Geerten Waling aan Rob Hartmans, 4 oktober 2018 (brief #12)

Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier.

Aan de hand van Geert Buelens’ De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis schreven Rob Hartmans en Geerten Waling elkaar over de erfenis van de jaren zestig. Ze pakken de draad weer op en bespreken de culturele omwenteling naar het selfie-tijdperk, waarin de individu centraal staat. Door Geerten Waling

Waarde Rob,

Allereerst mijn excuses voor het plaagstootje over jouw generatie. Ik had als historicus moeten weten dat jij behoort tot die arme ‘tussengeneratie’ (zo moet dat althans hebben gevoeld) die eigenlijk vooral te lijden had onder de echte babyboomers, die opschepten over het Maagdenhuis en de rellen bij het huwelijk van Beatrix en Claus. Ze hadden vast ook allemaal om het Lieverdje gedanst en twee weken in de abortuskliniek Bloemenhove gebivakkeerd. En dat moesten jullie dan aanhoren, zo stel ik mij voor, als de jonkies die er nog net niet zelf bij waren geweest, terwijl zij, gesteund door de macht van hun aantal, in crisistijd alle banen bezetten. Toen ik begin deze eeuw studeerde aan de Universiteit van Amsterdam zaten sommige babyboomers er nog steeds stevig in het zadel – en hun revolutionaire visserslatijn had nauwelijks aan kracht ingeboet. Dit terwijl er van die bevochten academische vrijheid, emancipatie en zelfbestuur weinig anders over was dan wat institutionele wassen neuzen. Vandaar wellicht dat we een zekere scepsis delen over de trotse protestgeneratie.

Mij verbaasde het overigens eveneens dat er zelfs op de longlist van tien boeken voor de Libris Geschiedenis Prijs geen plekje was voor Buelens’ monumentale werk. Nu is het wel vaker een grabbelton bij dit soort prijzenlijstjes. Als er enige lijn in zit lijkt die vooral ingegeven door de persoonlijke leeservaring van de jury, alsmede de wens om ‘divers’ te zijn in geslacht en achtergrond van de genomineerden. ‘Kwaliteit’ wordt intussen gereduceerd tot een hoogst individueel oordeel. Dat lijkt me symbool te staan voor dat wereldbeeld dat zit sinds de jaren zestig, als culturele omwenteling, toch wel stevig geworteld is. Het egocentrische wereldbeeld, noem je dat in je brief. Niets symboliseert dat beter dan de selfie. Lachten we niet lang geleden nog over Aziatische toeristen die op reis door Europa alleen maar foto’s maakten en thuis konden zien waar ze eigenlijk waren geweest, tegenwoordig zie ik mensen alleen nog foto’s nemen met zichzelf op de voorgrond. Of stelletjes met een chagrijnig kijkende jongeman die zijn vriendin zo sexy mogelijk op de plaat moet zetten voor een of ander bloemperkje. ‘Voor op Insta.’ Mijn leven is een show, de wereld mijn decor, zo lijkt de gedachte.

Dat egocentrische wereldbeeld deed me denken aan een begrip dat in de wereld van kunst en wetenschap garant staat voor applaus en ruime subsidies: ‘antropoceen’. Dat verwijst naar het tijdperk waarin de aarde (inclusief het klimaat) de gevolgen ondervindt van het menselijk leven. Hoewel het begrip al vóór de jaren zestig is gemunt, is de brede interesse in dit onderwerp vooral van recente datum. Zou dat niet samenhangen met dat egocentrische beeld? Iets groters buiten ons bestaat niet, want alles is maakbaar en wij, zondaars, kunnen nooit genoeg doen om de schade van ons bestaan te compenseren. Het is een hardnekkig restantje calvinisme: de hoop en vrolijkheid van de jaren zestig zijn overschaduwd door schuld en boete. Veel moderne zedeprekers, van pre-babyboomer Freek de Jonge tot kopie-babyboomer Rutger Bregman, zijn niet voor niets kinderen van dominees! De wereldwijde overbevolking mag eigenlijk niet worden aangekaart, dat lijkt dan toch nog taboe, maar wel is ‘duurzaamheid’ het modewoord én dogma van deze tijd.

Genoeg gesomberd. Je vroeg me je wat op te beuren en dat is nog geen makkelijke taak, maar ik zal mijn best doen. Onlangs kwam ik op een uitgeversborrel emeritus hoogleraar Gabriël van den Brink tegen, die altijd een eigenzinnige positie inneemt in het debat. Zo schreef hij over de betekenis van levensbeschouwing in de moderne tijd en probeerde hij met een ‘eigentijds idealisme’ af te rekenen met het cynisme van deze tijd. Toen ik hem vroeg naar zijn ideeën over de factoren ‘macht’ en ‘emancipatie’, in het licht van de (in mijn ogen) schadelijke identiteitspolitiek waarmee we dagelijks worden geconfronteerd, stelde Van den Brink dat de samenleving twee transities heeft ondergaan. Verschoof na de jaren zestig het primaat van de ‘macht’ naar de ‘markt’, inmiddels zien we volgens hem een verschuiving van ‘markt’ naar ‘moraal’. En ja, dat levert, aangejaagd door de blaasbalg van het internet, heel wat onstuimige en akelige taferelen op, zoals overspannen politieke debatten, kleinzielige partijstrijd en een doorslaande #metoo-discussie.

Maar Van den Brink somberde juist niet, want de terugkeer van moraal als (wat ik maar bij gebrek aan beter noem) ‘dominant referentiekader’ heeft ook voordelen. Toen hij daar voorbeelden van wilde geven werd ons gesprek helaas onderbroken, maar ik stelde me zo voor dat hij bedoelde dat er in ons – inderdaad erg navelstaarderige – tijdsgewricht grappig genoeg wel meer ruimte is voor kritische zelfreflectie. Tegelijk worden hypocrisie, fraude, corruptie of ander wangedrag sneller blootgelegd en aangekaart. Ook zie ik dat er, alle polarisatie en echokamers ten spijt, nog steeds veel interesse bestaat in ideeën en in argumenten, zoals wel blijkt uit de florerende boekenmarkt, de voorliefde voor online colleges en verdiepende podcasts en de hang naar good old journalistiek onder een brede doelgroep. Die behoefte is dan wel veel diffuser dan vroeger, met minder vanzelfsprekende autoriteiten als ‘kwaliteitskranten’ en commentatoren die boven elke twijfel zijn verheven, maar laten we over het gewoel van de dag heen kijken naar de langere termijn. Nu we langzaam wennen aan het internet leren we ook zin van onzin te onderscheiden. Zo ben ik ervan overtuigd dat echt ‘nepnieuws’ redelijk snel (en steeds sneller) wordt doorgeprikt, omdat de gemiddelde burger niet alleen kritisch is (dat was hij al langer), maar ook vaardiger wordt in het overdenken en delen van ideeën.

We hebben gezien dat de moderniteit nog steeds voortschrijdt. Dat is soms beangstigend, zoals moderniteit altijd beangstigend was (denk aan de monstrueuze stoomtrein, of de waanzinnige gedachte dat ooit iedereen een draagbare telefoon op zak zou hebben). We zitten in een exponentiële groei van technologisch vernuft, de verandering zelf gaat alsmaar sneller. Dan is het niet vreemd dat de mens wat groeipijn ervaart en tijd nodig heeft om zich in te stellen op een nieuwe wereld die zelfs de protestgeneratie nooit voor mogelijk had gehouden. Dat er overal debat is, van Twitter en Facebook tot de achterzaaltjes van groezelige cafés, betekent volgens mij juist dat er gewenning optreedt met de hyperdemocratische publieke en intellectuele ruimte. Eerst komt het eten, dan de moraal, schreef Bertolt Brecht. Welnu, Nederland is redelijk volgevreten (lees: een beetje uitgekeken op de ‘markt’ en de uitwassen daarvan) en begint zich nu af te vragen wat mensen vroeger ook alweer bedoelden als ze het over ‘moraal’ hadden.

Je schreef dat 7,5 miljard wereldjes geen bijster leefbare samenleving opleveren, dat klopt. Maar volgens mij vergeet je dan dat verreweg de meeste aardbewoners niet zo egocentrisch zijn. De ietwat nutty professor David Pinto heeft daar een theorie over die ik wel treffend vind. Namelijk dat de motivatietheorie (piramide) van Abraham Maslow uit 1943, die stelt dat we allerlei primaire en secundaire behoeften eerst willen veiligstellen voordat we aan ons hoogste doel van de zelfverwerkelijking kunnen werken, alleen geldt voor de westerse, individualistische wereld. Andere culturen hebben een ander hoogste doel, dat meestal neerkomt op ‘eer’ en erkenning door de eigen gemeenschap. We moeten dat vooral niet te deterministisch bekijken, mensen lijken meer op elkaar dan culturele verschillen kunnen verhullen, maar ik vind het boeiend en enigszins amusant om te zien hoe de westerse mens – zeker sinds de jaren zestig – het juk van het tribalisme denkt te hebben afgeschud en nu, op zichzelf teruggeworpen, probeert oude en nieuwe bronnen aan te boren voor saamhorigheid, zingeving en moraliteit. Daarbij klamp ik me maar vast aan Alexis de Tocqueville, die in 1840 over de democratie in Amerika schreef dat individualisme nog niet hetzelfde hoeft te zijn als egoïsme. Vanuit ‘welbegrepen eigenbelang’ is de mens best in staat om samen te werken en een hechte gemeenschap te vormen. Of dat ook kan zonder religie, iets wat Tocqueville lijkt te ontkennen, is het volgende vraagstuk, waarover ik in één van de volgende edities van onze correspondentie graag met je de degens zal kruisen.

Hartelijke groet,

Geerten

Lees hier de brief van Rob Hartmans