Van Nieuw Babylon tot nieuwrechts in ‘non-ideologisch’ Nederland

Hoewel de Nederlandse partijpolitiek soms een storm in een glas water lijkt, had het Binnenhof met Pim Fortuyn een Europese primeur: het geheel nieuwe rechtsconservatieve gedachtegoed dat hij in introduceerde is inmiddels naar menig parlementsgebouw uitgewaaierd. Jouke Huijzer bespreekt Merijn Oudenampsens onderzoek naar de herkomst van deze ‘nieuwrechtse’ ideologie en zoekt naar tekenen die wijzen op een vergelijkbare ideologische verschuiving aan de linkerzijde van het politieke spectrum.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#5

 

Als iets de politieke gemoederen sinds begin deze eeuw onophoudelijk heeft beziggehouden, dan is het wel de opkomst van radicaal rechts. Van Fortuyn tot Verdonk en van Hirsi Ali tot Wilders en Baudet, de ontwikkeling van nieuwe rechtse politieke geluiden wordt telkens zo breed mogelijk uitgemeten in de landelijke media. De geïnformeerde mediaconsument weet zo dat de opkomst van rechts vooral te maken moet hebben met de groeiende kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Grote maatschappelijke veranderingen zoals globalisering creëerden hoogopgeleide winnaars en laagopgeleide verliezers – waarbij de laatste groep geneigd blijkt om op anti-establishmentpartijen als de SP, maar toch vooral op de PVV te stemmen. In dit narratief zijn het met name laagopgeleiden die tegen migratie, tegen multiculturalisme en tegen de EU zijn, maar is hun weerstand jarenlang genegeerd door de gevestigde partijen. Daar komt nog eens bij dat onze democratische instituties vrijwel volledig door hoogopgeleiden worden gedomineerd, waardoor laagopgeleiden nog verder worden gemarginaliseerd. Het ongemakkelijke gevolg van de zo ontstane ‘diplomademocratie’ is dus dat politieke elites tegen hun wil tegemoet moeten komen aan de standpunten van laagopgeleiden om nog een beetje representatief te kunnen blijven.

Not quite so, betoogt Merijn Oudenampsen in de handelseditie van zijn proefschrift De conservatieve revolte. Niet alleen valt er methodologisch het een en ander aan te merken op bovenstaande analyse – zo was ook de meerderheid van hoogopgeleiden in 2005 tegen de Europese grondwet, lag hun opkomst altijd al hoger bij verkiezingen en bekleedden zij altijd al meer politieke ambten. Belangrijker nog, veel van de veranderingen van het begin van dit millennium waren helemaal niet de uitkomst van een groeiende trend. Tot de opkomst van Fortuyn was er nauwelijks een afkeer van de multiculturele samenleving in de publieke opinie waarneembaar. Pas tijdens de Fortuyn-revolte kwamen er ideeën naar voren die daarvoor slechts in relatief marginale intellectuele kringen besproken werden en politiek nauwelijks significant waren.

We kunnen ons dus afvragen of Pim Fortuyns succes werkelijk verklaard kan worden vanuit de gevoelens van onbegrepen kiezers, die bij Fortuyns opkomst dachten: hij zegt wat ik denk. Oudenampsen suggereert dat de manier waarop Fortuyn zich in het politieke spectrum positioneerde zijn kiezers juist hielp hun opvattingen politiek te articuleren. In Oudenampsens benadering is politiek geen eenrichtingsverkeer waarbij politieke elites de vaststaande opvattingen van hun kiezers vertegenwoordigen, maar eerder een wisselwerking waarbinnen politici en media de standpunten van hun electoraat mede vorm en betekenis geven. De Franse socioloog Pierre Bourdieu merkte al op dat wanneer mensen zich politiek uit proberen te drukken, zij meestal gebruikmaken van beschikbare posities in het maatschappelijk debat. Fortuyn slaagde er dus vooral in om een nieuwe positie in het Nederlandse politieke debat beschikbaar te maken, waar andere partijen vervolgens op moesten reageren. Daarmee was de Fortuyn-revolte niet zozeer de uitkomst van steeds verder opborrelende politieke sentimenten, als wel een succesvolle politieke strategie om een radicaal-rechtse positie in het maatschappelijk debat te lanceren en te populariseren.

Oudenampsen houdt een overtuigend pleidooi voor de onmiskenbare rol van ideeën en ideologie in de Nederlandse politiek. Willen we de verandering in ons politieke klimaat begrijpen, dan is het niet afdoende om globaliseringsprocessen te bestuderen of om uitsluitend onze toevlucht te nemen tot surveyonderzoek. De standpunten van kiezers komen niet uit de lucht vallen, maar worden mensen actief aangepraat door media en politiek. Oudenampsen laat zien hoe een hele ideologische machine werd opgetuigd om de invloed van het nieuwrechtse wereldbeeld te vergroten: van de inmiddels ter ziele gegane Edmund Burke Stichting tot de ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsende’ blog GeenStijl die inmiddels binnen de Telegraaf Media Groep is ingebed tussen vergelijkbare rechtse mediaplatforms.

Met zijn nadruk op de rol van ideologie gaat Oudenampsen in tegen een lange traditie van bewust gedepolitiseerde en veelal positivistische sociale wetenschap in Nederland. Sterker nog, de dominante interpretatie van de opkomst van radicaal rechtse partijen als gevolg van een groeiende scheidslijn tussen hoog- en laagopgeleiden, tussen kosmopolieten en nationalisten, maakt zelf ook deel uit van een ideologie die zowel in de sociale wetenschap als binnen het politieke establishment overheersend is. In deze ‘organicistische’ ideologie wordt de Nederlandse samenleving gezien als een historisch gegroeid geheel dat zich volgens haar eigen logica ontwikkelt en wars is van abstracties waarmee de samenleving geordend of beheerst kan worden. Vanuit dat wereldbeeld wordt de heersende macht en de bestuurscultuur in Nederland – die zogenaamd ‘accommoderend’, ‘conflict-avers’ en ‘consensus-georiënteerd’ is – eerder gelegitimeerd dan bevraagd. Volgen we vanuit dit perspectief de opkomst van nieuwrechts, dan is de manier waarop de VVD en het CDA de nationalistische ideologie van Fortuyn en Wilders omarmen inderdaad vooral op te vatten als een strategie van luisteren naar laagopgeleiden en tegemoetkomen aan hun opvattingen. Zo bezien hebben partijen zelf geen invloed op de onderwerpen en politieke conflicten die de agenda domineren, omdat dit soort ‘organische’ ontwikkelingen in de samenleving toch onbeheersbaar zijn.

‘Onze’ verworvenheden
Toch prijkt niet Pim Fortuyn, maar Frits Bolkestein op de voorkant van het boek van Oudenampsen; omdat de LPF weliswaar de nieuwe rechtse wind die door Nederland waaide het beste wist om te zetten in electorale succes, maar het toch Bolkestein was die het nieuwrechtse ideologische paradigma naar Nederland importeerde. En om de ideologie is het Oudenampsen te doen – de centrale these van zijn werk is dat we de opkomst van nieuwrechts in Nederland tijdens de jaren ’90 en ’00 vooral moeten begrijpen als een verlate herhaling van de nieuwrechtse backlash die zich tijdens de jaren ’70 en ’80 in de Anglo-Amerikaanse wereld voltrok.

Voorzichtigheid is hier geboden: ‘nieuwrechts’ verwijst niet alleen naar de radicaal rechtse ideologieën van de LPF en de PVV – al ligt daar wel het zwaartepunt – maar omvat ook denkbeelden uit het rechts-liberalisme, de christendemocratie en zelfs de sociaaldemocratie. Nieuwrechts steunt enerzijds op het neoliberalisme van Reagan en Thatcher, dat de nadruk legt op privatisering, competitie en deregulering. Anderzijds spelen de neoconservatieve ideeën van de Amerikaans publicist Irving Kristol en de Duits-Amerikaans politiek filosoof Leo Strauss een belangrijke rol, met name vanwege hun weerstand tegen cultuurrelativisme. Oudenampsen laat zien hoe, naast Bolkestein, verschillende intellectuelen en politici, van liberalen als Ayaan Hirsi Ali, Paul Cliteur en Andreas Kinneging tot sociaaldemocraten als Paul Scheffer en Herman Vuijsje bijdroegen aan de totstandkoming van een Nederlandse variant van de nieuwrechtse ideologie. Daarbij is hij meer geïnteresseerd in iedere afzonderlijke bijdrage dan in het debat tussen de Nederlandse conservatieven zelf. De verschillen tussen hen worden dan ook vooral in abstracto besproken, zonder de concrete uitwerkingen en mogelijke spanningen in het Nederlandse debat te behandelen.

Oudenampsen heeft voornamelijk oog voor de manier waarop neoconservatieve intellectuelen de nieuwrechtse ideologie in de Nederlandse politieke context wisten in te passen. Doordat sommige van de verworvenheden van de jaren ’60 – secularisme, vrouwenemancipatie, acceptatie van homoseksualiteit – inmiddels diep in de Nederlandse samenleving verankerd waren, konden de conservatieve Anglo-Amerikaanse nieuwrechtse denkbeelden niet onaangepast worden geïntroduceerd. In plaats daarvan dichtten conservatieve ideologen deze verworvenheden geen universele geldigheid toe, maar plaatsten zij hen in het hart van de joods-christelijke traditie van Nederland. Op die manier werden het ‘onze’ verworvenheden, die moesten worden beschermd tegen religieuze en dan vooral islamitische bedreigingen. Hoewel Oudenampsen de vindingrijkheid van deze ideologische tactiek maar beperkt articuleert, had Nederland met Fortuyn een wereldprimeur die mettertijd veel navolging kreeg onder conservatieve partijen in het buitenland. Van Theresa May die beweert feministisch te zijn, tot Donald Trump die in zijn campagne aangaf niet aan de rechten van homo’s te zullen tornen. Het was dan ook deze vondst die de Nederlandse politieke turbulentie van de afgelopen decennia tot méér dan een ‘storm in een glas water’ maakt, zoals de in het boek veelvuldig aangehaalde W.F. Hermans eens stelde.

Consensuskritiek
Hoewel de opkomst van nieuwrechts in Nederland vooral een product van de jaren ’90 en ’00 is, moet die ontwikkeling tegen de achtergrond van de politieke en economische geschiedenis van de jaren ’80 worden begrepen. Veel historici en sociale wetenschappers zullen beweren dat de periode van de kabinetten Lubbers, het Akkoord van Wassenaar en de nieuwe zakelijkheid van topambtenaar Frans Rutten het Nederlandse equivalent zijn van Thatchers en Reagans neoliberalisme. Maar waar Thatcher openlijk de confrontatie met haar tegenstanders zocht, werd Lubbers’ economische beleid juist doorgedrukt onder het mom van consensus, compromis en no-nonsensebeleid. ‘Typisch Nederlands’, zullen veel historici, sociale wetenschappers en vooral politieke elites beweren.

Oudenampsen benadrukt daarentegen hoezeer de jaren ’80 een voortzetting van de voor Nederland zo kenmerkend geachte consensuspolitiek vormden, en geen breuk met de politiek-economische orde van daarvoor. Niet dat Lubbers’ beleid nu zoveel minder neoliberaal was dan dat van zijn Angelsaksische tegenhangers, maar door de indruk te wekken alle partijen tevreden te kunnen houden schiep hij wel nogal wat ongenoegen bij aanstormende nieuwrechtse intellectuelen. Zij besloten in de jaren ’90 de confrontatie met Lubbers’ consensuspolitiek aan te gaan, wat uiteindelijk leidde tot de nieuwe politieke partijen van een decennium later.

‘Consensuskritiek’ blijkt voor Oudenampsen een cruciale bouwsteen van de nieuwrechtse ideologie. Minstens zo belangrijk als het zorgvuldig formuleren van een nieuwe ideologie, is het uitdagen van heersende opvattingen en het ontwikkelen van een eigen politieke stijl. Zoals de uitdaging in de jaren ’60 en ’70 van links kwam, zo begreep men in de jaren ’90 en ’00 dat het vestigen van een nieuwe hegemonische consensus in de eerste plaats vereist dat de gevestigde orde van buitenaf wordt uitgedaagd. Hoe succesvol nieuwrechts daarin is geweest, leert het politieke debat sinds de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen. Met uitzondering van D66 vallen de standpunten van de rechtse partijen in Nederland maar zelden buiten de nieuwrechtse ideologie zoals die door mensen als Bolkestein, Cliteur, Hirsi Ali en Fortuyn werd geformuleerd. En zelfs de PvdA, SP en D66 hebben er sinds de verkiezingen moeite mee om tegen de inmiddels dominante nieuwrechtse consensus in te gaan. Toen een mogelijke coalitie met CDA, VVD, D66 en GroenLinks struikelde over het vluchtelingenvraagstuk, schaarde D66-leider Pechtold zich opmerkelijk genoeg aan de kant van CDA en VVD. De SP besloot met het aantreden van de nieuwe partijleider Lilian Marijnissen open te staan voor de opvang van vluchtelingen ‘in de regio’, naar voorbeeld van de met Erdoğan gesloten ‘Turkije-deal’. PvdA-leider Lodewijk Asscher vertelde onlangs bij Nieuwsuur dat sociaal beleid zoals betaalbare en beschikbare huisvesting vooral ook door migratie wordt beïnvloed. Zelfs GroenLinks-prominent Femke Halsema zei begin dit jaar dat ze de antiracismebeweging ‘overtrokken’ vond omdat een heldere publieke discussie niet gebaat zou zijn bij ‘permanent slachtofferschap’. Het lijkt, kortom, of politici van rechts tot links zich bij het bepalen van hun politieke standpunten met steeds grotere moeite weten te onttrekken aan de nieuwrechtse principes.

Nieuw Babylon
Oudenampsens werk kan in veel opzichten gelezen worden als een vervolg op James Kennedy’s Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig (1995; 2016). Hierin maakt Kennedy korte metten met het idee dat de Nederlandse bestuurselite altijd zo progressief en vooruitstrevend is geweest als we vaak geloven. Volgens hem laat de politieke elite, trouw aan haar organicistische opvattingen, anderen het spel maken terwijl zijzelf vooral accommodeert en vervolgens pacificeert. Deze ‘pacificatiepolitiek’ houdt in dat politieke elites controversiële onderwerpen gezamenlijk afkaart zonder daar het publieke debat over aan te gaan. Door vervolgens min of meer dezelfde standpunten in te nemen, depolitiseren zij deze kwesties voordat zij de samenleving kunnen polariseren. Dat gebeurde voor het eerst in 1917 toen de schoolstrijd werd beslecht en het algemeen (mannen)kiesrecht werd ingevoerd, waarmee deze onderwerpen van de politieke agenda verdwenen. In de jaren ’70 gold het voor de rechten van vrouwen, in de jaren ’90 voor veel medisch-ethische kwesties en het meest recente voorbeeld is misschien wel de algemeen aanvaarde negatieve houding tegen vluchtelingen, migranten en etnische minderheden. Nog vóór de opmars van nieuwrechts verwoordde Kennedy de ambiguïteit van deze bestuursstijl heel treffend: ‘de pragmatische aanpassing aan “veranderende tijden” heeft ook slappe meegaandheid veroorzaakt en veel Nederlanders gedwongen met de tijd mee te gaan. De jaren zestig in Nederland blijven voor mij dus zowel een inspiratiebron als een waarschuwing.’

Ook Oudenampsen verwijst regelmatig naar de jaren ’60 en ’70 om te illustreren hoe kritiek op de protestgeneratie en ‘nieuwlinks’ uiteindelijk doorwerkte in het project van ‘nieuwrechts’. Zo wordt het succes en de stijl van GeenStijl teruggevoerd op reviaanse ironie en het nihilisme van Hermans. Toch zijn het de parallellen tussen de oproer van de jaren zestig en de revolte van nieuwrechts die het meest in het oog springen. Kennedy schrijft over de jaren zestig: ‘De overtuiging werd in stand gehouden dat de beste kans voor Nederland om te vernieuwen in 1945 was verspeeld; een opvatting die steeds meer aanhang verwierf’, en haalt schaakgrootmeester en columnist Jan Hein Donner aan, die schreef: ‘Alle veranderingen, die men nu wil, hadden al tussen ’45 en ’50 ingevoerd moeten worden.’ Een soortgelijke argumentatie vindt Oudenampsen in Pim Fortuyns boek Zakenkabinet Fortuyn: ‘The great blunder of the first Lubbers cabinet is that he did not use that political capital to tackle the problem of high expenditures on public sector wages once and for all. (…) We would have been much further ahead if Lubbers had chosen the method of amputation instead of servicing a medicine that offered only temporary relief.’ Zoals het gebrek aan verandering in de naoorlogse jaren een impuls gaf aan de protestgeneratie, zo zette de hernieuwde Nederlandse pacificatiepolitiek in de jaren ’80 kwaad bloed bij rechtse intellectuelen. En, zo merkt Oudenampsen op, zoals de protestgeneratie uiteindelijk het hoogtepunt van haar opmars bereikte met het progressieve kabinet-Den Uyl, zo konden nieuwrechtse intellectuelen hun vingers aflikken bij het door PVV gedoogde kabinet-Rutte I. Daarna bewogen de overige partijen mee en werden de nieuwe onderwerpen en standpunten gepacificeerd door ze gemeengoed te maken.

Waar Nieuw Babylon vooral een goed gedocumenteerd historisch feitenrelaas biedt met een aantal zeer krachtige inzichten en conclusies, verlegt Oudenampsen de aandacht naar de sociaalwetenschappelijke theorie. Door zowel de politieke ontwikkelingen zelf als het schrijven daarover op de korrel te nemen, legt Oudenampsen ook de ideologische dimensie bloot achter de werkelijkheid zoals de ‘positivistische en gedepolitiseerde’ sociale wetenschappen die normaal gesproken schetsen. Toch past niet heel het nieuwrechtse spectrum naadloos in zijn analyse. De rol van het burkeaanse organicisme – waarin de samenleving wordt voorgesteld als een historisch gegroeid organisme dat zich volgens een eigen logica ontwikkelt – blijft bijvoorbeeld vaag. Aan de ene kant zet Oudenampsen, in lijn met Kennedy, het organicisme weg als de dominante ideologie van de Nederlandse bestuurselite. Aan de andere kant geldt het als een van de inspiratiebronnen voor de nieuwrechtse intellectuele elite. Heel relevant is dit onderscheid tussen de Nederlandse bestuurselite en de nieuwrechtse intellectuelen vandaag overigens niet meer, al was het maar omdat ze niet meer door een diepe kloof gescheiden worden. De nieuwrechtse ideologie is met succes ingekapseld door het politieke establishment: tegenwoordig kun je over de volle breedte van het politieke spectrum horen dat de multiculturele samenleving mislukt is en dat asielzoekers hier niets te zoeken hebben. Opvattingen, bovendien, die steevast gepaard gaan met een rotsvast vertrouwen in de vrije markt.

Een links alternatief?
Dat roept een vraag op die buiten de analyse van Oudenampsen valt: wat hebben linkse elites en ideologen de afgelopen decennia tegenover de ideologische vernieuwing op rechts weten te zetten? Sinds de sociaaldemocratische partijen in Europa ‘de derde weg’ insloegen, lijken er op links geen alomvattende ideologische vernieuwingen meer te hebben plaatsgevonden. Bovendien wordt de derde weg door maar weinigen als een echt linkse vernieuwing gezien. ‘Prudent progressieve’ intellectuelen als Dick Pels en Bas van Putten, die zich in reactie op de opkomst van rechts tegen de ‘verhuftering’ van de samenleving keerden, riepen vooral de spot van media als GeenStijl over zich af: als kinderen van de protestgeneratie verdedigden zij nu ineens het establishment. Hun pleidooien voor een beschavingsoffensief of een nieuw vrijzinnig paternalisme vonden dan ook maar weinig bijval buiten het progressieve establishment.

Een alternatief initiatief om ‘links’ nieuw leven in te blazen werd onlangs door een viertal min of meer bekende Nederlanders gelanceerd, verenigd in de groep Vrij Links. In hun manifest pleiten zij ervoor dat links ‘weer trouw wordt aan haar vrijzinnige, seculiere wortels’ en afstand neemt van de suggestie dat ‘niet-westerse Nederlanders in bescherming moeten worden genomen tegen het vrije debat’. Met zulke standpunten lijkt de groep eerder de nieuwrechtse hegemonie te bevestigen dan daar een alternatief voor in de plaats te stellen. Doordat elke vorm van reflectie op dominante nieuwrechtse opvattingen ten aanzien van ‘niet-westerse Nederlanders’ ontbreekt in het manifest, stelt Vrij Links een weinig vruchtbare poging voor om tot daadwerkelijke ideologische vernieuwing te komen. Eerder vertegenwoordigt het een nieuwe stap in de graduele depolitisering van het integratievraagstuk. Het is dan ook niet zo heel verrassend dat PvdA-leider Asscher het een ‘belangrijk initiatief’ noemde.

Vanuit het politieke establishment hoeven we een vruchtbaar alternatief niet te verwachten. Nemen we de politieke implicaties van De conservatieve revolte ter harte, dan moeten we onze aandacht juist richten op de marges van de Nederlandse politiek. Hier lijkt de zoektocht naar een compromislozer alternatief om tegenover de nieuwrechtse hegemonie te plaatsen pas net begonnen. Zeer verschillende bewegingen verzetten zich steeds mondiger tegen klimaatverandering, onderdrukking van minderheden en economische ongelijkheid – al wordt de agenda nog steeds grotendeels door rechts bepaald. Het vocabulaire van de antiracismebeweging doet met veel pijn en moeite langzaam zijn intrede in de Nederlandse samenleving. Nog moeilijker zal het blijken dat narratief te verbinden met een hernieuwde kapitalismekritiek, zoals links in bijvoorbeeld Groot-Brittannië daar wel in is geslaagd. Alweer loopt Nederland dus achter ten opzichte van de Anglo-Amerikaanse wereld, maar de geschiedenis leert dat een inhaalslag hier snel gemaakt is. Afgaande op Oudenampsens analyse is het zoeken vooral nog naar een adequate politieke strategie om een links tegenoffensief in gang te zetten. In die zoektocht zou zijn proefschrift zomaar een referentiepunt kunnen worden.