Gemeentepolitiek: Thijs Kleinpaste leest Megafoonpolitiek

In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen lezen dNBg-auteurs recent verschenen titels over (gemeente)politiek. Thijs Kleinpaste las Megafoonpolitiek, over de rol van communicatie, beeldvorming en imago in het politieke spel, en politici die hun kiezers het hoofd op hol brengen. Door Thijs Kleinpaste


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *



Megafoonpolitiek leest als een handleiding die zowel voorafgaand als tijdens, en bij een terugblik op, verkiezingen van pas komt. Kaj Leers, die als journalist en campagnestrateeg jarenlange ervaring aan ‘beide’ kanten van het politieke communicatiespel heeft, levert aan de hand van talloze voorbeelden een analyse van het politieke spel in Nederland, die boeiend is voor zowel de nieuwe als de meer geïnformeerde lezer. Maar het boek is geen handleiding, schrijft Leers, het is een waarschuwing: wie de stortvloed aan retorische en communicatieve trucjes van moderne politici doorziet wordt een weerbaardere kiezer, en wie weerbaar is kan zijn of haar idealistische hart beter laten spreken.

Het boek is niet cynisch, maar wel vrij van naïviteit over hoe het spel aan het Binnenhof (en in de gemeenten, Europa, de Verenigde Staten en andere delen van de wereld) gespeeld wordt, en hoe belangrijk de rol van communicatie, beeldvorming en imago is. Moderne politici en politieke partijen halen alles uit de kast om in feite de (zwevende) kiezer het hoofd zodanig op hol te brengen dat zij of hij zich in hun armen werpt. Talloze strategieën worden daarvoor aangewend, zoals framing – de kunst om door een retorisch foefje positieve of negatieve associaties bij kiezers op te wekken en zo bij voorbaat op voorsprong te staan. Hypotheekrente-aftrek? Villasubsidie! De Joint Strike Fighter? Een vliegende Noord-Zuidlijn! Een andere strategie is ‘politieke appropriatie’, waarbij politici ideeën of standpunten van hun concurrenten kapen en ze zo ofwel onschadelijk maken (door te suggereren dat er niet werkelijk sprake is van een meningsverschil), ofwel gebruiken voor hun eigen electorale succes (door de concurrentie te overtroeven: ‘U wilt 500 miljoen extra voor de zorg? Wij willen een miljard!’).

De talloze voorbeelden en observaties – soms komisch, soms verbijsterend, soms beangstigend, maar altijd treffend – maken de lezer inzichtelijk hoe het Nederlandse politieke discours (waar ook journalisten deel van uitmaken) tot stand komt, en hoe het ons allen conditioneert. Hoewel Leers aanvaardt dat slimme communicatie onderdeel is van het moderne politieke bedrijf, wijst hij ook steeds op de keerzijde: kiezers haken af en krijgen het idee dat politiek een kwestie van geoefend cynisme is, met persoonlijk gewin als enig doel. Op deze manier raakt het electoraat op drift, want als politici zelf niet meer in de oprechtheid van hun woorden geloven, waarom zouden kiezers dat dan wel doen?

Megafoonpolitiek is een boeiend en vlot boek over de keerzijde van politieke communicatie. Leers waarschuwt voor een cynische en instrumentele benadering van politieke communicatie. Want, om in zijn beeldspraak te blijven: er is niet alleen iemand die door de megafoon staat te roepen; er is ook iemand die de megafoon heeft betaald.