De man die zonder kijker verder keek

Door Ad Maas, wetenschapshistoricus en conservator van Museum Boerhaave in Leiden.


Essay uit DBNg 2016#3

‘De Groningse astronoom Jacobus Cornelius Kapteyn (1851–1922),’ zo schrijft P.C van der Kruit in de eerste zin van zijn biografie, ‘wordt gezien als de grondlegger van de spectaculaire bloei van de Nederlandse sterrenkunde.’ Rond 1900 begon deze inderdaad aan een verbazingwekkende opmars, die tot ieders verbazing nog altijd voortduurt. Hoe kan het dat zo’n klein land, waar het vanwege licht, damp en stof amper nut heeft een kijker omhoog te richten, na Amerika en Groot-Brittannië tot ’s werelds derde astronomische grootmacht is uitgegroeid?

In zijn vorig jaar verschenen, vlot geschreven overzichtswerk van de Nederlandse astronomie, De ontdekkers van de hemel. De Nederlandse sterrenkunde in de twintigste eeuw (Amsterdam 2015), (er wordt nogal wat opgehemeld in de Nederlandse astronomiegeschiedenis) toont David Baneke dat de Nederlandse astronomische gemeenschap er steeds weer in slaagt om op het juiste moment eendrachtig de juiste keuze te maken. Met gevoel voor timing, een goed verhaal en korte lijntjes naar de machthebbers krijgen ze hun radiotelescopen in de Drentse bossen, telescopen op exotische bergtoppen en satellieten in de lucht. De astronomen zijn de subsidieslurpers van de nationale wetenschap – en dat voor een vak dat amper toepassingen oplevert.

Ironisch genoeg is de carrière van ‘grondlegger’ Kapteyn juist sterk bepaald door de muur van onbereidwilligheid waar hij als nieuwbakken Gronings hoogleraar tegenaan liep. Toen hij om een observatorium vroeg – toch geen onredelijke eis voor een astronoom – kreeg hij nul op het rekest. Sterker, er kon nog geen (werk)kamer vanaf. Met een zelfgebouwd afleesapparaat en vanuit Kaapstad opgestuurde kistjes glasplaatnegatieven begon hij in twee werkkamertjes (afgestaan door een welwillende collega) aan een levenswerk dat resulteerde in een nieuwe kijk op de structuur en dynamica van het sterrenstelsel. Aldus legde hij de basis voor een van de twee grote onderzoekstradities van de Nederlandse astronomie (de Drentse radiotelescopen zijn er een uitvloeisel van). Tevens creëerde hij de opening naar de Angelsaksische wereld, waar sindsdien zoveel Nederlandse astronomen hun geluk beproefden. Baneke beschouwt de trek naar (vooral) Amerika, waar men om een of andere reden sneller observatoria dan goed opgeleide astronomen afleverde, als een tweede structurele oorzaak van het succes van de Nederlandse sterrenkunde.

De biografie van Van der Kruit, zelf astronoom, is de Nederlandstalige bewerking van een Engelse pil van zo’n 700 pagina’s uit 2014: Jacobus Cornelius Kapteyn. Born Investigator of the Heavens. Was de laatste op vakspecialisten gericht, de afgeslankte Nederlandse editie moet Kapteyns verdiensten voor een breder publiek voor het voetlicht brengen. Het boek kent twaalf hoofdstukken die ruwweg de chronologie van Kapteyns leven volgen (met uitzondering van het openingshoofdstuk ‘Opmaat en kader’) en een achttal appendices met technische uitweidingen. Voor wie er geen genoeg van krijgt is er ook nog een website.

* Abonnees lezen verder. Neem ook een abonnement! *

Bent u al abonnee, maar ziet hu hieronder geen nummers? Logt u dan eerst even in? www.nederlandseboekengids.nl/inloggen