De kunst om de kunst te verbergen. In memoriam Henk Wesseling

Door Willem Otterspeer 

‘Ik kan helemaal niets.’ Hoe vaak heb ik het Henk Wesseling niet uit horen roepen. Lange armen, grote handen, in de lucht. ‘Ik kan helemaal niets.’

Of varianten daarop. ‘Ik kijk alleen maar televisie.’ Over zijn belezenheid: ‘Een dunne lappendeken.’ Over zijn bibliotheek: ‘Een allegaartje.’ Over zijn dissertatie (Soldaat en krijger): ‘Een totaal amateuristisch boek.’

Even bladeren in zijn bibliografie, opgenomen in het vriendenboek Een tachtiger (Amsterdam 2017), volstaat om beter te weten. Die bevat 560 nummers, met grote boeken als Verdeel en heers (1991), Europa’s koloniale eeuw (2002), Frankrijk in oorlog (2006) en, zijn laatste, Scheffer, Renan, Psichari (2017). Maar er staan ook belangrijke bundels historische essays in, Vele ideeën over Frankrijk (1987), Indië verloren, rampspoed geboren (1988), Oorlog lost nooit iets op (1993) en Onder historici (1995). En een veelheid van bundels met lezingen, korte stukken en columns. Het is een echt oeuvre, dat grote inzet en werkkracht vereiste.

Wesseling heeft niet alleen een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, maar vooral een zorgvuldig geschreven oeuvre. Wie weet hoeveel versies zijn boeken kenden ­– vijf, zes steeds weer door mevrouw De Kock of ander engelen uitgetypt –, weet ook hoeveel zorg hij besteedde aan compositie en stijl. Scheffer, Renan, Psychari bijvoorbeeld kent ten minste twee verschillende stilistische registers: een ‘revolutionaire’ stijl, een ‘restauratie’-stijl. Ooit vroeg ik aan Henk waar hij mee bezig was. ‘Zinnetjes maken’, zei hij.

Wat vooral opvalt, is de grote samenhang van dat werk. De breedheid en diversiteit ervan – de monografieën, de essaybundels, de verzamelingen columns – wordt gedragen door één stem. Je hoort Henk Wesseling in alles wat hij schreef praten. Geschiedenis zoals hij het vak beoefende, was een manier van bestaan, een houding, een levensvorm.

Je hebt verschillende van die vormen, een ondernemende (‘entrepreneurial’), een juridische, een filosofische (of theologische), een exact wetenschappelijke. De historische is ook zo’n ‘houding’, een hele oude, en Henk Wesseling belichaamde haar op een manier die een oud metier past. Hij was wat je een ‘traditioneel’ historicus kunt noemen. Hij was zoals hij het zelf omschreef, ‘historicus van beroep, maar geen beroepshistoricus’. Al zijn nieuwsgierigheid naar nieuwe methoden, nieuwe stromingen en nieuwe theorieën ten spijt, hij bleef een collega van Thucydides.

In dat metier stonden twee dingen centraal: de manier waarop de dingen veranderen, van traag naar snel, van toen naar nu, en de rol van individuen. Een historicus naar de aard van Henk Wesseling is iemand die nadenkt over zijn eigen tijd. Zijn werk geeft de historische dimensie van de wereld van nu, van het Europa dat we beleven, van de internationale verhoudingen die we zien ontstaan.

Daarbij mengt hij wetenschappelijke distantie met een onmiskenbaar mededogen. ‘Het schokkendste van de deling van Afrika is misschien niet wat men deed,’ schrijft hij in Verdeel en heers, ‘maar de lichtzinnigheid waarmee men het deed.’ Hij besloot het boek met de ‘trieste’ gedachte, ‘dat het Europese kolonialisme in Afrika, dat de Afrikanen thans zo schadelijk beschouwen, van zo weinig beteknis is geweest voor Europa zelf.’

In dit alles gaat het werk van Wesseling vooral over ‘mensen en hun motieven’. In een essay dat mij erg lief is omdat hij het schreef voor mijn afscheidsbundel, zei hij het zo: ‘Al vanaf Soldaat en krijger is mijn historisch werk vooral gericht op de reconstructie van gedachten en besluiten.’ ‘Rethinking past thought’, citeerde hij Collingwood die hij in zijn studententijd las. ‘History is the reenactment of past experience.’

Een historicus in die omschrijving is niet een vakgeleerde maar een intellectueel. Wesseling omschreef ooit Raymond Aron, voor wie hij een grote sympathie had, als ‘een zeer onfranse intellectueel’. Zelfs zou je hem ook ‘een zeer onhollandse intellectueel’ kunnen noemen, op grond van dezelfde omschrijving die hij voor Aron gebruikte: ‘Hij was, in de volksmond, “rechts”, op zijn best liberaal, op zijn gunstigst een non-conformist, een echte bourgeois, zij het een intelligente en soms met onorthodoxe ideeën.’

Als zodanig had hij, evenals Aron, iets heel anders kunnen zijn. Op zijn begrafenis zei een zwager van hem dat Henk evengoed een carrière had kunnen maken in het bedrijfsleven. Het gemak waarmee hij organiseerde (zijn eigen instituut IGEER, Instituut voor de Geschiedenis van de Europese Expansie en de Reacties daarop) en bestuurde (het NIAS, waar hij rector van was) zijn daar de bewijzen van.

Hij had er ook het netwerk voor. De omvang ervan en het kennelijke plezier waarmee hij het opbouwde en in dienst zette van de functies die hij uitoefende zijn een studievoorbeeld van sociaal succesvol manoeuvreren. Zo heb ik Henk ook leren kennen: hij kwam bij me om me voor te stellen aan Bob Darnton, die hij naar Nederland had gehaald. En dat was heel gezellig, maar het was tegelijk wel de bedoeling dat ik een recensie schreef over The Business of Enlightenment, het boek dat Darnton net geschreven had over de Encyclopédie.

Op die begrafenis vertelde Leo Overmars, een van Henk’s oudste vrienden, over hoe ze samen tennis speelden. Dat was nieuw voor mij. Henk wekte de indruk dat bridge de zwaarste inspanning was die hij ooit op sportgebied verrichtte. Omdat Overmars veel beter was, stelde Henk een kleine wijziging van de regels voor. ‘Out’ werd niet bepaald door de krijtlijnen, maar door zijn ‘reach’. Het was de bedoeling dat Overmars de ballen niet zo ver mogelijk bij Henk vandaan maar juist in zijn buurt zou doen belanden. Dat was ook zo ongeveer de bedoeling van zijn netwerk.

Of hij het naar zijn zin gehad zou hebben in het bedrijfsleven weet ik niet. Wel zou hij goed tot zijn recht zijn gekomen, denk ik, in de diplomatieke dienst. Het tijdloze standaardwerk over de diplomaat, Het boek van de hoveling, van Baldassar Castiglione, is heel goed leesbaar als een psychologisch portret van Wesseling, vooral waar het een omschrijving geeft van het begrip sprezzatura. ‘Een zekere achteloosheid’, zo omschrijft Castiglione dat, in de vertaling Anton Haakman, ‘waarmee men verbergt hoe knap men is en de indruk wekt dat wat men doet en zegt, zonder moeite en bijna achteloos doet en zegt.’

Iedereen weet, zegt Castiglione, hoe moeilijk het is iets ongewoons te doen, ‘zodat het gemak waarmee men het lijkt te verrichten grote bewondering wekt.’ Zweet en tranen, alles op haren en snaren zetten, dat werk niet. ‘Daarom kunnen we zeggen dat wie de ware kunst beheerst, de indruk wekt dat het geen kunst is.’ Celare artem, de kunst om de kunst te verbergen, daar gaat het om. Wie de geschiedenis ervan wil naslaan, leze het fascinerende boekje van Paolo D’Angelo (Sprezzatura. Conceiling the Effort of Art From Aristotle to Duchamp).

‘Facilement, facilement,’ placht Chopin tegen zijn studenten te zeggen. Henk Wesseling zei het tegen ons.