De ETA was overal

Een jaar nadat de ETA afstand deed van haar laatste wapens, verscheen Fernando Aramburu’s roman Vaderland. Hierin blikt Aramburu terug op de periode 1959 – 2018, om het conflict dat Baskenland heeft verscheurd inzichtelijk te maken en de balans op te maken van bijna zestig jaar ETA. Samen met twee andere boeken, Operation Ogro: The Execution of Admiral Luis Carrero Blanco van Julien Agirre, een persoonlijk relaas, en Basque Violence: Metaphor en Sacrament van Joseba Zulaika, een etnografische studie, werpt Matthijs Eijgelshoven van verschillende kanten licht op de ETA, de impact van het geweld op de Baskische samenleving en hoe de literatuur die het beste zou kunnen verbeelden.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#5

  

George was een van de mensen met wie ik optrok toen ik midden jaren negentig in Bilbao studeerde. Hij had een Baskische vader en een Schotse moeder, en die gemengde afkomst had hem een hoop gezeur bezorgd in zijn stamcafé. Elke keer dat hij er kwam, wierpen de andere gasten hem de kwestie ‘Gibraltar’ voor de voeten, de rots aan de zuidpunt van het Iberisch schiereiland die al ruim drie eeuwen in Britse handen is: ‘Wanneer geven jullie hem terug?’ Om ervanaf te zijn, bracht hij op een dag een grote steen mee, met een brief waarin stond dat koningin Elizabeth II hem zijn deel van de rots van Gibraltar gaf om ermee te doen wat hij wilde. ‘Hier hebben jullie mijn stuk,’ zei hij toen hij de steen op de bar in het café liet vallen, ‘en nu houden jullie je mond erover.’ Hij kreeg een fles bier van het huis, de steen kreeg een ereplaats achter de bar en men beloofde hem niet langer lastig te vallen met zijn Britse moeder. Ik vroeg hem of ze woord hadden gehouden. ‘Ze kregen de kans niet,’ zei hij, ‘kort erna blies de ETA het café op.’

De ETA was overal: in de leuzen op de muren, in het onvoorspelbare geweld, in de beladen keuze om je voor of tegen de organisatie uit te spreken. Hoe de ETA (Euskadi Ta Askatasuna – ‘Baskenland en Vrijheid’) alle facetten van het Baskische leven beheerste, is het onderwerp van Fernando Aramburu’s roman Vaderland (2018). Het boek is een grote hit in Spanje en herhaaldelijk omschreven als ‘de literaire nederlaag van ETA’, een term die Aramburu overigens zelf munt tegen het einde van zijn roman.

De Nederlandse vertaling van Vaderland verscheen dit voorjaar, vrijwel gelijktijdig met de mededeling van de ETA dat ze zichzelf zou opheffen. Sinds 2011 had de organisatie geen aanslagen meer gepleegd, nadat ze eenzijdig een wapenstilstand had afgekondigd. In 2017 deed de ETA naar eigen zeggen afstand van haar laatste wapens. De beweging was al enige tijd op sterven na dood en in die laatste jaren, waarin de ETA wegkwijnde als een eenzame bejaarde in een gedateerd verzorgingshuis, schrijft Aramburu zijn roman. De tijd was daar om terug te blikken op een afgeronde periode: de ETA-jaren, 1959-2018. Vaderland is een poging om het conflict dat Baskenland heeft verscheurd inzichtelijk te maken en zo zet de roman een eerste stap in het opmaken van de balans van bijna zestig jaar ETA, een proces dat ongetwijfeld nog lang zal duren.

Uit een heel andere periode van ETA’s bestaan stamt Operation Ogro: The Execution of Admiral Luis Carrero Blanco van Julen Agirre/Eva Forest. Het boek, dat in 1974 verscheen, is een ooggetuigenverslag van de vier ETA-leden die tijdens het Franco-regime een van de meest theatrale aanslagen uitvoerden, die op Franco’s rechterhand en beoogd opvolger, eerste minister Carrero Blanco. Deze daad heeft veel bijgedragen aan de populariteit van de ETA, een organisatie die toen in de eerste plaats werd gezien als een verzetsbeweging tegen de dictatuur.

Vaderland is een roman; Operation Ogro is een persoonlijk relaas; Basque Violence: Metaphor and Sacrament is een etnografische studie. De Baskische onderzoeker Joseba Zulaika analyseert in dit boek uit 1988 de sociale en culturele contexten waarin het geweld in Baskenland plaatsvond. Het boek verschilt stilistisch sterk van de andere twee; het is een wetenschappelijk verslag met af en toe het bijbehorende jargon en veel toelichting en onderbouwing, al blijft het een zeer leesbare tekst. Wie naast Vaderland ook Operation Ogro en Basque Violence leest, krijgt een goed beeld van de veranderende positie van en waardering voor de ETA gedurende haar bestaan. Hoe werpen deze verschillende boeken licht op de ETA en de impact van het geweld op de Baskische samenleving? En hoe diep weet Aramburu met de middelen van de literatuur door te dringen in het recente, pijnlijke verleden?

Urgente literatuur
In Vaderland vertelt Aramburu het verhaal van twee Baskische families, beide afkomstig uit hetzelfde kleine bergdorp, ooit goed bevriend. Aan die vriendschap is lang geleden een einde gekomen als gevolg van de verschillende keuzes die de leden van deze families hebben gemaakt.

De roman begint op de dag dat de ETA aankondigt de wapens neer te leggen en dat Bittori naar het graf van haar vermoorde echtgenoot Txato gaat om hem dat te vertellen. Txato is in de jaren negentig doodgeschoten door de ETA. Na haar bezoek aan de begraafplaats keert Bittori terug naar het dorp waar zij met haar man destijds woonde. De constante angst voor geweld is verleden tijd, maar er is een nieuwe spanning voor in de plaats gekomen, sterk voelbaar in kleine gemeenschappen waar iedereen zich in de tijd van het geweld uit angst voor sociale uitsluiting publiekelijk naar één lijn heeft gevoegd, namelijk de nationalistische ETA-versie. Nu vrezen de nationalisten van toen de openheid waarmee de slachtoffers hun standpunt zullen uitdragen en hun verhaal zullen vertellen.

En dat is precies wat Bittori komt doen, tot afgrijzen van haar vroegere vriendin Miren. Bittori wil namelijk vooral weten of de zoon van Miren betrokken was bij de moord op haar man. Deze zoon, Joxe Mari, was een bekend ETA-lid en slijt tegenwoordig zijn jaren als gevangene ver weg van Baskenland.

In korte hoofdstukken die moeiteloos van tijdperk en perspectief wisselen, vertelt Aramburu een geschiedenis waarvan je je gemakkelijk kunt voorstellen dat elke Baskische familie zich erin herkent. Txato en zijn vriend Joxian zijn eind jaren zestig getrouwd met de twee vriendinnen Bittori en Miren. Hun oudste kinderen worden geboren in de nadagen van het Franco-regime en beleven een gelukkige kindertijd in de periode dat Spanje net een democratie is geworden. Dat verandert in de jaren negentig, als de kinderen hun eigen keuzes maken. Txato is inmiddels een succesvolle ondernemer, van wie de ETA verwacht dat hij hun ‘revolutionaire belasting’ zal betalen. Dat doet hij één keer. Daarna weigert hij, een keuze die hij met de dood bekoopt.

Aramburu vertelt het verhaal vanuit beide echtparen en hun kinderen. Het levert in totaal negen vertelperspectieven op die per hoofdstuk wisselen, en alle posities in het conflict beschrijven. Zo laat Aramburu veel van de redeneringen zien waarmee mensen zich overtuigden van hun eigen gelijk. De vele perspectieven maken de personages wel enigszins schetsmatig, doordat ze de geijkte standpunten en argumentaties herhalen. Vaderland moet het als roman vooral hebben van zijn verhaal en compositie.

Het schetsmatige karakter van de roman zie je eveneens terug in de gejaagde schrijfstijl. Aramburu gebruikt veelvuldig schuine strepen, alsof hij te veel haast had om te kiezen, met name wanneer het de emoties van zijn personages betreft: ‘driftig/furieus’; ‘vol verdriet/verontwaardiging’. Ook zoomt hij snel in en uit, door welhaast achteloos van de derde naar de eerste persoon en weer terug te wisselen. Soms zorgt dat voor enige verwarring, alsof hij uit de losse hand heeft gefilmd: ‘Noch in het ziekenhuis (…) noch in de maanden dat ze werd behandeld in het Guttmann Instituut keek Arantxa in de spiegel. Niemand wist dat toen, de artsen niet en de verpleegsters ook niet, alleen ik. En wanneer ze in haar rolstoel een glazen deur naderde, sloot ze haastig haar ogen.’ Deze schrijfstijl heeft een urgentie die goed past bij het onderwerp en de timing van de roman. En zo bezien vallen ook de licht geschetste personages op hun plaats in het concept van Vaderland.

Het meest geslaagde personage is Arantxa, de dochter van Miren en Joxian. Ze is de enige die met iedereen in gesprek blijft, al kan ze niet praten vanwege een verlamming – ze communiceert via haar iPad, die ze met haar goede hand bedient. Aramburu legt de symboliek er dik bovenop. Als men goed voor haar zorgt, zal ze misschien ooit weer wat kunnen lopen en een paar woorden kunnen zeggen. Ze lijkt de enige hoop van Baskenland op een leefbare toekomst: de redelijke mens die wellicht ooit zal herstellen – maar nooit volledig – van alles wat er is gebeurd.

Een jongensboek
In december 1973 pleegde een vierkoppig ETA-commando een aanslag op eerste minister Luis Carrero Blanco in Madrid. De commando’s hadden de straat waar Carrero Blanco elke ochtend doorheen reed na zijn kerkbezoek ondermijnd door een tunnel te graven vanuit een appartement in het souterrain en deze met springstof te vullen. Een dubbelgeparkeerde auto dwong de chauffeur te stoppen boven de explosieven. Door de ontploffing werd de auto over de vijf verdiepingen hoge kerk geblazen, om aan de andere kant van de bebouwing te landen. Carrero Blanco, zijn lijfwacht en zijn chauffeur kwamen om het leven.

Kort na deze aanslag hebben de vier mannen interviews gegeven die zijn opgenomen op band. Ze vertellen hoe ze zich een jaar hebben schuilgehouden in Madrid, in eerste instantie om Carrero Blanco te ontvoeren. Toen dat niet lukte, kregen ze het bevel om hem te executeren. Ze doen met een zekere zelfingenomen stoerheid uit de doeken hoe ze aan de wapens kwamen, de moord pleegden en ontsnapten. Hun relaas is in boekvorm gegoten door de Spaanse auteur Eva Forest, onder het pseudoniem Julen Agirre. In 1974 werd Operation Ogro: The Execution of Admiral Luis Carrero Blanco uitgegeven in Frankrijk en kort daarna vertaald in het Engels. Spanje ging bij het verschijnen nog gebukt onder het Franco-regime en de aanslag bezorgde de ETA veel sympathie, zowel binnen als buiten Spanje.

Operation Ogro leest als een klassiek, jongensboekachtig avontuur. De vier ETA-leden vertellen zelf hun verhaal, met nadruk op de praktische uitvoering van de aanslag. Wat er aan ideologische overwegingen in staat, gaat voornamelijk over het lot van de arbeidende klasse; van onafhankelijkheid voor Baskenland wordt nauwelijks gerept. Het verhaal is erg populair geworden, waartoe het zich ook goed leent als een moderne versie van David en Goliath. Het zijn dit soort spannende, heldhaftige narratieven die nog lang hebben doorgewerkt en het beeld van de ETA positief zijn blijven kleuren voor degenen die zich tot de organisatie aangetrokken voelden.

Opvallend is in dit licht de gelijkenis tussen de jongemannen in Operation Ogro en Joxe Mari, het ETA-lid in Vaderland. Aramburu zal Operation Ogro ongetwijfeld kennen, maar ik vermoed dat het doorleven van het imago van de ETA uit de Franco-tijd in de decennia die erop volgden, de werkelijke bron van de gelijkenis is. Dat Aramburu’s Joxe Mari net zo’n cowboy is als de jongemannen in Operation Ogro, maakt hem een wrang personage. Hij en de andere jonge ETA-leden in Vaderland zijn blijven denken als de commando’s die Carrero Blanco hebben opgeblazen, alsof er niks is veranderd na Franco’s dood en de democratisering van Spanje. Maar er veranderde wel veel, en het is dan ook niet vreemd dat na het einde van de dictatuur in 1975 en het afkondigen van de amnestie in 1977 heel wat militanten de ETA verlieten en voor het politieke pad kozen. Het heeft ze de nodige problemen opgeleverd: velen zijn voor verrader uitgemaakt of zelf slachtoffer geworden van hun vroegere strijdmakkers.

Dichterbij door afstand
In Basque Violence: Metaphor and Sacrament beschrijft Zulaika op een bepaald moment de reactie van een deel van de bevolking van Itziar, het kleine dorp waaruit hijzelf afkomstig is, op drie ETA-militanten uit dat dorp die na de amnestie deelnemen aan de eerste vrije verkiezingen. Op regionaal niveau werden deze mannen als helden gezien, de politieke sterren van een zelfbewust Baskenland. Tegelijkertijd werden ze verguisd door het militante deel van de jeugd in Itziar, volgens Zulaika’s duiding omdat de meest geradicaliseerde jongeren in Itziar opereerden vanuit een sterk politiek gepolariseerd schema: je was een revolutionair, of je was een verrader.

De strijders die na 1977 overbleven in de ETA zijn jongens als Aramburu’s Joxe Mari, voor wie actie belangrijker is dan theorie of ideologie. Een van de sterkste hoofdstukken in Basque Violence laat zien hoe de populariteit van de jacht bijdraagt aan het ontmenselijken van personen, door de terminologie toe te passen die jagers voor hun prooi gebruiken. Die ontmenselijking krijgt een wrede instrumentaliteit wanneer ETA-jongeren een zakenman uit hetzelfde dorp ontvoeren en uiteindelijk vermoorden – niet heel anders dan het in Aramburu’s Vaderland de industrieel Txato vergaat en Joxe Mari, de zoon van zijn vroegere beste vriend.

Basque Violence is een onderzoek naar de sociale en culturele context van het politiek geweld, dat in de jaren 1975-1980 zes slachtoffers eiste in Itziar. Zulaika slaagt erin de relatie te leggen tussen de onbewuste patronen die hij beschrijft en het persoonlijke drama dat binnen die contexten tot stand komt. Door de nadruk op de sociale en culturele context wordt duidelijk hoe onontkoombaar voor veel van de betrokkenen hun handelingen moeten zijn geweest, of in elk geval moeten hebben gevoeld. Dat laatste maakt van Basque Violence een indringend verslag.

Hoe diep dring je door?
Vaderland is een groots opgezet, onderhoudend, vlot verteld verhaal. De roman is urgent en toont aan dat literatuur ook in deze tijd relevant kan zijn voor een samenleving, in meer dan alleen de artistieke zin. Maar maakt die relevantie Vaderland ook automatisch tot grote literatuur? Hierboven schreef ik dat het personage van Joxe Mari in Vaderland me sterk deed denken aan de mannen die in Operation Ogro hun verhaal doen. Die overeenkomst zie ik niet alleen in dat ene personage, maar ook in de vorm van de boeken. In Operation Ogro vertellen mensen in de ik-vorm over wat ze hebben gedaan. Dat doen ze direct en heel beredeneerd: we hebben deze man opgeblazen omdat hij een vijand van het volk is, en dat is gerechtvaardigd omdat de gewapende strijd nodig is om het volk te bevrijden. Die directe stijl leest vlot en prettig, maar blijft wel eendimensionaal. Aramburu blijft daar ook in steken, niet alleen bij Joxe Mari, maar ook bij de andere personages.

Zulaika dringt in Basque Violence verder door tot de kern van het conflict, door meer bloot te leggen hoe mensen komen tot hun gedrag en hoe de mogelijkheden worden gecreëerd voor dat gedrag om getolereerd te worden door andere mensen. Hij weet zo een laag dieper te gaan dan Aramburu in Vaderland. Dat vermogen is niet voorbehouden aan zo’n etnografische studie, dat vermogen heeft de literatuur ook. Natuurlijk zijn er verschillende vormen van fictie schrijven en mag een breed opgezette roman waarin het plot centraal staat er ook zijn. HBO wil er een tv-serie van maken, en dat zal vast goed lukken. Maar ik zou graag, ook over dit thema, literatuur lezen die de personages meer ruimte geeft en die onder de opzichtige motivaties en oppervlakkige oorzaak-gevolgredeneringen weet te duiken. Als een roman daarin slaagt, is het grote literatuur.