Geerten Waling aan Rob Hartmans, 6 mei 2018 (brief #4)

Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden gedurende de maand voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier. Door Geerten Waling


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#2

 


Waarde Rob,

Dank voor wederom een prikkelende brief. Een paar zaken die je aanstipt, zoals de nuancering van de standpunten van de ideeënhistorische Cambridge school, zijn zeker interessant, maar toch laat ik ze voor nu even passeren ten gunste van andere thema’s die mijn aandacht trokken.

Het woord ‘hysterisch’ bijvoorbeeld, dat ik hanteerde in mijn eerdere brief om de reacties ‘van academici op Trump, Brexit en andere uitkomsten van democratische processen’ te omschrijven. Je laat je in je reactie daarop iets te veel kennen, vind ik. Blijkbaar hecht je eraan om toch even te melden dat ‘de hysterie zich niet beperkt tot het ‘progressieve’ of ‘linkse’ kamp’. Natuurlijk heb je daarmee feitelijk gelijk, zou ik al anderszins durven beweren. Maar zo’n opmerking klinkt toch een beetje als de veelgehoorde reactie op islamistisch terrorisme ‘ja, maar Staphorst…’.

Sowieso ging het me niet om één ideologisch kamp, maar om de brede verzameling van ‘academici’ – zonder meer – die vaak een ‘nuchtere realiteitszin’ lijken te ontberen. Het zal best zijn dat er ook een paar exemplaren in een andere richting overdrijven, al is dat in de academie een marginaal groepje in verhouding tot de allesoverheersende teneur van de panische krampen over Brexit en Trump. Of neem anders klimaatverandering of inkomensongelijkheid.

Niet dat we ons over al die thema’s géén zorgen zouden moeten maken. Maar mijn punt was natuurlijk dat juist het crisisdenken, dat ook jou verontrust, lijkt te zijn teruggekeerd om het debat te gijzelen met hysterische hyperbolen. Verstoken van de nuchtere nuance die we met de discrezione van Guiccardini zouden kunnen bereiken, laten intellectuelen net als sommige politici zich leiden door een gevoel van impending doom. We zagen het weer eens bevestigd in de veel te snelle conclusie dat de Syrische dictator Assad in Khan Sheikhoun in april 2017 en in Douma een jaar later gifgas zou hebben gebruikt tegen zijn eigen bevolking. Intellectuelen alsook voormalige kwaliteitskranten en -zenders hadden opeens geen hard bewijs meer nodig om hun verontwaardiging de vrije loop te laten. En binnen een week vielen de eerste bommen van de Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS. Zelfs die verfoeilijk isolationistische Trump had zich volledig laten overtuigen van het belang van een totaal onbezonnen represaille. (Overigens zal menig lezer meteen denken dat ik een Poetin-vriendje ben, of een Assad-fanboy, als ik dit zeg, want waarheidsvinding en zelfreflectie zijn allang gesneuveld – zoals altijd als er een oorlog sluimert.)

Juist in het licht van de nuchtere realiteitszin van Guiccardini zou ik hopen dat er bij ons via die discrezione ook een relativeringsvermogen wordt aangesproken om de zaken in perspectief te zien. Onze briefwisseling ging over het gebruik van de geschiedenis, en misschien moeten we het ook nog wat meer hebben over de professionele historici als belangrijkste schatbewakers van die geschiedenis. Juist de geschiedenis geeft genoeg handvatten om op het oog heftige gebeurtenissen wat te relativeren door ze in perspectief te plaatsen. Bijvoorbeeld om te midden van de huilende wolven in het bos op te merken dat iemand als Trump echt niet automatisch het einde inluidt van de Amerikaanse democratische rechtsstaat. (Mócht Trump zulks überhaupt al beogen, dan zal er daarvoor eerst nog heel wat water door de Potomac stromen.) Hetzelfde geldt voor de gemakkelijke fascismevergelijkingen die worden gemaakt in Europa om maar te laten zien hoe gevaarlijk nieuwe politici op rechts zouden kunnen zijn. We waren het er al over eens dat dit nogal ahistorisch is – en, zou ik daaraan toe willen voegen, moreel laag, inhoudelijk zwak en democratisch bedenkelijk.

De historicus van nu is te gemakkelijk activistisch. Daarmee bedoel ik dat veel van onze collega’s zonder schroom en vaak zelfs openlijk de geschiedenis inzetten voor hedendaagse politieke doelstellingen. Sommigen willen zelfs die geschiedenis uitwissen en herschrijven met een pen die gedoopt is in de moraal van vandaag. Het lijkt me dat hier de media- en uitgeverswereld ook een dubieuze rol spelen. Ga maar na. Hoe groot is de verleiding voor de historicus die zich met het Interbellum bezighoudt, om zijn verhaal voor de bühne te verpakken als actuele waarschuwing tegen de terugkeer van het fascisme? Hoe profijtelijk is het om in een samenleving met etnische spanningen het slavernijverleden te koloniseren (pun intended) met een identiteitspolitieke agenda? De reacties op de Leidse emeritus-hoogleraar Piet Emmer zijn een teken aan de wand. Je kunt van hem wel zeggen dat hij een plagerig-provocatieve schrijfstijl heeft, zoals hij met zijn onlangs verschenen essay Zwart wit weer bewees, maar van een actuele politieke agenda kun je hem moeilijk verdenken. Toch is zijn visie inmiddels hoogst omstreden onder zijn jongere collega’s die zich onversneden activistisch opstellen. De luidste criticasters van Emmer zijn zelfs lid van de Internationale Socialisten of andere radicaal-activistische clubs.

Nu steek ik gerust de hand in eigen boezem en geef ik grif toe dat ik als historicus ook de verbinding met het heden opzoek. Om mijn historische boeken en artikelen aantrekkelijk te maken voor een breder publiek leg ik de nadruk op verhalen of fenomenen die ons nu veel zeggen, zoals de democratie, maar daarbij probeer ik het oordeel wel zoveel mogelijk aan de lezer te laten. In mijn proefschrift over de revoluties van 1848 in Parijs en Berlijn poog ik bijvoorbeeld een genuanceerd beeld te geven van de dromen en hallucinaties van een klein groepje revolutionairen, van de angsten en krampen van de gevestigde orde en van de grijze massa in het midden. Wij die in de eenentwintigste eeuw leven zouden op basis van onze democratische gezindheid altijd kiezen voor de kant van de revolutionairen – algemeen kiesrecht, vrijheid van vereniging en vergadering, een sociaal vangnet, etc. Het vergt wat distantie en inlevingsvermogen om in te zien dat onze verworvenheden van nu in 1848 slechts bestonden in de stoutste dromen van een klein clubje. (Wat andersom niet betekent dat we nu klakkeloos achter de radicaalste, meest revolutionaire stemmen moeten aanhobbelen natuurlijk.)

Tot zover even mijn vrije associatie op een paar zaken die je in de brief aanstipte, al ben ik nog niet toegekomen aan je laatste vraag: die naar demagogie en wat je ‘Nieuw Rechts’ noemt. Ik denk dat uit het voorgaande ook wel duidelijk is geworden dat de behoefte aan realiteitszin mij ervan weerhoudt om weg te dromen door al te meeslepende verhalen of gemakkelijke oplossingen in de politiek. Misschien is dat wel de reden dat ik partijloos ben. Immers, vrijwel alle partijen vertonen vroeg of laat gedrag dat als ‘demagogie’ of zelfs ‘volksverlakkerij’ zou kunnen worden gekwalificeerd. Eerlijk gezegd zie ik dat aan de rechter- en linkerflanken evengoed als in het midden. Politieke slangenmensen als Alexander Pechtold en Mark Rutte zijn daar duidelijke voorbeelden van. Zij bespelen allemaal het volk als was het hun piano, om de roemruchte Roger Stone te parafraseren (in de fascinerende Netflix-serie Get me Roger Stone). Met het moreel diskwalificeren van bepaalde politici – iets dat eigenlijk al is gebeurd als je de term ‘populisme’ hanteert – versterk je de polarisatie in de samenleving alleen maar. Beter is het om op nuchtere wijze – met die discrezione bijvoorbeeld – vast te houden aan democratische spelregels, waartoe ook behoren: drang naar feitelijke waarheidsvinding, de plicht tot redelijke en degelijke argumentatie van standpunten en de erkenning van het recht van anderen om er een andere mening op na te houden. Die mening mag je nog zo verwerpelijk vinden, dat maakt de ander als persoon nog niet ‘fout’ of (naar Marcel van Dam) ‘buitengewoon minderwaardig’. Maar goed, dit alles is onderwerp voor onze volgende briefwisseling, die aanstonds in de Nederlandse Boekengids zal verschijnen. Ik er naar uit!

Hartelijke groet, Geerten

(Lees hier de voorgaande brief van Rob Hartmans)