Waarom Jens van Tricht niet goed genoeg is voor mannen

Er bestaat, in ieder geval in Nederland, ruimte voor boeken over mannenemancipatie – voor een feministisch betoog over hoe patriarchale structuren ook mannen onderdrukken. Dat is best een complex onderwerp, zeker als je de meest geprivilegieerden van die groep mannen wilt bereiken. Harm Hendrik ten Napel signaleert Jens van Trichts Waarom feminisme goed is voor mannen.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Er bestaat, in ieder geval in Nederland, ruimte voor boeken over mannenemancipatie – voor een feministisch betoog over hoe patriarchale structuren ook mannen onderdrukken. Dat is best een complex onderwerp, zeker als je de meest geprivilegieerden van die groep mannen wilt bereiken. Witte heteromannen moeten niet alleen leren dat de structuren die hen relatief weerstandsloos door het leven laten gaan, hen er ook voor behoeden vrij te zijn of hen zelfs geweld aan doen; ze moeten ook nog begrijpen dat zij die structuren – die anderen in bredere zin onderdrukken – zelf in stand hebben gehouden, onwetend of niet, en verantwoordelijkheid nemen. De schrijver van zo’n boek moet mannen dus tegelijk overtuigen van een pijn die ze misschien niet eens voelen, en verantwoordelijkheid doen nemen voor hun naïviteit of gemakzucht. A tough pill to swallow.

Het is de hoogste tijd voor zo’n boek, en niet alleen omdat er andere, kwadere bewegingen opkomen, die mannen zogenaamd wel een manier bieden om hun leed te verwerken en vrij te zijn. Zoals Jens van Tricht in schrijft in Waarom feminisme goed is voor mannen, is er geen feministische revolutie mogelijk zonder mannen. Van Tricht lijkt opgejaagd door de noodzakelijkheid van het boek dat hij probeert te schrijven. Dat levert een heel pragmatisch boek op, dat mannen, koste wat het kost, over probeert te halen tot de minimaalste zelfreflectie.

Zo trekt Van Tricht vaak vergelijkingen tussen de situaties van mannen en die van vrouwen in het maatschappelijk discours, om daarmee de noodzaak van mannenemancipatie te onderstrepen. Op die manier loopt hij echter het risico van feminisme een wedstrijdje slachtofferschap te maken. Mannen er in zo’n vergelijking schijnbaar bovenuit laten komen, doet de situatie van vrouwen bovendien vaak ernstig tekort. Op deze manier doet Van Tricht soms zijn eigen standpunten geweld aan. Op een ander moment lijkt hij elke vorm van zelfreflectie als een overwinning te zien. Zelfs als die komt via verhalen over persoonlijke groei die uitgaan van een van de hardnekkigste artefacten van het seksisme: biologisch essentialisme (David Deida’s De kracht van echte mannen). Van Tricht veroordeelt zo’n narratief slechts indirect. Nooit komt het tot de harde boodschap dat mannen ingrijpend moeten veranderen en dat het voor de meesten niet makkelijk zal zijn.

Er staan veel goede dingen in Waarom feminisme goed is voor mannen en het is niet dat Van Tricht zijn stof niet beheerst. Het ontbreekt zijn boek echter aan principes, een bepaalde harde lijn. Wat voor zin heeft het om mannen te overtuigen van een aangelengd ideaal? Hoe zullen zij de wereld veranderen?