Gemeentepolitiek: Rob Hartmans leest Dorpspolitiek

In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen lezen dNBg-auteurs recent verschenen titels over gemeentepolitiek. Martijn Bolkestein en Meindert Fennema schrijven iDorpspolitiek onder meer over de veranderde rol en positie van de burgemeester, en zij zien de komst van de gekozen burgemeester als onontkoombaar. ‘Maar waarom verder met een heilloos experiment?’ vraagt Rob Hartmans zich af. Door Rob Hartmans


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *



Verzamelde staatkundige beschouwingen van Hans Wiegel is een boek dat ik niet snel uit de kast trek, al was maar omdat het niet bestaat en de inhoud ervan vermoedelijk op de zijkant van een bierviltje zou passen. Niettemin citeer ik regelmatig, en met instemming, een uitspraak van de nestor van de VVD: ‘Wanneer u mij kunt uitleggen wat het probleem is waarvoor de gekozen burgemeester de oplossing is, ben ik er onmiddellijk vóór’. En inderdaad, de argumenten waarmee de afgelopen halve eeuw bij herhaling is gepleit voor de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester zijn over het algemeen vooral ideologisch van aard, en komen niet zozeer voort uit reëel bestaande, zeer urgente problemen.

In Dorpspolitiek wijden Martijn Bolkestein en Meindert Fennema – die elkaar kennen uit de zo ongeveer beruchtste gemeenteraad van Nederland, die van Bloemendaal, waarin ze zitting hadden voor respectievelijk de VVD en GroenLinks – een apart hoofdstuk aan de veranderde rol en de thans omstreden positie van de burgemeester. Beknopt en helder beschrijven ze hoe de uit de aristocratie en het patriciaat afkomstige bestuurderselite vanaf de jaren zestig plaatsmaakte voor vertegenwoordigers van de drie grote partijen. Ook wijzen ze erop dat dit nogal ironisch was, aangezien juist op het moment dat de zogenoemde zuilen afbrokkelden, de burgemeestersbenoemingen een sterk ‘verzuild’ karakter kreeg.

Doordat CDA, VVD en PvdA tot nog toe ruim 85 procent van de burgemeesters leverden, terwijl ze bij landelijke verkiezingen nog maar 40 procent van de stemmen trekken en op gemeenteniveau vooral de lokale partijen in opmars zijn, zou men kunnen stellen dat dit gebrek aan representativiteit een probleem is. In Nederland tracht de benoemde burgemeester – die tegenwoordig trouwens wordt voorgedragen door de democratisch gekozen gemeenteraad – altijd boven de partijen te staan, en over het algemeen slaagt hij daar uitstekend in.

Bovendien, waarschuwen Bolkestein en Fennema, rijzen er bij een rechtstreeks gekozen burgemeester tal van andere problemen. Zo zal een deel van de bevolking teleurgesteld zijn dat niet haar kandidaat gekozen is, en is het heel goed mogelijk dat de burgemeester de beleidsvoornemens waarmee hij campagne heeft gevoerd niet door de raad krijgt. Ook loert het gevaar dat ondernemers (of zelfs criminelen) veel geld pompen in de campagne van een kandidaat die hen welgevallig is, terwijl het niet ondenkbaar is dat de burgemeester zelf vooral uit is op het bevorderen van zijn eigenbelang.

De auteurs vermoeden dat komst van de gekozen burgemeester onvermijdelijk is. In de huidige constellatie zit de burgemeester als voorzitter van het college én van de gemeenteraad in een spagaat, en de klok is nu eenmaal niet terug te zetten. Maar waarom verder met een heilloos experiment, als de klok niet goed loopt? Vooral in kleinere gemeenten is de burgemeester vaak de enige professionele bestuurder, die niet zelden een tegenwicht moet bieden aan lokale politici die nauwelijks competent zijn of allerlei deelbelangen vertegenwoordigen.

Gelukkig komen Bolkestein en Fennema ook met een aantal zinvolle aanbevelingen, die vooral bedoeld zijn om de kwaliteit en de slagkracht van de gemeenteraad te verhogen. Ook hun idee om in grote plattelandsgemeenten een districtenstelsel in te voeren, zodat de burgers van de verschillende kernen zich gerepresenteerd voelen, verdient zeker nadere overweging.