Gemeentepolitiek: Geerten Waling leest De gemeenteraad

In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen lezen dNBg-auteurs recent verschenen titels over gemeentepolitiek. De gemeenteraad beschouwt in verschillende bijdragen de wortels van het lokale bestuur, en laat zien dat deze al eeuwen vooraf ging aan de provinciale en nationale overheden. Geerten Waling vraagt zich wel af of de bundel, afgezien van de geschiedkundige contributies, nieuwgekozen gemeenteraadsleden genoeg context en steun kan bieden. ‘De bijna negenduizend raadsleden hebben nu meer dan ooit toegankelijke verhalen nodig.’ Door Geerten Waling


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *



De gemeenteraad heeft in Nederland anno 2018 niet veel vrienden. Democratie moge dan beginnen bij de gemeente – wat er in het hart van die democratie, de gemeenteraad, gebeurt, wordt zelden op waarde geschat. Politieke spelletjes en persoonlijke vetes zijn sta-in-de-wegs voor goed bestuur. Niet voor niets roepen steeds meer burgemeesters, Commissarissen van de Koning en BZK-ministers op tot rigoureuze maatregelen, zoals een verbod op fractieafsplitsing, een kiesdrempel en screening van raadsleden.

Gelukkig leiden de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 ook tot het verschijnen van een reeks boeken die aantonen dat de lokale democratie bloeit, knettert en vonkt – op een veel betere manier dan de negatieve beeldvorming doet vermoeden. Bovendien illustreren die boeken dat de gemeenteraad niet alleen wettelijk aan het hoofd van de gemeente staat, maar ook cultuurhistorisch het primaat is van het lokale zelfbestuur in Nederland. Eén van die boeken is De gemeenteraad: ontstaan en ontwikkeling van de lokale democratie, een bundel samengesteld door Joop van den Berg, Hans Vollaard, Job Cohen en Geerten Boogaard, vier Leidse politicologen en juristen.

Naast de auteurs komen prominente historici aan het woord, zoals Maarten Prak, Henk te Velde en Diederik Smit, die de wortels van de gemeenteraad, debatcultuur en architectuur van ’s lands vele raadszalen onder de loep nemen. Of het nu waterschap, schepenbank of vroedschap heette, het lokale bestuur ging in Nederland al eeuwen vooraf aan de provinciale en (zeker) de nationale overheden. De eerste vereniging die leidde tot wat we nu Nederland zouden noemen, de Unie van Utrecht uit 1579, kon niet bestaan zonder waarborgen voor de ‘spetiaele ende welheergebrochte costumen, usantien, ende allen anderen haerluyden gerechtigheyden’ – kortom, lokaal zelfbestuur van gewesten, steden, dorpen.

De gemeenteraad is een bundel die, om een ambtelijk eufemisme te gebruiken, ‘rijp en groen’ omvat. Zo is het aan historici wel besteed om de kleurrijke geschiedenis van de lokale democratie uit te lichten, maar zoals het vaker gaat met bundels, moeten hun hoofdstukken opboksen tegen deskundige bijdragen over gemeenterecht en politieke wetenschap die minder op hebben met smeuïge verhalen en die de gemeenteraad zakelijk, technisch en gortdroog benaderen. De ontoegankelijkheid van de bundel is jammer, juist nu gemeenteraden in zo’n negatief daglicht staan. De bijna 9.000 raadsleden hebben nu meer dan ooit toegankelijke verhalen nodig, als context om hun eigen bestaan te begrijpen en er steun uit te putten.

Het verhaal gaat dat de samenstellers van de bundel, vooral de gewiekste professoren Joop van den Berg en Job Cohen, hebben geregeld dat De gemeenteraad aan alle nieuwe raadsleden na de verkiezingen wordt aangeboden. Een slimme deal, maar ook een gemiste kans, want veel gemeenteraadsleden zullen er weinig mee kunnen. Als hun opleidingsniveau hen al in staat stelt om het jargon te begrijpen, dan zijn veel hoofdstukken in het boek te ambtelijk, te technisch en niet tot de verbeelding sprekend – precies als de vele beleidsstukken en dossiers die op hen liggen te wachten. In de overgeprofessionaliseerde lokale bestuurscultuur, waar raadsleden voortdurend achter de feiten aanlopen, is de keuze voor lectuur dan snel gemaakt.