Herlezen: Huizinga’s zelfportret

Door Willem Otterspeer, hoogleraar (universiteits)geschiedenis aan de Universiteit Leiden, essayist, biograaf van W.F. Hermans, Johan Huizinga e.a. en redactieraadslid van DNBg.


Essay uit DBNg 2016#3

‘Een neiging tot het autobiografische is mij tot nu toe vreemd geweest.’ Zo begint Huizinga Mijn weg tot de historie, de korte autobiografie die hij aan het eind van zijn leven schreef. Huizinga had het niet graag over zichzelf. Het liefst verdween hij tussen de pagina’s die hij schreef. ‘’t Is beter dat de lezer ziet het breinwerk wel, maar ’t smoelwerk niet,’ moet hij ooit gezegd hebben. Mijn weg tot de historie gaat vooral over dat breinwerk.

Maar Huizinga was tegelijk een echte schrijver, iemand die het niet kon laten zijn gedistantieerde verslag te kleuren met details en beelden van grote trefzekerheid en emotie. Bovendien had hij het wel degelijk over iets heel persoonlijks, over het ontstaan van een belangstelling. ‘Belangstelling is een heel merkwaardig en kostbaar woord.’ Een onvertaalbaar woord, een begrip dat vrijheid en noodzaak inhield, zwerven en thuiskomen.

Huizinga werd in 1872 in Groningen geboren, maar over zijn afkomst en over het gezin waarin hij opgroeide vernemen we bijna niets. Niets over zijn grootvader, een doopsgezinde dominee, die hem de ethiek van het zelfonderzoek ingaf. Vrijwel niets over zijn vader, hoogleraar in de fysiologie, die hem de fascinatie van het wetenschappelijke onderzoek bijbracht. Niets ook over de vroege dood van zijn moeder (Huizinga was nog geen twee jaar oud) of de zelfmoord van zijn halfbroer (in 1903). Ook de andere grote doden in zijn leven, zijn eerste vrouw, zijn oudste zoon, blijven in de schaduw.

* Abonnees lezen verder. Neem ook een abonnement! *

Bent u al abonnee, maar ziet u hieronder niet waarvoor u kwam? Logt u dan eerst even in via 'Online toegang' in het menu hierboven?