Rob Hartmans aan Geerten Waling, 15 oktober 2018 (brief #14)

Geerten Waling en Rob Hartmans schrijven elkaar over Marcel ten Hoovens De ontmanteling van de democratie en Gijs van Oenens Overspannen democratie. De democratie staat overal onder druk. Hoe is het nu met de Nederlandse gesteld? Misschien wel helemaal niet zo slecht als Nieuwrechts ons wil doen geloven. Het beeld kantelt als we onze verwachtingen van het democratisch proces en onze participatie daarin wat bijstellen. Geerten Waling: ‘En dan hebben we nog niet eens een bindend referendum – iets wat ik doorgaans betreur, maar waarbij ik met dit boek in de hand toch enkele vraagtekens begin te stellen.’


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Brief uit dBNg 2018#5

Beste Geerten,

Ook ik word menigmaal overvallen door een verlammend gevoel van vermoeidheid, zoals wanneer ik in mijn favoriete boekhandel voor de tafel met politieke boeken sta en de ene titel na de andere zie met het woord ‘democratie’ erin, bovendien stuk voor stuk zorgelijk of ronduit alarmistisch van toon. Bovendien ben ik een paar jaar ouder dan jij, zodat ik dikwijls het idee heb dat ik een en ander al vaker heb zien langskomen. Ik wil niet de hele tijd in de ‘opa vertelt’-modus schieten, maar als Gijs van Oenen schrijft dat de waarde van democratie tegenwoordig vaak ‘verabsoluteerd’ wordt – waarbij hij als voorbeeld de roep om een gekozen burgemeester geeft, terwijl er geen noemenswaardige problemen zijn met het functioneren van de Nederlandse burgemeesters (p. 60-61) – dan moet ik constateren dat ik zoiets al jaren zeg, en soms ook schrijf. En als hij opmerkt dat ‘de vermeende kloof tussen burger en overheid in een moderne democratische samenleving altijd eerder te klein dan te groot is’ (p. 176), dan kan ik het niet helpen dat ik even terugdenk aan het essay dat ik op 15 mei 2002 – de dag dat de vermoorde Pim Fortuyn zesentwintig Tweede Kamerzetels in de wacht sleepte – publiceerde in De Groene Amsterdammer, die toen een week lang als dagblad verscheen. In contrast met de neoliberalen van de VVD, en contra het populisme, pleit ik al jaren voor wat ik een ‘terugtredend electoraat’ noem. Maar ook bij het lezen van Marcel ten Hooven herken ik veel, vooral waar hij oude helden van mij als Jacques de Kadt, Isaiah Berlin of Menno ter Braak citeert, of een nieuwe als Zadie Smith.

Ik ben echter geen politicoloog, zoals Van Oenen, en als journalist heb ik, in tegenstelling tot Ten Hooven, me slechts in beperkte mate met actuele thema’s beziggehouden. Waar het om het debat over democratie gaat, ben ik dus een dilettant – wat overigens een van de wezenskenmerken van de democratie is: meepraten over dingen waar je niet al te veel vanaf weet. Volgens jou geldt dat, geloof ik, trouwens ook wel voor Ten Hooven, die een voorkeur voor lichtgewicht auteurs aan de dag zou leggen en niet op de hoogte lijkt van sommige wetenschappelijke debatten. Wanneer je hem echter verwijt dat hij Bastiaan Rijpkema’s belangrijke dissertatie Weerbare democratie niet kent, gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat Van Oenen dat boek ook niet noemt. En je hebt helemaal gelijk als je schrijft dat de laatste auteur een echte wetenschapper is, maar waarom heeft Overspannen democratie dan (gecensureerde vloek met blasfemische strekking) geen register?!

Dit neemt niet weg dat ik Van Oenens boek met grote interesse heb gelezen, vooral omdat hij veel dieper ingaat op allerlei noties die ik, voornamelijk intuïtief, al sinds jaren koester. Wat hij schrijft over de oorzaken en mogelijke gevolgen van wat hij ‘democratische metaalmoeheid’ noemt, is bijzonder verhelderend. Mensen verwachten te veel van de overheid en van zichzelf, zodat frustratie, ergernis en uitputting onvermijdelijk zijn. En de overheid – als de dood voor de ontevreden burger – anticipeert op die verwachtingen en verlangens, waardoor mensen het gevoel krijgen verstrikt te raken in de tentakels van een monsterlijke octopus. Ook zijn kritiek op het overspannen ‘burgerschapsideaal’ – waarbij politiek filosofen meestal met een vroom gezicht Hannah Arendt citeren en lekker anachronistisch naar het republicanisme van Machiavelli verwijzen – onderschrijf ik van harte. Het idee dat de gemiddelde burger het grootste deel van zijn vrije tijd zou willen besteden aan het bestuderen van en meepraten over actuele maatschappelijke vraagstukken en praktische problemen!

Met Van Oenen ben ik van mening dat we eerder te veel dan te weinig democratie hebben – het doet me echt goed te lezen dat zelfs jij nu begint te twijfelen aan het bindend referendum – en evenals Tom van der Meer geloof ik dat er met ons politieke bestel heel weinig mis is. Uiteraard zijn er altijd ‘verbeterpunten’ en moet je constant in de gaten houden dat bepaalde maatregelen geen averechtse of onvoorziene gevolgen hebben, maar aan je eigen huis moet je ook onderhoud blijven plegen. Al ben ik er nog altijd heilig van overtuigd dat de representatieve, dus indirecte, democratie met afstand het minst slechte stelsel is. En dat moet je niet gaan verpesten door er wezensvreemde elementen uit de directe democratie in te fietsen.

Uiteraard wil dit niet zeggen dat er vandaag geen zorgelijke ontwikkelingen aan de gang zijn. Het toenemend wantrouwen jegens, en de minachting voor, democratische instituties vind ik bijvoorbeeld tamelijk verontrustend. Ook bespeur ik bij veel lieden die luidkeels roepen om méér democratie een fundamenteel gebrek aan democratische gezindheid. ‘Democratie gaat uit van de mogelijkheid dat een ander gelijk zou kunnen hebben,’ schreef Kees Schuyt ooit. [1] Dit is een gedachte waarop je figuren als Trump, Orbán, Wilders, Poetin en Erdoğan niet snel zult betrappen.

Oei, nu doe ik iets wat jij Ten Hooven verwijt, namelijk het ‘op één hoop gooien’ van politici die doorgaans het etiket ‘populist’ krijgen opgeplakt. Hiervoor zijn er volgens jou te veel verschillen tussen de politieke systemen, culturen en partijen waarvan deze figuren deel uitmaken. Dat valt uiteraard niet te ontkennen, maar dat wil niet zeggen dat er geen overeenkomsten zijn. En wat deze heren gemeen hebben, is dat hun opvatting van ‘het volk’ fundamenteel afwijkt van hoe daar in een liberale democratie tegenaan wordt gekeken. Volgens Lincoln was democratie ‘government of the people, by the people, for the people’, maar het gaat er natuurlijk om hoe je dat volk definieert. In een liberale democratie bestaat het volk uit alle staatsburgers, die bepaalde rechten en plichten hebben en in naam drager zijn van de soevereiniteit. Die burgers hebben verder zeer uiteenlopende en niet zelden botsende belangen, ideeën en waarden. Ze vormen in dit opzicht dus allesbehalve een eenheid. Populisten daarentegen doen alsof ‘het volk’ niet alleen rechten en plichten deelt, maar ook in andere opzichten homogeen is. Rechtse populisten komen dan met de ‘natie’ op de proppen, en linkse met ‘klasse’. En daar begint het gelazer.

Rijpkema’s notie van ‘weerbare democratie’ vind ik buitengewoon belangrijk, maar vooral als ze is opgenomen in een visie op wat je de ‘weerbare rechtsstaat’ zou kunnen noemen. Ik weet wel dat dit in sommige kringen niet zo populair is, want toen in 2010 Rutte en Verhagen het infame gedoogakkoord met Wilders sloten – infaam omdat ze niet eisten dat de PVV afstand nam van de antirechtstatelijke punten in haar verkiezingsprogramma – schreef bijvoorbeeld Martin Sommer dat we maar niet meer zo moesten zeuren over die rechtsstaat: ‘De nadruk ligt op de meerderheid, niet langer op de grondrechten. Dat lijkt mij na zoveel jaar hangen-en-wurgendiscussies over immigratie en integratie, alleen maar gezond.’ (De Volkskrant, 16 augustus 2010.) Hoe gezond dat is, kun je bijvoorbeeld zien aan het Hongarije van Orbán of het Amerika van Trump.

Democratie als de botte wil van de helft plus 1, democratie zonder democratische gezindheid, holt de rechtsstaat uit. ‘Norms are the soft guardrails of democracy; as they break down, the zone of acceptable political behavior expands, giving rise to discourse and action that could imperil democracy,’ schrijven de Harvard-hoogleraren Levitsky en Ziblatt in een bijzonder verontrustend boek over de ontwikkelingen in de VS dat door Rijpkema zeer werd aangeprezen. [2] En die normen zijn voor een groot deel verankerd in het idee van de rechtsstaat, dat onder meer uitgaat van het legaliteitsbeginsel, de scheiding der machten en grondrechten. Zonder dat idee wordt democratie linke soep.

Hartelijke groet,

Rob


Noten

 [1] Kees Schuyt, Over het recht om wij te zeggen. Groepstegenstellingen en de democratische gemeenschap (AUP 2009), p. 17.
 [2]Steven Levitsky & Daniel Ziblatt, How Democracies Die: What History Reveals about our Future (Viking/Penguin 2018), 203; Bastiaan Rijpkema, ‘Een grondwet vol redenen’, NRC Handelsblad, 21/22 juli 2018.


Lees de brief van Geerten Waling hier