Herziening van l’Hexagone

In Frankrijk verschijnt het ene boek na het andere waarin de neergang van ’s lands culturele grandeur betreurd wordt. Die grandeur vervulde lang een voorbeeldfunctie voor Nederland – ondanks een voortdurend wederzijds onbegrip tussen beide landen. Marjolijn Voogel bespreekt een aantal recente boektitels die deze spagaat belichamen: hoe kunnen we hedendaagse sociaal-economische, culturele, literaire en politieke veranderingen in Frankrijk begrijpen en wat kan Nederland daarvan leren?


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#5

   

Met de regelmaat van de klok verschijnt er in Frankrijk een boek over de teloorgang van de positie van Frankrijk in de wereld. In onheilspellende titels als L’identité malheureuse (Alain Finkielkraut, 2013) en Le Suicide français (Eric Zemmour, 2014) of Comprendre le malheur français (Marcel Gauchet, 2016) wordt keer op keer de vraag gesteld: Pourquoi la France va si mal? Het overheersende beeld in deze boeken is dat van grote somberheid over het verdwijnen van de politieke, economische en culturele Franse grandeur.

Met vergelijkbare regelmaat verschijnen in Nederland boeken over Frankrijk; het land diende lange tijd en op vele fronten als voorbeeld, en blijft fascineren. Volgens de cultuurhistoricus Willem Frijhoff heeft er ‘vanaf de Bourgondische tijd tot en met de huidige in Nederland een schier onafgebroken en aantoonbare haat/liefdeverhouding bestaan, tot wat globaal als “Franse cultuur” wordt aangeduid’. De ontmoeting daarmee loopt als een ‘rode draad door onze geschiedenis heen’. In 2013 verscheen bijvoorbeeld Surplace. Over de ziel van Frankrijk van Volkskrant-correspondent Ariejan Korteweg, waarin hij zich verbaast over het onvermogen – of zelfs de onwil – van Fransen om te veranderen. Het zou zijn ingebakken in de Franse instituties en habitus. Tegelijkertijd is juist die hang naar het verleden de grote charme van het land waar ook Korteweg zijn hart aan heeft verpand. Eenzelfde dubbelzinnigheid tref je bij Leo Prick, in zijn Van Frankrijk móét je houden. Hoe Fransen hun eigenheid verdedigen (2015). We zijn dol op Frankrijk, maar snappen er geen snars van. Maar ook de recent overleden Frankrijkkenner Henk Wesseling stelde dat de naoorlogse relatie tussen Frankrijk en Nederlander er een is van ‘volledig wederzijds onbegrip’.

In Parijs denkt. Een republiek tegen de wereld (2009) duidt Marijn Kruk deze dubbelzinnigheid door te laten zien dat het Franse publieke debat op een heel andere wijze verloopt dan in ons land: ‘Als Nederland een land is van dominees en kooplieden, dan is Frankrijk een land van ingenieurs en filosofen.’ Fransen hebben een sterke voorkeur voor rationaliteit en theorievorming, en een neiging om het ideaal voor werkelijkheid te houden. Dat zit ’m al in de bijnaam van het land: l’Hexagone, de ideale zeshoek. Zo’n streven roept bij de Nederlander bewondering op, maar het gebrek aan werkelijkheidszin ook een zekere weerzin.

Van Starkozy naar Monsieur Normal
De recente gebeurtenissen in Frankrijk hebben laten zien dat ons beeld van een Frankrijk dat gevangen zit in het verleden moet worden bijgesteld. Het afgelopen jaar verschenen verschillende nieuwe boeken over het hedendaagse Frankrijk waarin auteurs trachten de ontwikkelingen te duiden. Zo voegde romanist en historicus Niek Pas vorig jaar het hoofdstuk ‘de razende republiek’ toe aan zijn in 2008 verschenen De geschiedenis van Frankrijk in een notendop. Hij bespreekt daarin het weinig coherente beleid van hyperprésident Sarkozy, die zich weliswaar overal tegenaan bemoeide, maar ondanks zijn torenhoge ambities voor Frankrijk en daarbuiten er niet in slaagde de vurig gewenste rupture te bewerkstelligen. Noodzakelijke sociaal-economische hervormingen bleven uit en het debat over de nationale identiteit smoorde in een storm van protest. Fransen voelden dit quinquennat vooral in hun portemonnee, door krimpende toeslagen en stijgende kosten voor het levensonderhoud. Achteraf bewerkstelligde de mediageile Starkozy als president slechts een stijlbreuk. Zijn ‘sarkonneries’ deden menig Fransman de wenkbrauwen optrekken.

Het contrast met zijn opvolger, de socialistische en starre François Hollande – die haast per ongeluk in het zadel kwam na de aanrandingsaffaire van Sarkozy’s gedoodverfde opvolger Dominique Strauss-Kahn – was groot. Dit keer verweten Fransen met hun traditionele hang naar een sterk monarch deze Monsieur Normal het presidentschap niet waardig te zijn. In korte tijd wist Hollande zich de meest onbeminde Franse president ooit te maken. Illustratief is de publicatie Un président ne devrait pas dire ça, een bundeling van stuitend openhartige interviews. Deze ontheiliging van het presidentiële ambt zou een van de aanleidingen zijn voor Hollande om zich niet opnieuw verkiesbaar te stellen als president, een unicum in de Franse geschiedenis. Nog unieker is de komeetachtige opkomst van de politieke buitenstaander Emmanuel Macron, die door de ondersteuning van zijn onfrans en bottom-up georganiseerde beweging En Marche! op 7 mei 2017 het Élysée wist te veroveren.

Hollandes wens om een normale president te zijn mislukte ook door de tragische aanslagen in 2015 en 2016, die hem tot oorlogspresident maakten. Vooral de gewelddadige moordaanslag op de redactie van het satirisch weekblad Charlie Hebdo op 7 januari 2016 en, in datzelfde jaar op 13 november, de aanslagen in Saint-Denis bij het Stade de France, op terrassen in de binnenstad van Parijs en in de concertzaal Bataclan, leidden ertoe dat internationaal alle ogen op Frankrijk waren gericht.

Een nieuwe route
Voor Peter Giesen waren deze gebeurtenissen aanleiding om zijn boekproject te herzien. De Volkskrant-correspondent had aanvankelijk ‘een romantisch boek in gedachten’, toen hij in 2014 begon aan zijn boek Retour de France. Over de route nostalgique naar het Frankrijk van nu. Maar na rampjaar 2015 moest hij zijn plan drastisch bijstellen. Ineens stond hij in de vuurlinie van een mondiale ‘oorlog’ tussen islam en westerse democratie. Ook de verkiezing van Macron vormde een scharnierpunt in zijn correspondentschap.

Giesens boek is opgezet als een reis langs de nostalgische Nationale 7, een mooie opzet voor een boek over een land dat nog steeds de belangrijkste bestemming is voor lange vakanties van Nederlanders (door de groeiende populariteit van Berlijn is Frankrijk voor korte vakanties inmiddels door Duitsland voorbijgestreefd). Van Parijs naar het zuiden zakt Giesen deze Route Nationale – die voor de komst van de Route du Soleil fungeerde als een van de levensaders van Frankrijk – in verschillende etappes af. Hij vertrekt van het point zéro op het toeristische Île de la cité, om uiteindelijk terecht te komen in de plaats Menton, op de grens met Italië.

De aanslagen in Frankrijk zijn voor Giesen een reden om ook bij andere plekken stil te staan. Zo reist hij door het voormalige communistisch bolwerk Ivry-sur-Seine, de Parijse banlieue waar Amedy Coulibaly (gijzelnemer in het Hypercacher Kosher Supermarket-drama van 9 januari) opgroeide. Het is een plek die Giesen naar eigen zeggen anders nooit zou opzoeken, want: ‘niemand leek zich druk te maken over het lot van de voorsteden’. Tegenwoordig zijn juist alle ogen op deze banlieues gericht. Bijna tot zijn verbazing wordt hij er uiterst vriendelijk ontvangen en hij stelt vast dat veel bewoners van de voorsteden zich in toenemende mate bij voorbaat behandeld voelen als vijanden die weigeren de Franse waarden te onderschrijven.

Giesen haalt hierbij de Franse socioloog Didier Lapeyronnie aan, die ziet dat de islam sinds 2005 in toenemende mate ‘de grammatica van het sociale leven’ bepaalt in de banlieue, waar de wereld wordt gestructureerd rond halal en haram. Voor velen biedt de islam houvast, zoals dat eerder gold voor het communisme. Jongeren zijn er vaak vromer dan hun ouders. Niet langer zijn de Franse verlichtingswaarden universeel nastrevenswaardig, het klassieke integratiemodel lijkt er failliet. Maar toch, in 2010 verklaarde 42 procent van de Franse moslims nog altijd zich allereerst Fransman en daarna pas moslim te voelen, een score die beduidend hoger is dan in Duitsland en die dichter ligt bij de Amerikaanse, waar 48 procent zich eerst Amerikaan en dan christen zegt te voelen. Het eigenlijke probleem is dan ook een ander. Voor Giesen is de reis van het Parijse centrum naar Grigny, een andere voorstad, vooral een van rijk en ‘entre nous’ naar arm, overbodig, ongeliefd en op vele fronten buitengesloten. Hij ziet ‘twee uitersten van globalisering op 30 km van elkaar verwijderd’.

Kampioen sociale ongelijkheid
Giesen doet ook Fontainebleau aan, de plek waar het reizende Franse hof zich ophield, voordat Lodewijk XIV zich permanent in Versailles vestigde, en dat daarna lang dienstdeed als koninklijk zomerverblijf. Het is een gelegenheid om te reflecteren op de overblijfselen van de Franse hofcultuur met haar feodale trekken: omgangsvormen die regelmatig leiden tot misverstanden tussen Nederlanders en Fransen. De traditionele verticale organisatie van het land door kerk en monarchie is terug te vinden in de republikeinse instituties die een sterk hiërarchisch en universalistisch karakter hebben. Zo is er een rechtstreekse lijn te trekken van gebruiken van de oude adel, de noblesse de sang in het Ancien Régime, via de door Napoleon gecreëerde noblesse d’empire, opgeleid op door hem opgezette prestigieuze École Polytechnique, naar de huidige noblesse d’état, die, eenmaal toegetreden tot het systeem van de Grandes Écoles, verzekerd is van een topfunctie in overheid of bedrijfsleven.

Ondanks het Franse meritocratische ideaal om iedereen gelijke kansen te bieden, leidt een dergelijk schoolsysteem ertoe dat nergens het verband tussen sociale afkomst en schoolprestaties zo sterk is. Frankrijk is ‘kampioen sociale ongelijkheid’. De geheel andere relatie van Fransen tot de economie leidt vaak tot Nederlands onbegrip. Georganiseerd rond de verdeling van privileges kent ook de economie nog feodale trekjes. Zo is op vrijwel elke hoek van een Franse straat nog een pharmacie te vinden, omdat supermarkten geen aspirine mogen verkopen. Of rijdt er tussen Parijs en Toulouse geen TGV, omdat Airbus er een grote vinger in de pap heeft.

Het Franse maatschappelijk spel draait om het binnenhalen van zo veel mogelijk privileges voor de eigen groep. Dat spel wordt het beste gespeeld door beroepsgroepen met veel hindermacht, vaak werknemers van voormalige staatsbedrijven. Daar waar Nederlanders streven naar consensus, is Frankrijk gebouwd op dissensus: een machtig iemand beslist en dan geldt: ça passe ou ça casse (het wordt geaccepteerd of het breekt). In een dergelijke cultuur wordt niet initiatief beloond, maar protest. Zo wordt er zelfs geprotesteerd ‘voor het behoud van de beroepseer’. Het wekt misschien geen begrip, maar biedt wel een verklaring voor het hooghartige gedrag van de Parijse ober in rok, wiens onvriendelijkheid de Nederlandse toerist keer op keer tegen de borst stuit. Zijn gedrag is te verklaren uit het feit dat hij zich heer en meester waant op het terras, waar hij naar believen al dan niet zijn privileges kan uitdelen.

Liberté, égalité, fraternité, laïcité
Giesen geeft aan dat hij als correspondent vaak heeft geworsteld met zijn opvattingen over de Franse economie. In Nederland was hij linkser geworden, ‘moe van alle hypocriete praatjes over marktwerking, van het commerciële jargon dat alle sectoren van de samenleving heeft gepenetreerd’ en ‘kritisch over de opmars van allerlei flexibele constructies die bedrijven uit de wind houden en alle risico’s afwentelen op de werknemers’. Maar in Frankrijk werd hij weer rechtser, want regelingen waar hij eerder achter stond, blijken averechts te werken. Bovendien is de maatschappelijke sfeer vaak somber en wantrouwig. Ook uit geluksonderzoek blijkt dat het land getekend is door pessimisme. Giesen: ‘Verval is de grondtoon van de maatschappelijke stemming, zoals schuld dat in Duitsland is.’

Ook Wilfred de Bruijn wijst op het pessimisme van de Fransman; zijn wantrouwen en hang naar het verleden. Maar waar Peter Giesen naar eigen zeggen heeft willen waken voor le French bashing, blijft De Bruijn uiterst kritisch ten aanzien van zijn – inmiddels – landgenoten. Samen met zijn ghostwriter Ivo van Woerden bracht hij vorig jaar het vlot geschreven Op zoek naar mijn Frankrijk, dat een persoonlijke blik op het land biedt. De ‘Hollandse Parijzenaar’, zoals De Bruijn zichzelf noemt, schreef het boek naar aanleiding van de goed bekeken documentairereeks Op zoek naar Frankrijk (voorjaar 2016).

Voor De Bruijn waren persoonlijke omstandigheden de aanleiding tot zijn rol bij deze documentaire en zijn boek. In de nacht van 6 april 2013 werd hij samen met zijn vriend aangevallen door homohaters. Een post op Facebook van zijn gehavende gezicht leidde tot grote verontwaardiging in Frankrijk en daarbuiten. Zijn boek is het verhaal van dat nachtelijke geweld en de daaropvolgende gebeurtenissen, die zijn leven als bibliothecaris een andere wending gaven. Tussendoor vertelt hij over zijn moeizame ontvangst als buitenlander in Parijs en zijn tot mislukken gedoemde streven toegang te krijgen tot de Franse inner circle. En passant geeft hij de lezer een lesje Franse beschaving, en biedt hij tips over de omgang met Fransen, maar blijft daarbij vaak wel wat aan de oppervlakte.

Het interessantste van het relaas van De Bruijn is zijn persoonlijke integratieverhaal. Het voltrekt zich ‘met horten en stoten’ en slaagt uiteindelijk doordat hij zich opgenomen voelt in de homoseksuele subcultuur, oftewel een communauté – waarnaar binnen het Franse republikeinse denken met grote huiver wordt gekeken. De Bruijn heeft dan ook grote moeite met de Franse afkeer tegen en soms zelfs het negeren van verscheidenheid. Een typisch voorbeeld van zo’n Franse kramp was de polemiek rond de boerkini in de zomer van 2016. Tientallen Franse gemeenten aan de Côte d’Azur, waaronder Nice en Cannes, verboden toen het dragen van de boerkini, uit naam van de laïcité, de traditionele scheiding van Kerk en Staat, die naast de liberté, égalité en fraternité wel als vierde pilaar van de Franse Republiek wordt gezien. Volgens de burgemeesters zouden te weinig schaars geklede dames op de Franse stranden aanleiding kunnen geven voor verstoring van de openbare orde, ongewenst in tijden van noodtoestand.

Liever een ‘roman vrai’ dan een ‘vrai roman’
Dat Frankrijk rijk is aan verscheidenheid toont ook Margot Dijkgraaf. Net als Giesen ging zij op reis, in haar geval een literaire rondreis. Lezen in Frankrijk. Een literaire tour de France* bestaat uit twintig portretten van levende Franstalige schrijvers. Elk hoofdstuk start op een plek die een belangrijke rol speelt in hun boeken. Vanuit die plek duikt Dijkgraaf dieper het werk in. Al jaren houdt ze voor NRC Handelsblad de hedendaagse literatuur uit Frankrijk en de Francophonie bij, en ook als intendant literatuur en debat bij de Nederlandse Ambassade in Parijs sprak zij de schrijvers die zij voor haar boek selecteerde. Het levert een veelvormig beeld op van de hedendaagse Franse literatuur en een mooi perspectief op de samenleving.

Dijkgraaf constateert dat ook in Frankrijk pure fictie terrein verliest en lezers behoefte hebben aan literatuur die waargebeurd is, liever een ‘roman vrai’ dan een ‘vrai roman’. Verval lijkt ook de grondtoon van het Franse literaire landschap, dat nog altijd gedomineerd wordt door reuzen als Proust, Malraux, Céline, Camus en De Beauvoir. Voor de hedendaagse literatuur komen echter ook Frankrijkfans vaak niet verder dan Michel Houellebecq, die in zijn De kaart en het gebied (La carte et le territoire, 2010) – overigens schitterend vertaald door Martin de Haan – een ludieke oplossing bedenkt tegen de Franse morose. Hij stelt voor om van het land een historisch themapark te maken. Die sombere grondtoon, laat Dijkgraaf zien, is volkomen onterecht. Het gaat juist erg goed met de Franse literatuur. Wel is het zo dat inderdaad ook voor de francofiel veel namen uit de inhoudsopgave onbekend zullen zijn. Dat is jammer, want de literatuur uit de francofonie biedt vaak een bredere kijk op de wereld en op ‘de ander’ dan de Nederlandse literatuur en onze tijd kan zo’n kijk goed gebruiken.

Zo staat de uit Libanon afkomstige Amin Maalouf met zijn ene been in de Arabische en met het andere in de westerse wereld. Met zijn werk probeert hij een brug te slaan tussen die twee werelden die steeds onverzoenlijker tegenover elkaar staan. Maalouf werd in 2011 verkozen tot een van de veertig immortels, en nam de zetel in van de antropoloog Claude Lévi-Strauss, zetel 29. Un fauteuil sur la Seine. Quatre siècles d’histoire de France (2016) vertelt het verhaal van de geschiedenis van die zetel en Maaloufs voorgangers. Daarmee is het ook een boeiend boek over vier eeuwen Franse geschiedenis. De Académie bewaakt de plaats van de Franse taal en cultuur in de wereld en de schrijver is er naar goed Frans gebruik van overtuigd dat alle problemen met identiteit en integratie van culturele aard zijn, wat de taak van de Académie tot een existentiële maakt: ‘We moeten uit die uit het marxisme en kapitalisme voortgekomen logica stappen, uit de economische uitleg van alles.’ De polemiek rond de afschaffing van het accent circonflexe in het Frans acht hij onbelangrijk. Hij denkt ook niet dat het Frans daarmee makkelijker zal zijn om te leren. De echte strijd is om de huidige marginalisering van het Frans te voorkomen en de taal van een plek te verzekeren in de productie en ontsluiting van wetenschap en kennis.

Minder bekend bij het Nederlandse publiek is het werk van de Baskische Marie Darrieussecq, die in 1996 debuteerde met Truismes (Zeugzoenen), vertaald door Mirjam de Veth, een harde sociale satire over een vrouw die langzaam in een varken verandert. In 2005 verscheen Le pays, waarin de auteur zich afvraagt wat het betekent om ergens vandaan te komen, een attachement die zowel geestelijke als fysieke vormen aanneemt. Haar Clèves (2011), dat een jaar later in vertaling verscheen als Solange, is de tegenpool van het beroemde La princesse de Clèves van Madame de La Fayette. Waar de prinses zich niet wil geven aan haar verliefdheid, wil Solange zich wel geven, zonder te weten wat verliefdheid is. Ze is slechts geobsedeerd door het ‘doen’, zonder dat ze er enig gevoel bij lijkt te hebben. Ze droomt noch zwijmelt, er is geen ruimte voor verbeelding, het ideaal wordt verruild door harde realiteit.

Die harde realiteit tref je ook in de romans Vernon Subutex van Virginie Despentes, ook weleens omschreven is als een hedendaagse Comédie humaine, naar Balzac die met zijn romancyclus een studie maakte van de negentiende-eeuwse zeden. Ook in de drie delen van Vernon Subutex (in de Nederlandse vertaling door Alice Teekman en Jan Versteeg zijn de eerste twee delen verschenen, met als titel Het leven van Vernon Subutex deel 1 en 2) keren de verschillende personages terug. In de eerste plaats is dat Subutex zelf, een sympathie opwekkende vijftiger die jarenlang een succesvolle platenzaak runde, maar die met de komst van het internet failliet ging. Nog een tijdje lukt het hem zijn hoofd boven water te houden met de verkoop van gesigneerde en bijzondere stukken uit zijn boedel, maar uiteindelijk raakt hij compleet aan lagerwal.

Desondanks is men op zoek naar hem, want in zijn plunje zouden vier videobanden zitten die ooit werden ingesproken door een overleden rockster – voor biografen zijn die goud waard. Despentes, door het literaire tijdschrift Les Inrockuptibles geschaard onder de schrijversgroep van les déprimés, biedt ons geen vrolijke lectuur, over een beschaving die verdwijnt ten gunste van plat materialisme, consumentisme en sociale media. Subutex krijgt in het laatste deel een profeetachtige dimensie. Ook volgens Despentes kan verandering niet alleen door geld of winst teweeg worden gebracht, ze pleit voor meer spiritualiteit en verbeeldingskracht, een geloof dat het anders kan.

Dijkgraafs reis door het hedendaagse Franse paysage littéraire biedt via deze auteurs en hun werken eveneens een blik op de veranderende culturele identiteiten in het land. Die reiken tot ver buiten de grens van Frankrijk en haar boek vraagt om een vervolg in de vorm van een literaire tour de francofonie, met daarin ook jonge en internationaal vertaalde nieuwe sterren als Kamel Daoud of Alice Zeniter.

Macronisme
Degene die met deze vraagstukken aan de slag moet is natuurlijk de huidige held en razende Roeland van de republiek, Emmanuel Macron. De verrassende opkomst van de nieuwe president bracht Niek Pas ertoe om in het najaar van 2017 het boekje Macron en de nieuwe Franse revolutie te brengen. Hij verhaalt hoe wonderkind Emmanuel uit Amiens, oud-bankier en de jongste minister van Economie in de Franse geschiedenis, in 2014 plotseling met verve uit de coulissen trad. Via de operatie ‘grande marche’, een campagne die was opgezet naar het voorbeeld van die van Obama, wist hij in 2016, slechts een jaar na de oprichting van En Marche!, in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen Marine Le Pen te verslaan met 66,1 procent van de stemmen. Een ruime overwinning, hoewel minder groot dan in 2002, toen Jacques Chirac dankzij het ‘republikeinse pact’ Jean-Marie Le Pen versloeg met meer dan 82 procent. Maar de sociale basis van Macron is nogal smal. Vooral radicaal links weigerde hem te steunen. Bovendien bracht maar liefst een kwart van de kiezers geen stem uit, iets wat sinds de presidentsverkiezingen van 1969 niet meer was voorgekomen. Ondanks de twee derde meerderheid wordt het ‘macronisme’ dus slechts door een kwart van de bevolking gesteund.

Dat macronisme is een vorm van sociaal-liberalisme. Het is gestoeld op de traditionele ideologische kaders van de republiek – met als centrale elementen de staat (die de voorwaarden moet scheppen voor de zelfverwezenlijking van zijn burgers) en de Franse taal en de republiek als sociaal en maatschappelijk bindmiddel en emancipatieproject. Macron streeft naar fundamentele hervormingen, met opvattingen die lijnrecht staan tegenover die van cultuurcritici als Finkielkraut, Zemmour of Houellebecq. De tijd zal uitwijzen of de idealen van Monsieur le Président, ook wel monsieur ‘en même temps’ genoemd, en de Franse werkelijkheid elkaar verdragen. Of, in de woorden van Pas: of het republikeinse ideaal bleu, blanc, rouge duurzaam te koppelen is aan de maatschappelijke werkelijkheid van communautarisme, van black, blanc en beur.

Boeken over andere landen en culturen zeggen vaak ook iets over veranderingen in de eigen samenleving. Vergeleken met eerdere publicaties over het hedendaagse Frankrijk is de teneur niet sterk veranderd, en worden verschillen tussen Nederlanders en Fransen in vergelijkbare bewoordingen gesteld. Toch is er wel degelijk iets veranderd. ‘Het was alsof er op 13 november een luikje in mijn hoofd openging’, schrijft Giesen. ‘De negatieve fantasie werd bevrijd. Voortaan leek alles mogelijk. De gewelddadige zucht naar erkenning en identiteit, de lust tot geweld die ik voorheen associeerde met andere landen en andere tijden bleek heel makkelijk tot het hart van Parijs te kunnen doordringen.’ Met de verkiezing van Macron kreeg die fantasie een positieve wending. De Nederlandse blik op Frankrijk mag dan niet veranderd zijn, de richting van die blik is dat wel. Ook andere gebeurtenissen, zoals de grillen van Trump en de hangende Brexit maken dat wij Nederlanders onze zuiderburen anders moeten waarderen. Zo’n open blik naar alle windrichtingen, en niet slechts naar het Westen, past ook beter bij een klein land met een open economie als Nederland. De sociaal-economische en culturele ontwikkelingen in Frankrijk, een land waarin het zo anders geregeld is dan hier, nodigen uit tot nadenken over onze eigen samenleving, zeker als het gaat om identiteitspolitiek. Zaak dus om de luikjes in de hoofden open te laten staan.


 * (dNBg:) Lezen in Frankrijk kwam tot stand onder redactie van de auteur van deze bijdrage.