrijven elkaar over Marcel ten Hoovens De ontmanteling van de democratie en Gijs van Oenens Overspannen democratie. De democratie staat overal onder druk. Hoe is het nu met de Nederlandse gesteld? Misschien wel helemaal niet zo slecht als Nieuwrechts ons wil doen geloven. Het beeld kantelt als we onze verwachtingen van het democratisch proces en onze participatie daarin wat bijstellen. Geerten Waling: ‘En dan hebben we nog niet eens een bindend referendum – iets wat ik doorgaans betreur, maar waarbij ik met dit boek in de hand toch enkele vraagtekens begin te stellen.’


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Brief uit dBNg 2018#5

Waarde Rob,

De democratie kan rekenen op warme belangstelling in opinie- en boekenland, maar ook in de brieven die wij de afgelopen maanden hebben uitgewisseld. Daarom is het goed om eens expliciet over die democratie te corresponderen, aan de hand van twee van de vele boeken over dat onderwerp. Het feit dat die boeken verschijnen is al een teken dat er wel iets heel belangrijks aan de hand moet zijn met de democratie. Ze dragen ook nog onheilspellende titels, zoals in dit geval De ontmanteling van de democratie (Marcel ten Hooven) en Overspannen democratie (Gijs van Oenen).

Democratische doemboeken zijn een internationale trend. Ik weet niet hoe het met jou staat, maar bij mij treedt er wel enige vermoeidheid op als ik weer moet lezen dat de democratie een terminale patiënt is. Natuurlijk, er is zeker iets aan de hand. Er is in een democratie altijd iets aan de hand. Stabiele factoren zoals sociaal gewortelde politieke partijen, honkvaste kiezers en een krachtig maatschappelijk middenveld zijn in de laatste decennia allemaal afgekalfd. Dan is het zeker slikken als in Amerika een president wordt verkozen die juist van die puinhopen profiteert en ook nog eens met verbaal geweld over de rechtspraak, de journalistiek en andere instituties heen bulldozert. Journalist Marcel ten Hooven poogt dat ‘beklemmende gevoel’ over Trump in zijn boek een plekje te geven (p. 29).

Tobberigheid gegarandeerd dus, bij Ten Hooven, al kan hij heus aardig schrijven en geeft hij een inspirerende definitie van democratie. Die ziet hij als ‘de georganiseerde kunst van het samenleven’. Maar ja, iets wat al zo vaak is gedefinieerd als ‘de democratie’ is wel een erg gladde dansvloer voor vrije figuren. Gedurende het boek blijkt dan ook dat Ten Hoovens frame mooi mag klinken, maar dat zijn theoretische fundament voor ‘democratie als sociale organisatiekunst’ te zwak is om zijn hele bouwwerk van verregaande conclusies te kunnen dragen. Zo haakt hij, in een poging tot zelftherapie-na-Trump, aan bij een kluwen van hippe denkers en bekende journalisten zonder een duidelijke lijn tussen hen te trekken. Behalve dan dat Ten Hooven uit de keur aan mogelijke literatuur steevast kiest voor de somberste profetieën, zoals die van de alarmistische Harvard-politicoloog Yascha Mounk over de ‘deconsolidatie’ van de democratie. Misschien verblind door angst voor de vijfenveertigste Amerikaanse president, vergeet Ten Hooven te vermelden dat deze Mounk de neergang van de democratie verkondigde op basis van totaal verkeerd geïnterpreteerde statistieken. Politicoloog Tom van der Meer heeft deze blunder uitgebreid belicht, onder meer op StukRoodVlees.nl, en ook geeft hij een veel degelijker onderbouwde contravisie in zijn boek Niet de kiezer is gek (zie ook de uitvoerige bespreking door Arnold de Groot in dNBg 2018#3), dat in Nederland de Prinsjesboekenprijs won voor Beste Politieke Boek van 2017. Pijnlijk dat Ten Hooven nog nooit van Van der Meer lijkt te hebben gehoord, hij verwijst althans geen enkele keer naar hem.

Een journalist kan misschien niet worden verweten dat hij geen wetenschapper is. Tegelijkertijd pretendeert Ten Hooven zelf te kunnen doorgronden ‘wat de democratie is’ en claimt hij de ontmanteling ervan ragfijn te ontleden. Hoe dan ook kan je Van Hooven verwijten dat hij de democratie uiterst emotioneel benadert en zich voor theorievorming hoofdzakelijk baseert op ‘vliegveldauteurs’ en krantenberichten, terwijl hij de belangrijkste debatten onder academici totaal negeert. Zo presteert hij het om een hele paragraaf te schrijven over de ‘kwetsbaarheid van de democratie’ zonder ook maar één verwijzing naar het ‘weerbare democratie’-debat, zoals gevoerd door rechtsfilosoof Bastiaan Rijpkema, die er met zijn proefschrift Weerbare democratie (Prinsjesboekenprijs 2016) sterk aan heeft bijgedragen dat het onderwerp in het regeerakkoord van Rutte-III terechtkwam, alsook op de agenda van de Staatscommissie Parlementair Stelsel.

Een ander voorbeeld van theoretische dwarreligheid bij Ten Hooven is zijn gewoonte om Trump, Orbán en Wilders op één hoop te gooien als populisten. Dan krijg je wankele beweringen als: ‘Het antidemocratische kenmerk van de populisten is dat zij met de pretentie de volkswil uit te voeren van de staatsmacht een almacht proberen te maken, zodra zij aan het bewind zijn’ (p. 156). Enig inzicht in de verschillen tussen de politieke systemen, culturen, partijen en personen in de westerse democratieën zou helpen, alsmede in de lokale voedingsbodems voor het ‘nationalistisch populisme’, maar Ten Hooven komt juist die beloften (bijvoorbeeld op p. 63) niet na. In plaats daarvan strooit de auteur door het boek heen met venijnige kwalificaties aan het adres van die verderfelijke populisten, wat op zijn best nogal potsierlijk is (en gepreek voor eigen parochie) en op zijn slechtst de distantie ondermijnt die je nodig hebt om echt te begrijpen wat er aan de hand is in de democratie.

Voor deze distantie kunnen we beter terecht bij Gijs van Oenen. Hoewel de titel Overspannen democratie eigenlijk zijn conclusie al weggeeft, en het boek op het eerste gezicht lijkt te passen in die vermoeiende stroom boeken waarover ik hierboven schreef, was ik aangenaam verrast door de reikwijdte en overtuigingskracht van zijn boek. We hebben inmiddels niet te weinig democratie, maar te veel. Kijk, daar heb je meteen een stelling om een debatavond mee te vullen. Van Oenen bedoelt het niet zo autoritair als het klinkt, hij constateert het vrij nuchter. De Nederlandse overheid is zoveel gaan luisteren naar burgers, dat zij inmiddels een reusachtig hoge verwachting hebben van de democratie. Die verwachtingen kunnen niet allemaal worden vervuld, alleen al omdat ze elkaar soms tegenspreken, dus ligt teleurstelling op de loer. Teleurstelling bij burgers die denken altijd hun zin te kunnen krijgen, bij de overheid die er maar niet in slaagt om iedereen tevreden te houden, en bij politici die niet meer weten welke rol ze vervullen nu hun klassieke representatiefunctie concurrentie ondervindt van allerlei vormen van deliberatie en participatie. En dan hebben we nog niet eens een bindend referendum – iets wat ik doorgaans betreur, maar waarbij ik met dit boek in de hand toch enkele vraagtekens begin te stellen.

Van Oenen ‘bevraagt’ (om maar een zijige modeterm te gebruiken) dingen die we heel normaal vinden. Bijvoorbeeld dat meer democratie altijd beter is – en dat we er nooit genoeg van krijgen. Daar heb je die hoge verwachtingen weer, die bovendien kunnen worden gefrustreerd door omstandigheden buiten de democratie, zoals een doorgeslagen marktdenken. Van Oenen noemt dit, net als Ten Hooven trouwens, iets te gemakzuchtig het ‘neoliberalisme’. Wie noemt zich nu zelf een ‘neoliberaal’, vraag ik me af? Het lijkt me in principe geen zonde om de democratie te zien als een marktplaats van ideeën, waar de kracht van argumentatie idealiter het betaalmiddel is en de burger vrij kan kiezen uit een keur van inzichten en belangen. Alleen bestaat er altijd het gevaar van marktzonden als monopolisering of concurrentievervalsing, zodat ook de marktplaats van de democratie een beetje moet worden beschermd tegen antidemocratische ideeën en praktijken. De vrije markt en democratie zijn niet voor niets in historische samenhang ontstaan, zo zullen zelfs de meest fervente antikapitalisten moeten erkennen.

Ook Van Oenen ontkomt niet aan het verplichte hoofdstukje ‘populisme’, al verrast hij hier andermaal met een meer genuanceerde beschouwing, waarin hij het populisme duidt als een gevolg van die overspannen democratie. Een symptoom van het probleem, wellicht, maar niet per se het probleem zelf. Dat probleem is niet alleen dat de burger te hoge verwachtingen heeft van de democratie, maar ook dat de democratie op haar beurt te veel van de burger vraagt. Van Oenen betoont zich een democratische conservatief, die als burger liever met rust gelaten wil worden en met een minimale vorm van controle (periodieke verkiezingen) tevreden is om het bestuur en beleid te controleren. Tegen de ‘onuitstaanbaar democratisch’ geworden politiek (p. 198) helpt volgens Van Oenen ook geen nieuw engagement, althans niet in de vorm van het Occupy-achtige anarchisme dat af en toe de kop opsteekt. In zijn slothoofdstuk pleit hij voor een ‘algoritmische democratie’, waarbij de wensen en behoeften van burgers perfect worden gemonitord en vertaald in afgewogen beleid. Wie moet dat doen? De staat natuurlijk! En zo ontkomt ook Van Oenen zelf, op de valreep, niet aan het koesteren van hooggespannen verwachtingen van de democratie. De cirkel is rond, maar dat is-ie in een democratie al snel!

Hartelijke groet,

Geerten


Lees het antwoord van Rob Hartmans hier