Alle berichten van M. Olnon

De lessen van Robert B. Silvers en The New York Review

Eind april vertrok Merlijn Olnon, hoofdredacteur van de Nederlandse Boekengids (dNBg), met een reisbeurs van het Nederlands Letterenfonds voor een werkbezoek naar New York. Eenzelfde bezoek aan Londen staat gepland voor deze zomer, met eind dit jaar nog een tweede bezoek aan New York.

Al vrijwel sinds het eerste nummer in februari 1963 wordt The New York Review of Books (NYRB) – volgens sommigen naast The Times Literary Supplement (TLS) en, sinds 1979, The London Review of Books (LRB) – beschouwd als hét tijdschrift voor het review essay: de door oprichtend redacteuren Robert B. Silvers en Barbara Epstein tot literaire kunstvorm verheven essayerende boekbespreking, waarin wetenschappers met een scherpe pen en schrijvers met een scherpe geest (in gelukkige gevallen verenigd in één en dezelfde persoon) nieuwe boeken naast hun eigen ervaring en de actualiteit leggen, om ieder onderwerp zo in de volle breedte en in uiterst leesbare vorm aan hun lezers te presenteren. Wat kan de dNBg als Dutch Review of Books uit de eerste hand van deze rijke traditie leren? Het korte ziekbed en plotselinge overlijden van Silvers in maart plaatste het voor april-mei geplande werkbezoek opeens in een heel ander, niet minder onthullend, licht.

Het is bij binnenkomst op het kantoor zo stil dat je een speld zou kunnen horen vallen. Tenminste, had er geen doorsnee grijs kantoortapijt gelegen. Links van me een verplaatsbare wand met de eredoctoraten van Silvers (1929-2017), van het allereerste nummer tot zijn dood op 20 maart de drijvende kracht achter het meest toonaangevende literaire – en politieke, wetenschappelijke, culturele – tijdschrift ter wereld. Rechts van me staat een ronde keukentafel met een wit tafelkleedje erop, daarachter een onbemande receptiebalie en een diepe pijpenla van een postkamer waar twee medewerkers druk bezig zijn met wat de afwikkeling van de zojuist van de drukker gekomen jaargang 54, nummer 8 moet zijn, het tweede nummer in het bestaan van het blad dat niet onder Silvers’ redacteurschap ‘naar bed gebracht’ werd. Voorbij de postkamer ligt een reeks aan het zicht onttrokken ruimtes achter witte tussenwanden, met links de redactieruimten en rechts die van de uitgeverij. Voor me strekt zich een aantal open huiskamerachtige ruimtes uit. Dit doodnormale kantoor in de New Yorkse Village is het thuis van The Review en zijn circa dertig medewerkers.


Essay uit dBNg 2017#3 (een eerdere versie van dit essay werd 26 mei gepubliceerd op nrc.nl


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder De lessen van Robert B. Silvers en The New York Review

16 juni: Bloomsday!

Op 16 juni is het weer zover: Bloomsday. Bloomsday is de dag die wordt beleefd door Leopold Bloom, de held van Ulysses, de befaamde roman van James Joyce die zich afspeelt binnen een etmaal – op 16 juni 1904. Doordat hij wordt gadeslagen en vooral door wat hij denkt, mompelt, zegt en schrijft komen we als lezers te weten wat Bloom bezighield tijdens zijn miniatuur-odyssee, die bestaat uit omzwervingen door Dublin. Joyce besteedde daar een kwart miljoen woorden aan, niet bepaald het format van een bestseller, maar de bespiegelingen van Bloom werden op zo’n oorspronkelijke, vrolijke en scherpzinnige manier gepresenteerd dat het boek uitgroeide tot een monument. Door Luuc Kooijmans.

In Dublin wordt de dag jaarlijks gevierd en er is geen evenement dat niet is voorzien van een woordspeling op zijn naam. Dat is in stijl natuurlijk (zijn tweede beroemde boek, Finnegans Wake, is een grote woordspeling), maar over het enthousiasme voor de viering in Dublin zou de schrijver misschien wel wat schamper hebben moeten lachen. Het duurde jaren voor hij er een boek uitgegeven kreeg. Ulysses werd uitgebracht in Parijs, want in Dublin vond men het boek schokkend immoreel. Verstikkend conventioneel vond Joyce er de atmosfeer, dodelijk voor de kunstenaarsziel. Voor hij 23 was had hij de stad verlaten en hij keerde er nooit meer terug.


Essay uit dBNg 2017#3 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder 16 juni: Bloomsday!

Voorbij fort Europa

De vluchtelingencrisis is niet voorbij, maar min of meer uit het zicht verdreven. Met hulp van autocratische landen worden vluchtelingen op afstand gehouden. Maar de Europese Unie betaalt een hoge prijs voor deze manier van optreden, stellen Henk van Houtum en Leo Lucassen.

In het felle en nog niet uitgewoede debat over de begrenzing van de EU hebben grensonderzoeker Van Houtum en migratiehistoricus Lucassen zich afzonderlijk en soms samen flink geroerd, met ingezonden stukken, optredens voor radio en tv en tientallen lezingen. Ze gingen de strijd aan met wat ze beschouwen als misvattingen, misleiding en onterechte angstbeelden en stelden een opener houding tegenover migranten voor. In oktober verschijnt hun boek Voorbij Fort Europa, waarin ze de crisis in haar historische context plaatsen, de ontwikkelingen van de afgelopen tijd analyseren en een alternatieve visie presenteren. Door Addie Schulte.

Ieder van de twee heeft een eigen benadering van het onderwerp. Henk van Houtum, hoofd van het Centre for Border Research van de Radboud Universiteit in Nijmegen en hoogleraar Interdisciplinary Border Studies aan de University of Eastern Finland, stelt vooral fundamentele vragen over de rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid van grenzen en ziet de omgang met migranten duidelijk ook als een mondiale en morele kwestie. En hij benadrukt in zijn boek Grensland (2013) dat grenzen politieke constructen zijn. Leo Lucassen, directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en hoogleraar Global Labour and Migration History aan de Universiteit Leiden, is naar eigen zeggen ‘meer technocratisch’ ingesteld. Hij hanteert vooral de geschiedkundige aanpak, zoals eerder met zijn broer Jan in het boek Winnaars en verliezers (2011) over migratie in Nederland.


Interview uit dBNg 2016#4 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Voorbij fort Europa

ingezonden: ‘It’s Islam, stupid’

Image result for 9789492161031Niklas Anderberg las Michiel Leezenbergs bijdrage aan de Nederlandse Boekengids 2017#2 en bleef haken achter de verwijzing naar Wim van Rooy en diens ontkenning van het bestaan van een islamitische filosofie in Waarover men niet spreekt. Bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam. Hij daalde af in Van Rooy’s catacomben en schreef na terugkeer bij wijze van ingezonden brief het volgende reisverslag.

Lees verder ingezonden: ‘It’s Islam, stupid’

Menselijkheid in het robottijdperk

Begin deze maand maakte de ING-bank bekend dat zij ondanks een recordwinst ruim vijftien procent van het personeelsbestand zal schrappen. Toenemende digitalisering maakt die stap volgens de ING zowel noodzakelijk als mogelijk, waarmee de bank meegaat in de trend die software-ondernemer Martin Ford op populairwetenschappelijke wijze probeert te duiden. De ‘opmars van robots’ en andere informatietechnologie is een feit, maar hoe ermee om te gaan? In ieder geval niet door ons zonder meer mee te laten voeren op deze golf. Door Cees Zweistra.

De antwoorden op die vraag lopen sterk uiteen, van zeer kritisch (bijvoorbeeld schrijver Nicholas Carr, populair-filosoof Evgeny Morozov en filosoof-psycholoog Sherry Turkle) tot lyrisch-utopisch (zoals bijvoorbeeld Google’s Eric Schmidt). Grofweg kan gezegd worden dat de critici technologie zien als een belangrijke sociale en politieke macht, terwijl de utopisten technologie vooral beschouwen als een instrument waarmee de efficiëntie waaraan westerse economieën hun welvaart te danken hebben, verder vergroot kan worden. Omdat hij technologie uiteindelijk niet kritisch kan (of wil) benaderen, behoort Ford tot die laatste groep. Dat heeft nogal wat consequenties voor de geloofwaardigheid van zijn boek.


Essay uit dBNg 2016#5


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Menselijkheid in het robottijdperk

Russische hoop

Wie de Russische president Vladimir Poetin heeft leren vrezen, maakt zich grote zorgen over het aantreden van Donald Trump als Amerikaans president: beiden zijn autocraten, achter wier verachting van burgerlijke vrijheden en democratie, een nietsontziend streven naar persoonlijke macht en gewin schuilgaat. Vrijheidslievende Rusland-deskundigen roepen op tot actief verzet en burgerzin, voor het te laat is in de Verenigde Staten en daar – net als in Rusland – de Amerikaanse civil society op de knieën wordt gedwongen met leugens in de media en een meeslepend beroep op archaïsche, xenofobe en militaristische sentimenten. Ruslandkunde wordt fuck-Trumpologie. Door Raymond van den Boogaard.

De Russisch-Amerikaanse journalist Masha Gessen, auteur van onder andere de Poetin-biografie De man zonder gezicht en Het woord als wapen, het beste boek over de feministische activisten van Pussy Riot, was er het eerste bij. Autocracy: Rules for survival heette haar stuk op de site van de New York Review of Books, twee dagen na Trumps onverwachte verkiezingsoverwinning, toen tegenstanders als Clinton en Obama zich nog sportieve verliezers wilden betonen en velen de (inmiddels voos gebleken) hoop koesterden dat de rouwdouw Trump van de campagne zich zou ontpoppen tot een geciviliseerde president. Laat je niet in de luren leggen, betoogde Gessen, verwijzend naar de manier waarop Poetin – in het bijzonder sinds zijn herverkiezing in 2012 – korte metten heeft gemaakt met al wat zijn macht kan bedreigen – schijnprocessen en politieke moorden niet schuwend. Gessen stelde een reeks regels op: laat je niet in de luren leggen door de autocraat, want hij meent wat hij zegt; laat je niet bedotten door kleine tekenen van normaliteit die slechts de voorbode van grotere wandaden zijn; denk niet dat de instituties je wel zullen beschermen, want de autocraat zal die onttakelen. Wapen je, moreel, en stel je in op verzet.


Essay uit dBNg 2017#2

     


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Russische hoop

Kunst tussen bewustzijn en ‘onbewustzijn’

Wanneer de natuurwetenschappen zich op het terrein van de geesteswetenschappen wagen, klinkt al gauw het verwijt dat zij ‘reductionistisch’ te werk gaan. In zijn nieuwe boek Ons creatieve brein verweert Dick Swaab zich tegen dit verwijt. Een neurobioloog die in de hersenen speurt naar de fysieke bron van onze schoonheidservaring, kan nog best zelf dingen mooi vinden. Of, als zijn object de liefde betreft, zelf verliefd worden. Arnold Heumakers twijfelt er geen moment aan, maar wijst er op dat argwanende geesteswetenschappers iets anders bedoelen als zij hun collega’s uit de bètawetenschappen van reductionisme betichten. Door Arnold Heumakers.

Wat geesteswetenschappers dwarszit, is een vorm van extreme eenzijdigheid: ingewikkelde fenomenen die worden teruggebracht tot een al te simpele kern, onder verwaarlozing van alle andere aspecten. Een goed voorbeeld hiervan zijn de darwinisten die zich sinds de jaren negentig van de vorige eeuw met literatuur en kunst bezighouden. Zij kunnen vanuit evolutionair perspectief uitstekend verklaren waarom mensen verhalen vertellen, muziek maken of tekeningen vervaardigen. Verhalen versterken de empathie die onze sociale aard vereist, en net als muziek stimuleren ze de onderlinge cohesie. Beeldende kunst creëert een virtuele werkelijkheid, die we met magie en ritueel beter aankunnen dan de ongrijpbare echte werkelijkheid.


Essay uit dBNg 2017#2

   

   


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Kunst tussen bewustzijn en ‘onbewustzijn’

Een rationele en liefdevolle islam: de filosofie van Souleymane Bachir Diagne

Een boek dat een eyeopener kan zijn voor het Nederlandse islamdebat: Filosoferen in de islam? van de Senegalese filosoof Souleymane Bachir Diagne, over de rol van de rede en de liefde in de islam. Michiel Leezenberg verwelkomt dit ‘pleidooi voor een dialoog tussen de islam en het moderne denken’, maar vraagt zich daarbij af waar de wegen van islamitische filosofie en theologie van elkaar scheiden. Wat is moderniteit in de islam precies? En is de rede voor Diagne niet al te heilig? Door Michiel Leezenberg.

Een van de opvallendste kenmerken van wat in Nederland nog altijd eufemistisch ‘het islamdebat’ wordt genoemd, is de totale minachting voor historische feiten die eruit spreekt. Elk beroep op de realiteiten van de islamitische wereld – of dat nu de afwezigheid van een kerk is, de eeuwenlange praktijk van tolerantie ten aanzien van religieuze minderheden (die zelfs door Voltaire in zijn Traité sur la tolérance werd geprezen, en aan de Franse koning ten voorbeeld werd gesteld), of het bestaan van een traditie van filosofisch denken en van publieke debatten (moenâzarât) over theologische kwesties – wordt door zelfbenoemde islamcritici achteloos terzijde geschoven als ‘apologetisch’. Zelfs het bestaan van, en het historische belang van, een filosofische en wetenschappelijke traditie in de islam wordt door deze islamofoben glashard ontkend. [1]


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Een rationele en liefdevolle islam: de filosofie van Souleymane Bachir Diagne

Zeker als je nog niks hebt, kun je heel veel riskeren

Kunstenaars die van hun kunst kunnen rondkomen zijn in Nederland een schaars goed. Recente publicaties proberen de dialoog over de erbarmelijke arbeidsvoorwaarden van kunstenaars te openen, maar het is de vraag of zij daarin slagen. Harm Hendrik ten Napel ziet in de zzp’ende artiest die moet zwoegen en bijklussen om het hoofd boven water te houden een extreem voorbeeld van een veel bredere tendens: de precarisering van de werkende Nederlander. Door Harm Hendrik ten Napel.

‘Eigenlijk zijn wij geen van tweeën het standaardverhaal,’ stelt schrijver en beeldhouwer Maria Barnas tegenover Anne Vegter, de ex-Dichter des Vaderlands. In het eerste interview van Het laatste taboe, een bundeling gesprekken over kunstenaarschap en inkomen, stellen de twee zo vast dat hun perspectief op deze thema’s niet zo relevant is. ‘Interessanter zijn eigenlijk,’ gaat Barnas verder, ‘de mensen die jarenlang proberen en proberen en hun werk niet zichtbaar krijgen. Dat is echt een probleem.’ Hiermee verwoordt ze precies het probleem van dit eerste deel van ‘Het kabinet’, een serie essayistische publicaties van Van Oorschot. Het doel van de gesprekken – een prikkelende dialoog te openen over de slechte financiële situatie van kunstenaars in Nederland – wordt tegengewerkt door de opzet van de interviews.


Essay uit dBNg 2017#2

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Zeker als je nog niks hebt, kun je heel veel riskeren

De man Montaigne

‘Dit lezer, is een eerlijk boek. Het waarschuwt U al direct dat ik het uitsluitend voor privé-doeleinden en huiselijk gebruik bestemd heb. Ik heb geen moment gedacht aan het nut voor U of aan mijn eigen glorie. Zo’n opzet zou mijn krachten te boven gaan.’ Met deze bescheiden woorden opende Michel de Montaigne zijn beroemde Essais, waarmee hij een heel nieuw literair genre schiep en zichzelf presenteerde als de sceptische intellectueel die zich had teruggetrokken uit een wereld die werd geregeerd door hebzucht, machtswellust en het verlangen naar roem. In plaats daarvan ging hij op zoek naar kennis, inzicht en wijsheid. Zo is het beeld ontstaan van Montaigne, zittend in het torentje van zijn château waarvan hij de balken had laten beschilderen met citaten uit de klassieken, met grote distantie en scherpzinnigheid nadenkend over de condition humaineDoor Rob Hartmans.

Het is vaak deze Montaigne die literatoren en filosofen ons tonen. Zij zien in zijn Essais niet zelden een materiaalverzameling voor het ultieme zelfhulpboek (zie bijvoorbeeld de bestseller van Sarah Bakewell uit 2010, waarin uit Montaignes werk een soort ‘levenskunst’ wordt gedestilleerd). Mensen die dit beeld graag overeind willen houden, en weigeren te twijfelen aan de oprechtheid van Montaignes woorden aan de lezer, kunnen de vuistdikke biografie van Philippe Desan beter niet lezen. Dat Desan Montaignes leven geheel anders bekijkt blijkt al uit de ondertitel van de oorspronkelijke Franse editie: Une biographie politique. Desan laat overtuigend zien dat Montaigne, afkomstig uit een geslacht van rijke handelaren die hartstochtelijk verlangden naar adellijke status, er alles aan deed om de maatschappelijke ladder te bestijgen. Door uitvoerig onderzoek te doen naar de politieke instituties en machtsverhoudingen, en zeer nauwgezet de verschillen tussen de diverse edities van de Essais te bestuderen, schildert de biograaf het beeld van een man die allesbehalve een onthechte denker was.


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder De man Montaigne

‘Making sense of an overheated world’

Nu het werk van zijn onderzoeksgroep in het kader van het interdisciplinaire onderzoeksproject ‘Overheating: The three crises of globalisation. An anthropological history of the early 21st century’ (European Research Council 2011 advanced grant) voltooiing nadert, weet Thomas Hylland Eriksen het zeker: zonder verregaande interdisciplinaire samenwerking op alle niveaus van onderwijs en onderzoek zal de mensheid er hoe dan ook niet in slagen de drie gelijktijdige crises van de globalisering – de economische, de culturele en de klimatologische – het hoofd te bieden. Een kritiek op kennisdomeinen en de academia, én een vurig pleidooi voor radicale interdisciplinariteit en maximale interactie tussen wetenschap, kunst en maatschappij; niet toevallig ook het credo van de Nederlandse Boekengids, door Thomas Hylland Eriksen:

We earthlings of the early 21st century live in an overheated world, a planet characterised by accelerated change. Never before has humanity placed its stamp on the Earth in ways even remotely comparable to the situation today. Global human domination is such that the scientists Paul Crutzen and Eugene Stoermer proposed, already in the 1980s, to name the current geological era the ‘Anthropocene’, based on the realisation that humanity had placed its indelible stamp on the whole planet. If this nomenclature is officially adopted, the Holocene (which began just after the last Ice Age, 11,500 years ago) becomes a very brief interlude in the history of the planet. Be this as it may, we live in an era which, since the onset of the industrial revolution in Europe, is marked by human activity and expansion in unprecedented ways.


Essay uit dBNg 2016#5

 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder ‘Making sense of an overheated world’

A reply to Rob Hartmans

In de Nederlandse Boekengids 2016#4 (augustus) schreef Rob Hartmans in zijn terugkerende rubriek over belangrijke historici en hun oeuvres een kritische bijdrage onder de titel ‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’. Met name in zijn omvangrijke Verlichtingstrilogie (2001-2011), maar ook in andere publicaties, schept Israel een nieuw interpretatiekader waarin de Verlichting in de eerste plaats als een politieke stroming wordt gepresenteerd. In zijn bijdrage (hier terug te lezen) looft Hartmans het werk van Israel, maar herhaalt hij ook de vaker gehoorde kritiek dat Israel zijn interpretatiekader bij tijd en wijlen té rigoureus toe zou passen. Een repliek van Jonathan I. Israel, gevolgd door een dupliek van Rob Hartmans.

“Disagreement is the stuff of academic and intellectual life and there is nothing wrong with heartily diverging on major intellectual questions. But something is definitely wrong when one side to the disagreement misrepresents the other with such a display of inaccuracy and distortion that it gives readers an altogether misleading impression of what the other side is arguing. This brings me to Rob Hartmans’s essay in the Dutch Review of Books (dNBg 2016#4, dated 27 August 2016). In reporting my argument, Hartmans achieves an astounding level of inaccuracy.


Ingezonden brief uit dBNg 2017#1, in reactie op:

Beeld: detail van Spinoza bedreigd door een woedende menigte te Amsterdam, 1667, Noach van der Meer (II), naar Jacobus Buys, 1784 ()


According to his essay, I argue that the authors of the Terror in the French Revolution, Robespierre and his allies ‘behoorden niet tot de radicale maar tot de Gematigde Verlichting.’ Readers need to note that this is totally wrong. On the contrary, the ideology of those responsible for the Terror, I contend, was highly intolerant, permitted no criticism of the regime or freedom of expression, and rejected all Enlightenment values forming a key strand of the populist Counter-Enlightenment. Explaining this incorrectly is not just a mistake on Hartmans’s part but a fundamental distortion since the entire argument of my volumes Democratic Enlightenment and Revolutionary Ideas is built on the thesis that Robespierre, Marat and Montagne rejected outright the values of the democratic republicanism of the Brissotin early French Revolution (1789-93) – and also the values of the moderate Enlightenment – and did their best to destroy the intellectual and political legacy of both.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder A reply to Rob Hartmans

Daar wordt wat groots verricht

Schadeclaims van slachtoffers en een opeenstapeling van ‘onthullingen’ in dag- en opiniebladen. Het Nederlands militair optreden in Indonesië lijkt eindelijk ‘hot’. Maar wie schrijft nu het boek der boeken? Of is het al geschreven? Door Herman Keppy.

Met de pensionering bij de dag- en opiniebladen van hen die Indië nog hebben meegemaakt, lijken we van de ene in de andere onthulling over de strijd in de voormalige kolonie te vallen. Die oude rotten bij de krant zullen hun schouders hebben opgehaald. Is dit nieuws, is het zo onthullend? Maar zij zijn er niet meer en de geschiedenis van Nederlands-Indië is geen nationaal gemeengoed, dus worden we getrakteerd op het ene ‘schokkende’ artikel na het andere. De lezer moet verbaasd, verontwaardigd, beschaamd reageren. Als dat gevoel is weggeëbd, volgt de volgende schreeuwende kop.


Essay uit dBNg 2015#0

  


Het gebrek aan Indiëkenners bij de eindredacties leidt tot het ontbreken van de regulerende kurk op de fles. De geest die eruit wil, wordt vooral ingegeven door de ingediende schadeclaims bij de Nederlandse staat die begonnen met de affaire van de weduwen van Rawagade. Meer claims volgden en dreigen, ze blijven voor commotie zorgen. En de ontsnapte geest werd aangeblazen door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Die wetenschappelijke instituten dienden in 2012 een verzoek in bij de regering om een ‘gezaghebbende beschrijving en analyse op te stellen van het Nederlands militair optreden in Indonesië in 1940-1945’. De aankondiging zorgde voor de gebruikelijke veelheid aan felle reacties vanuit kringen van veteranen en Indo-Europeanen. In de trant van ‘Er is geweld geweest, maar mijn compagnie heeft er zich niet schuldig aan gemaakt’ en ‘Weten jullie wel wat de Indonesiërs ons hebben aangedaan?’ Niet geheel onterecht, dat verweer. Al was het omdat uit het verzoek blijkt dat er niet evenredig aandacht zal worden besteed aan het buitensporig geweld aan Indonesische zijde. Maar de luttele drie miljoen euro die de eerbiedwaardige instituten menen nodig te hebben, werd botweg geweigerd. Kennelijk heeft men er bij de betreffende ministeries meer verstand van.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Daar wordt wat groots verricht

Onkunde, onbegrip en onbehagen: Turkije in Nederland nu

De vierhonderd jaar oude betrekkingen tussen Nederland en Turkije waren nog nooit zo nauw als nu, en nog nooit zo slecht. We zien een re-actualisatie van middeleeuwse vijandbeelden en cliché’s die het zicht op de culturele en politieke realiteit belemmeren. Dit betekent een gevaar voor onze samenleving en leidt tot onnodig veel spanningen tussen de ‘echte’ Nederlanders en de niet minder echte Turkse Nederlanders. Wat is er toch aan de hand? Een pleidooi tegen snelle meningen en reacties en voor kennis en onderzoek. Door Alexander H. de Groot.

Waar, is de vraag, ging het de afgelopen jaren dan mis met de aloude Nederlands-Turkse vriendschap? Meer dan in de betrekkingen op zich of de ontwikkelingen in Turkije, was dat bij de ontwikkelingen binnen de EU en Nederland. Het is redelijk noch verstandig om het eeuwenoude streven naar aansluiting bij het Westen en ‘Europa’ van de Turken ongegrond te verklaren op basis van gebrekkige historische feitenkennis en binnenlandspolitieke preoccupaties. Bovendien… of de Turken nu wel of niet thuishoren in dit deel van de wereld, ze zijn er allang, als landgenoten. Het laat zich aanzien dat het eerder loont ze beter dan slechter te begrijpen.


Essay uit dBNg 2016#5

  

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Onkunde, onbegrip en onbehagen: Turkije in Nederland nu

Lussen of snaren? Op zoek naar kwantumzwaartekracht

In de zoektocht naar een allesomvattende theorie pogen natuurkundigen al sinds Einstein de maar niet op elkaar passende theoretische extremen van het hele grote en het hele kleine – de algemene relativiteitstheorie en de kwantummechanica – in één allesomvattende theorie te verenigen. De heilige graal: een theorie van kwantumzwaartekracht. Onlangs was de Nederlandse natuurkundige Erik Verlinde wereldnieuws met zijn beschrijving van een emergente zwaartekracht. Over de theorie van snaren en ‘ruimtekwanta’ enerzijds, en een niet minder serieus alternatief anderzijds: de theorie van lussen. Door Lennaert Huiszoon.

We doen het elke dag, bewegen. Maar als je er wat langer over nadenkt, ontdek je iets vreemds. Want, om een meter af te leggen moet je eerst een halve meter afleggen, daarna een kwart meter, daarna een achtste meter, daarna een zestiende meter, et cetera. En omdat elke afstand een eindige tijd duurt, en er zo een oneindig aantal afstanden zijn af te leggen, heb je een oneindige hoeveelheid tijd nodig om een meter af te leggen. Dit is in tegenspraak met onze waarneming. Wiskundigen hebben bovenstaande paradox al lang opgelost. Zij kunnen bewijzen dat de oneindige som een eindig antwoord geeft. Maar is dit wat er werkelijk gebeurt als je beweegt? Kan de ruimte in steeds kleinere stukjes worden opgedeeld? Is de ruimte continu? Op dit soort vragen probeert de Italiaanse natuurkundige Carlo Rovelli (1956) in Reality is not what it seems antwoord te geven.


Essay uit dBNg 2017#1

omslag reality is not what it seems omslag zeven korte beschouwingen over natuurkunde


Zijn boek is tot op zekere hoogte een standaard populairwetenschappelijke vertelling over de moderne natuurkunde, met ruime aandacht voor de historische context. In het eerste deel komt Newtons klassieke mechanica aan bod, Maxwells elektromagnetisme, Einsteins relativiteitstheorie en de kwantumtheorie van Bohr, Heisenberg en Dirac. Vaak weet Rovelli deze standaardkost toch origineel te belichten of met goede anekdotes te spekken. Hij heeft ook veel aandacht voor een aantal minder bekende natuurkundigen, zoals de Belgische priester LeMaître (de bedenker van de oerknaltheorie) en de tragisch jonggestorven Bronstejn (waarover later meer). Maar de held van het verhaal is ongetwijfeld Democrites, de Griekse filosoof die honderden jaren voor het begin van onze jaartelling de ‘atoomhypothese’ opstelde. Deze hypothese zegt dat alles is opgebouwd uit ondeelbare eenheden, atomen genaamd. Steeds legt Rovelli de nieuwe inzichten van de natuurkunde naast de ideeën van Democrites.

Wat het boek uniek maakt is echter het hoofdonderwerp, de lustheorie. Lustheorie is een mogelijke theorie van de ‘kwantumzwaartekracht’ en daarmee dus een concurrent van de veel bekendere (en in het veld qua gezag en funding beter gepositioneerde) snaartheorie.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Lussen of snaren? Op zoek naar kwantumzwaartekracht

Waarom de een zweert bij figuratieve kunst en de ander bij abstracte

Anders dan wij vaak denken is onze persoonlijke voorkeur voor figuratieve dan wel abstracte kunst niet alleen een functie van onze culturele en intellectuele ontwikkeling, maar hangt die nauw samen met de bedrading en werking van ons hele visuele systeem, een complex tweerichtingsverkeer tussen ons oog en delen van ons brein. Hoe dat tweerichtingsverkeer verloopt verschilt van persoon tot persoon, en bepaalt in belangrijke mate onze kunstopvatting – én hoe wij de wereld om ons heen aanschouwen: zoekend naar herkenning of naar nieuwe verbanden. Door Jaap Goudsmit.

In 2016 zagen twee boeken over kunst en hersenwetenschap het licht. Het ene boek is van de psychiater en neurobioloog Eric Kandel, die in 2000 de Nobelprijs kreeg voor zijn onderzoek naar de leermogelijkheden en het geheugen bij zeeslakken, en het inzicht dat dat verschaft in de werking van het menselijk brein. In zijn boek Reductionism in Art and Brain Science bouwt Kandel voort op zijn vroege keuze om het geheugen van ongewervelde dieren te bestuderen om zo iets te leren over de mens – een strategie die hem in zijn vroege carrière ernstig was afgeraden. Hoe kon je nu iets leren van de werking van het geheugen bij slakken dat van enige betekenis zou kunnen zijn voor het begrip van de werking van de hersenen bij de mens? Dat bleek achteraf veel meer te zijn dan iedereen voor mogelijk had gehouden.


Essay uit dBNg 2017#1

omslag reductionism in art and brain science omslag ons creatieve brein


Deze zeer reductionistische visie, die Kandel en de wereld uiteindelijk geen windeieren legde, past hij in zijn nieuwste boek toe op de neurobiologische benadering van kunst. Reductionisme wordt door Kandel gedefinieerd als het destilleren van grotere wetenschappelijke en esthetische concepten uit het ontleden van kleinere, makkelijker te bestuderen onderdelen. Kandel beschouwt abstracte kunst – met Mondriaan, de Kooning en Rothko als ultieme exponenten – als een reductionistische, en tot op zekere hoogte hogere, kunstvorm. Tegelijkertijd denkt hij dat juist deze kunstvorm bij uitstek geschikt is inzicht te geven in het menselijk vermogen om kunst te maken en te waarderen.

Het tweede boek over kunst en neurobiologie is van de hand van Dick Swaab. Onder de titel Ons creatieve brein. Hoe mens en wereld elkaar maken wordt een haast holistische visie op kunst maken en waarderen gegeven. Holisme is in wezen het tegenovergestelde van reductionisme en benadrukt dat de eigenschappen van iets ingewikkelds als de mens niet slechts de som is van zijn onderdelen. …

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Waarom de een zweert bij figuratieve kunst en de ander bij abstracte

Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann

Met de spierballenretoriek van Putin, Trump en de populisten in hun schaduw lijken we plotsklaps een heel nieuwe politieke realiteit te hebben betreden. ‘Lijken’, want het spreken en denken over politieke stijl, naties en samenlevingen als mannelijk of vrouwelijk is zo oud als de politiek zelf, net als het wisselen van die genderrollen overigens – tot ver in de 20ste eeuw wreef het Westen het Oosten bijvoorbeeld nog zwakheid, verwijfdheid en decadentie aan, terwijl dat tegenwoordig precies andersom is. [1] En dat juist deze drie termen zo vaak in één adem genoemd worden, is veelzeggend… het was niet zomaar dat tijdgenoten Hitler zo vaak een hystericus noemden. De manier waarop ook Thomas Mann (1875-1955) nationale politiek in verband bracht met gender, erotiek en met name homoseksualiteit, biedt niet alleen een verhelderende kijk op zijn leven en zijn werk, maar bovendien op zijn tijd en de onze. Een literair-historisch perspectief bij de eeuwige terugkeer van het politieke geschreeuw. Door Olivier Boehme.

In 1946 schreef Mann dat de Duitsers ‘een homo-erotisch’ volk waren. [2] Zo staat het er, zwart op wit. Die bewering, die deel uitmaakt van een reflectie over de liquidatie van Sturmabteilung (SA)-leider Ernst Röhm door zijn voormalige medestander Adolf Hitler, deed Mann niet bij wijze van gril. Aan dat oordeel gingen heel wat expliciete en impliciete beschouwingen over het erotische karakter van het Duitse volk en zijn geschiedenis vooraf. Het oeuvre van één van de grootste Duitse schrijvers van de twintigste eeuw vormt dan ook een monumentaal commentaar op de Duitse geschiedenis en cultuur. (De noten bij dit essay zijn ook buiten Blendle om te lezen onder deze link.)


Essay uit dBNg 2017#1

Doctor Faustus Image result for 9789028426825 Image result for 9789029586191 Image result for 9789029567633


Mann werd kort na de oprichting van het Tweede Duitse Keizerrijk (in 1871) geboren en stierf enkele jaren na de totstandkoming van West- en Oost-Duitsland, te midden van de Koude Oorlog. Hij begeleidde en becommentarieerde die bijzonder bewogen tijdspanne in zijn literaire en kritische werk. De schrijver, die vooral na 1933 uitgroeide tot symbool van het ‘goede Duitsland’ en toonbeeld van een democratische en tolerante versie van zijn land en cultuur, leverde zijn benadering van ‘het Duitse’ met een toenemende autoriteit. Dat neemt niet weg dat zijn werk niet alleen een sterk politieke, maar ook een onmiskenbaar erotische dimensie kende. Manns duiding blijkt sterk verweven met ideeën over hoe homo-erotiek zich manifesteerde in de Werdegang van de natie waar hij tegen wil en dank toe behoorde.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann

LTI17: de taal van het Derde Rijk, anno 2017

Eén van de voornaamste slagvelden van een samenleving of gemeenschap in hevig conflict met zichzelf is de taal die gesproken wordt. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend – toch is het verbazingwekkend om te zien hoe schijnbaar ongemerkt en zonder veel weerstand de taal die Westerse politici en opiniemakers spreken gedurende het afgelopen decennium is getransformeerd. De taal van het populisme is gemeengoed geworden: niet alleen door de retorische vaardigheid van haar sprekers, maar ook door de zeer vruchtbare voedingsbodem waarin dat idioom niet zelden landt. Maar met de verandering van het idioom verandert ook het politieke en morele landschap waar die taal naar verwijst. Het doet ertoe, bijvoorbeeld, of er over migratie wordt gesproken als een vraagstuk over rechtvaardigheid, of als een bedreiging voor de gezondheid van een land of samenleving. In Europa en de Verenigde Staten wordt in toenemende mate over migratie gesproken in termen van catastrofe en natuurramp; over mensen als dragers van gevaarlijke, subversieve aandoeningen – of dat nu een religie is, of lichamelijke driften, of een cultuur die erop uit is om alles wat goed is te ondermijnen. Is dat overdreven (met de suggestie dat het wat onschuldiger is dan het misschien klinkt)? Of moeten we ons daar veel meer zorgen over maken dan we lijken te doen?  Door Thijs Kleinpaste.

Grote politieke en humanitaire catastrofes beginnen er doorgaans mee dat mensen niet langer worden voorgesteld als menselijk. Wie erin slaagt om bootvluchtelingen niet als mensen voor te stellen, maar als invasie, heeft niet alleen het zicht op de realiteit veranderd, maar ook de morele opdracht die aan die blik ten grondslag ligt: een invasie is dan niet een opdracht tot hulp, maar tot afweer. Verander de taal, verander de wereld. Door de werkelijkheid opnieuw te formuleren verdwijnen en verschijnen politieke en morele dilemma’s, al naar gelang het de spreker uitkomt. Als een humanitair probleem niet langer een humanitair probleem is, verdwijnt ook de morele imperatief het op te lossen. Taal is een wapen – en woorden zijn precies zo onschuldig of schuldig als de gewetens waarin ze ontstaan. Wat betekent dat?


Essay uit dBNg 2017#1

omslag 9783150203651 omslag 9789045002996 omslag LTI


Trump en de taal van het Derde Rijk

Het standaardwerk over de fnuikende corrumpering van een samenleving door de taal die er gesproken wordt is LTI: Notizbuch eines filologen (1947) door de Duits-Joodse filoloog Victor Klemperer, over de ‘Lingua Tertii Imperii’, oftewel de taal van het Derde Rijk. Van alle akelige anekdotes uit dat boek blijft bij herlezing de volgende het langst hangen: een collega drukt hem, niet lang voor de definitieve machtsovername van Adolf Hitler in Duitsland, op het hart dat het hele gedoe over de Joden er alleen is voor propagandadoeleinden. ‘Wacht maar. Als Hitler eenmaal aan het roer staat is hij veel te druk om de Joden steeds te beledigen.’

De onderschatting die de collega maakt, wordt ook nu gemaakt en wijst op het onvermogen van doorgaans toch heel verstandige mensen om te verinnerlijken dat het ‘gedoe’ over deze of gene (etnische) minderheid geen propaganda of politieke strategie is, maar gemeend. Niemand is te druk om de daad bij het woord te voegen als die woorden ernst zijn.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder LTI17: de taal van het Derde Rijk, anno 2017

Thierry Baudet en de erfenis van de jaren dertig

Eind vorige zomer transformeerde Thierry Baudet zijn eurosceptische denktank Forum voor Democratie in een politieke partij, klaar om vanaf komende maart een Nexit voor te bereiden. Zelf groeide Baudet in de afgelopen jaren van een conservatieve veelschrijver uit tot een markante woordvoerder voor een politieke stroming die zich in populariserende catchphrases afzet tegen ‘Europa’ en oproept het ‘eigene’ te omarmen. Simplistische vergelijkingen met het verleden zijn weliswaar gevaarlijk, maar volgens Rob Hartmans kan deze stroming wel degelijk historisch worden geduid. Door Rob Hartmans.

Eind 2013 publiceerde ik een bundel met essays over intellectuelen en hun bemoeienissen met de samenleving en politiek van hun dagen. Het boek opende met een stuk over Erasmus en eindigde met een beschouwing over een rijzende ster aan het vaderlandse intellectuele firmament: Thierry Baudet. [1] Omdat het stuk over Baudet nogal kritisch was uitgevallen  leek het me fair en boeiend om tijdens de presentatie van boek in debat te gaan met de jeugdige intellectueel. Na afloop van de pittige maar beschaafde discussie liep Baudet af op een kleine, oudere dame in het publiek en zei tegen haar dat het hem was opgevallen dat ze vaak nogal afkeurend naar hem had gekeken. ‘Ach, weet u, meneer,’ zei deze toen 98-jarige dame, die inmiddels de enige persoon ter wereld moet zijn die kan zeggen dat ze nog met Trotski heeft gecorrespondeerd, ‘ik ben figuren zoals u eerder tegengekomen, in de jaren dertig in Parijs, en wij noemden hen toen fascisten.’ (De noten bij dit essay zijn ook buiten Blendle om te lezen onder deze link.)


Essay uit dBNg 2017#1 (Dit essay verschijnt zij-aan-zij met dit interview met Thierry Baudet door Arthur Eaton. Beide bijdragen kwamen geheel onafhankelijk van elkaar tot stand.)

omslag breek het partijkartel omslag oikofobie omslag de aanval op de natiestaat omslag conservatieve vooruitgang


Er ging een zekere huivering door de omstanders, en ook ikzelf voelde me ongemakkelijk bij deze opmerking. Wie het populisme en andersoortige aanvallen op het liberaal-democratische bestel vergelijkt met wat er in het Interbellum gaande was, krijgt al snel te horen dat hij of zij de plank volledig misslaat en doelbewust bezig is met het ‘demoniseren’ van politieke tegenstanders. Op deze manier komt immers de slagschaduw van ‘Auschwitz’ over het debat te hangen, waarna de zaak zo verduisterd wordt dat van een zinvol gesprek geen sprake meer kan zijn. De ‘Wet van Godwin’ in optima forma.

Toch is er alle reden om serieus te kijken naar wat deze dame zei, en naar wat ze níet beweerde. Ze zei immers niet dat Baudet een fascist was, dat hij de politieke doelstellingen en middelen van het fascisme uit de jaren dertig propageerde. Ze had het niet over Duitsland en het nationaalsocialisme, maar over Frankrijk en de welig tierende vreemdelingenhaat en de antidemocratische bewegingen die daar actief waren. Bovendien waren deze fenomenen toen niet nieuw, zoals ze ook na 1945 niet voorgoed zijn uitgestorven, maar namen ze in die jaren wel een specifieke vorm aan: ‘Wij noemden hen toen fascisten.’ Waar het namelijk om gaat, is dat de aanval op het politieke bestel die Baudet en anderen uitvoeren, dat de rancune en demagogie, het gescheld op de elites en het aanwijzen van zondebokken, verdomd veel lijken op wat er in de jaren dertig in Europa gebeurde. Vandaar dat het zinvol is om een blik te werpen op de politieke en intellectuele traditie waar Thierry Baudet, die zijn strijd tegen het liberaal-democratische bestel na maart 2017 vanuit het parlement hoopt te kunnen voeren, deel van uitmaakt. Niet omdat Baudet op zich nu zo interessant en belangwekkend is, maar vooral omdat hij in de ogen van sommigen een zeker intellectueel cachet verleent aan een veel bredere beweging die uit is op een totale kladderadatsch, een omwenteling die in één klap een einde moet maken aan alle tekortkomingen van het huidige bestel en ‘het volk’ zal teruggeven wat het door ‘de elites’ is ontnomen. Kortom, Baudet als gecoiffeerde, voor hoogopgeleiden verteerbare vertegenwoordiger van de revolutie die ook het oogmerk is van Geert Wilders, Donald Trump, Marine Le Pen, Frauke Petry en hoe ze verder mogen heten. Een ontwikkeling die in een aantal opzichten wel degelijk doet denken aan de jaren dertig.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Thierry Baudet en de erfenis van de jaren dertig