Van socialisme naar barbarij: Orbáns strijd tegen de Ander

In Nederland leert ’s lands premier ons dat politieke visie een olifant is die het zicht belemmert. Inderdaad is de West-Europese democratie sinds Thatcher verregaand gedepolitiseerd geraakt. Hoe anders is de situatie in Hongarije. Daar lijkt het de democratie zelf waartegen de ambities van Viktor Orbán zich in de loop van zijn inmiddels bijna zeven jaar durende premierschap in toenemende mate keren. Zijn project noemde hij in 2015 expliciet het bouwen van een ‘illiberale’ Hongaarse staat. Het blijkt een uitnodiging om zoveel mogelijk externe en interne vijanden te zoeken bij zijn strijd voor Hongarije. Liberalen, socialisten, zij die hun Hongaarse identiteit niet voorop stellen; ze horen niet in Orbáns utopie thuis. Dat we zijn illiberalisme heel serieus moeten nemen, bleek afgelopen week, toen het standbeeld van de wereldberoemde denker Georg Lukács werd verwijderd én een wet werd aangekondigd die Boedapests Central European University (CEU) met sluiten bedreigt. Het is geen toeval dat Lukács een Hongaars-joodse marxist was en dat de CEU door de Hongaars-joodse durfkapitalist en filantroop George Soros (oprichter van het Open Society Institute, inmiddels Open Society Foundations) werd gesticht. De voornemens en koers van Orbán, de demonstraties van vandaag, de stemming over de wet morgen, en de gebeurtenissen die erop volgen, zullen uitwijzen hoe ver de anti-kosmopolitische politiek in Hongarije kan gaan. Door Tivadar Vervoort met Ilse Josepha Lazaroms.

Illiberale democratie

Orbáns illiberale democratie is al enige jaren in de maak. In 2012 werd zijn nieuwe grondwet aangenomen, een eitje, met een absolute meerderheid in het parlement. Die grondwet opent sindsdien met ‘Isten, áldd meg a magyart!’, God zegene de Hongaren, en spreekt in de preambule trots over de kerstening van het land door stichter Sint István (Stefan). De Hongaar is volgens de tekst trots op het beschermen en verspreiden van de Europese waarden. Die waarden blijken te bestaan uit christelijke tradities en het kerngezin. Zo’n gezin heeft vervolgens nadrukkelijk het huwelijk tussen man en vrouw als basis. Enige tolerantie tegenover (laat staan, gelijkheid voor) bijvoorbeeld vluchtelingen, moslims, Joden en de LHBTQ-gemeenschap is ver te zoeken. De staatsburger van Orbáns illiberale democratie is Hongaars, christelijk en heteroseksueel — Blut und Boden en anders niets. Toch lijkt de grootste vijand van het land nog steeds het socialisme. Bijna de helft van de constitutionele grondbeginselen zijn een afrekening met de communistische ideologie. Opvallend is dat over de Holocaust, waarin Hongarije een pijnlijke rol aan de kant van nazi-Duitsland speelde, met geen woord wordt gerept. In plaats daarvan wordt de veroordeling van het socialistische verleden van het land gebruikt om iedere vorm van hedendaags kosmopolitisme de kop in te drukken. Ironisch genoeg is de open samenleving, en niet een sluimerend bolsjewistisch bewustzijn, daar het voornaamste slachtoffer van.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Terwijl educatieve geschiedenisboeken al voor de tweede keer sinds het einde van het goulash-socialisme herschreven zijn, is het eerste borstbeeld ter ere van Horthy Miklós, die tussen 1922 en 1944 het land leidde, al geplaatst. Ondertussen moeten alle standbeelden, plakkaten en straatnamen die op wat voor manier dan ook verwijzen naar een on-Hongaarse ideologie eraan geloven. Onder het mom van het verder uitwissen van de communistische erfenis hernoemt Orbán straten en pleinen naar de grote mannen van de vroege nationale geschiedenis. Maar ook al te kosmopolitische symbolen moeten eraan geloven, zoals het Rooseveltplein, aan de voet van de beroemde Kettingbrug in Boedapest. Verwijzingen naar Lenin en Marx verdwenen al in de jaren ’90 uit het straatbeeld. (Stalin namen de Hongaren in 1956 zelf al onder handen, tot woede van de Russen, die meteen per tank de Hongaren terug op hun plaats kwamen zetten: onder het gezag van Moskou. De teleurstelling over het wegblijven van westerse hulp in dat jaar draagt, zo blijkt regelmatig, nog altijd gevoeld.) De historische verdachtmakingen worden de laatste tijd steeds tendentieuzer. Nu worden ook straten hernoemd wiens naamgevers zelfs niets met het reëel existerende socialisme te maken hadden — zij kunnen vaak slechts zijdelings met de socialistische traditie geassocieerd worden (en lieten daardoor soms zelfs in een concentratiekamp het leven). Majakovski (Russisch dichter en futurist), Koltói Anna (sociaaldemocrate en leider van vrouwenbeweging, vermoord door de Pijlkruisers), Maxim Gorki (Russisch); ze staan allemaal op de lijst die de wetenschappelijke academie (MTA) bij wet gedwongen is te maken van verboden namen, namen van mensen die vanwege hun politieke ideeën in strijd zijn met de grondwet. Dit uiteraard tot ongenoegen van betrokken historici. Gagarin mocht volgens de lijst blijven, en ook Poesjkins aanvaardbaarheid moest nadrukkelijk bevestigd worden. Het Moskouplein verdween, al blijven de Boedapesters het stug zo noemen. Het lemma over Horthy telt meerdere pagina’s en concludeert dat zijn naam vanwege zijn strijd tegen de communisten bruikbaar is in de publieke ruimte.

De filosoof die bleef geloven

‘Wereldberoemd filosoof’ Georg Lukács staat ook op de lijst; hij was immers lid van de communistische partij. Daar werd hij meerdere malen uitgezet vanwege woorden én daden die van de partijlijn afweken. Toch weigerde hij het socialistische project op te geven — daarbuiten rest niets dan barbarij, zo vreesde hij. Hoewel de preambule van de grondwet onderstreept dat de Hongaren de opstand in 1956 niet mogen vergeten, en hoewel György Lukács actief deelnam aan die opstand en tijdens de korte periode van vrijheid zelfs even minister was, weegt zijn partijlidmaatschap kennelijk zwaarder. Dat de kruistocht tegen vermeende resten van het socialistische regime met de botte bijl gestreden wordt, bleek afgelopen week andermaal. Dinsdag 28 maart werd het standbeeld van Lukács verwijderd uit een park in Boedapest. Dat beeld staat nu tijdelijk in de tuin van Hongarijes belangrijkste beeldhouwer Imre Varga. Niet alleen de zwarte — of rode — lijst van de MTA noemt Georg Lukács wereldberoemd. Lukács is zonder twijfel de meest invloedrijke filosoof die het land heeft voortgebracht en wordt ook buiten Hongarije als een van de invloedrijkste denkers van de twintigste eeuw gezien, samen met Heidegger en Wittgenstein. Anderen beweren zelfs dat Heideggers Sein und Zeit geinspireerd is op Lukács’ begrip Verdinglichung. In ieder geval staat hij aan de basis van het denken van de Frankfurter Schule, met leden als Adorno, Horkheimer en Marcuse en het Westerse, hegeliaanse of humanistische marxisme als geheel.

Lukács was goed bevriend met Thomas Mann, studeerde onder andere bij Max Weber en Georg Simmel, richtte het Thália-theater op en correspondeerde met dichters, denkers en kunstenaars. Zo speelde Lukács een centrale rol in het burgerlijk-aristocratische intellectuele leven van Boedapest rond het begin van de twintigste eeuw. Maar ten tijde van zijn eenzame afwijzen van de Eerste Wereldoorlog — zijn leermeesters Simmel en Weber keurden de strijd goed — schoof zijn romantische intellectualisme op richting het marxisme. Lukács is dus kosmopoliet en marxist en was ook nog eens van Joodse komaf; de bekende drie-eenheid van het antisemitische ressentiment. Voldoende reden voor de expliciet antisemitische en nationalistische partij Jobbik om in de Boedapester gemeenteraad voor te stellen Lukács’ standbeeld uit de voormalige joods-burgerlijke wijk Anyalföld te verwijderen. Deze buurt ten noorden van het centrum van Boedapest is een van de enige kiesdistricten in het land waar Orbáns Fidesz niet de baas is maar de socialistische partij nog altijd op een ruime meerderheid kan rekenen. Dat Fidesz instemde met het voorstel van Jobbik mag geen verrassing heten. Zij willen op dezelfde locatie de zoveelste beeltenis plaatsen van de heilige Stefan, katholiek en oer-Hongaar en daarmee geschikter om te koesteren als nationale mascotte.

Een sluitende samenleving

De werking van deze giftige cocktail van antisemitisme, antisocialisme, en een nationalistisch-conservatieve politiek blijft echter niet beperkt tot symbolen. Niet alleen het standbeeld van Lukács moet wijken, ook zijn archief wordt binnenkort gesloten, tot ontsteltenis van filosofen over de hele wereld. Niet dat de hetze zich alleen richt op de nalatenschap van dissidente denkers uit het verleden. De mediawet uit 2010 installeerde een commissie — volledig bemand door Fideszleden — die media-outlets toetsen op moreel handelen. Hoewel het wordt geframed als een poging de verslonzing van de media tegen te gaan, is hier in wezen sprake van het bevorderen van (zelf-)censuur. De staatsomroep heeft inmiddels zijn kritische rol volledig verloren en zendt met name de successen van de regering uit (voor veel Hongaren buiten Boedapest is het journaal hun enige nieuwsbron). Ook de grootste commerciële omroep, kranten en online nieuwsportals vallen bij bosjes in handen van Orbáns vrienden. De grootste (en nagenoeg enige) oppositiekrant, Népszabadság (‘Volksvrijheid’), werd afgelopen jaar opgeheven.

De parlementaire oppositie was al niet groot (mede door Orbáns gerrymandering en een tweestemmensysteem waarbij overschotstemmen van het districtenstelsel doorvloeien naar de lijsten van de evenredige vertegenwoordiging, ten gunste van de grootste partij), maar de afgelopen jaren wordt het dus ook de media onmogelijk gemaakt hun kritische rol goed te vervullen.

Het lijkt erop dat Orbán nu de aanval opent op wat wel eens zijn laatst overgebleven institutionele vijand zou kunnen zijn: de academia.

De universiteit als fremdkörper

Hongarije kampt vanwege de politieke koers inmiddels met een brain drain van jewelste. Hoogopgeleiden trekken in dusdanig grote getale weg uit Hongarije dat Orbán beursstudenten tegenwoordig verplicht na hun diploma vijf jaar in Hongarije te werken. Er is echter één universiteit die studenten juist náár Budapest toetrekt. Deze Central European University (CEU) werd gesticht door George Soros, de Hongaars-Amerikaanse belegger die zijn vermogen vergaarde via een reeks beursspeculaties met verregaande macro-economische implicaties. (Zo hield hij een miljard over aan speculatie tegen het Britse pond en zou hij ook de hand hebben gehad in de Zuidoost-Aziëcrisis van 1997. Bij een Amerikaanse hoorzitting over de kredietcrisis verklaarde hij dat die crisis inderdaad veroorzaakt werd door hedgefunds als het zijne.) Echter, Orbáns kruistocht richt zich niet tegen hedgefunders op zich, maar specifiek tegen Soros’ steun aan organisaties die het kosmopolitisme en multiculturalisme in Hongarije willen bevorderen. Inderdaad, zoals de CEU.

Op de avond van 28 maart werd bericht dat de universiteit bedreigd wordt met sluiting vanwege een wetsaanpassing. Het Hongaarse parlement blijkt daarover niet pas over een week, zoals eerst aangekondigd, maar (versneld) al morgen te zullen besluiten. De CEU, die jaarlijks bijna 1,500 studenten trekt, werd in 1991 opgericht als eerste democratische universiteit in de regio na de val van het communisme en wil een zogenaamde popperiaanse ‘open society’ bevorderen. De studies in de politieke en sociale wetenschappen, rechten en geesteswetenschappen die de CEU aanbiedt, staan hoog in de globale ranglijsten. Het nieuwe wetsvoorstel neemt voornamelijk de dubbele accreditatie van CEU op de korrel: de universiteit is zowel in de Verenigde Staten als in Hongarije geaccrediteerd. Nu eist de regering dat een universiteit die in Hongarije opereert, ook in haar ‘thuisland’ een campus heeft, in dit geval in de staat New York. Bovendien stipuleert het voorstel dat een in Hongarije opererende universiteit niet legaal gevestigd mag zijn in een OECD-land (waaronder de Verenigde Staten). De laatste drie punten in het wetsvoorstel gaan naast de legale dubbele identiteit van CEU voornamelijk over de visums en verblijfsvergunningen van professoren en medewerkers, waarvan ongeveer de helft van buiten Hongarije komt. Kort gezegd: dit wetsvoorstel maakt het onmogelijk voor CEU om te kunnen blijven opereren in Boedapest of elders in Hongarije.

Terwijl dit als een aanval op alle ‘buitenlandse’ entiteiten of NGO’s in Hongarije kan worden gezien — helemaal in lijn met de xenofobe politiek van Orbán — stelt de president en rector van CEU, de Canadese hoogleraar internationale betrekkingen en mensenrechtenactivist Michael Ignatieff, de afgelopen dagen in persberichten en interviews dat het wetsvoorstel wel degelijk direct gericht is tegen zijn universiteit. Al een week of vier circuleerden er geruchten over een in de maak zijnde wet, maar desgevraagd zou Ignatieff van de minister van onderwijs te horen hebben gekregen dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. ‘En het geplande wetsvoorstel dan?’ zou hij hebben gevraagd. ‘Dat komt van hogerhand’. Ziedaar de duistere krachten waarmee de democratie in Hongarije het op dit moment te stellen heeft. Ignatieff, die dit weekend naar de Verenigde Staten afreisde om daar diplomatieke steun te vinden, ontving de dreiging met rechte rug: ‘Boedapest is ons enige thuis’, zei hij tijdens het community forum van afgelopen woensdagmiddag in het auditorium van CEU. ‘Geen seconde, geen enkele seconde zal CEU haar werkzaamheden onderbreken!’

Deze openlijke aanval op de academische vrijheid leidt momenteel tot een stroom van steunbetuigingen (zie ook Facebook en Twitter) uit de internationale academische wereld, waaronder die van 17 Nobelprijswinnaars en honderden eminente hoogleraren en onderzoeksinstituten. Ook kwam er wijdverbreide steun uit Hongarije en de Hongaarse academia zelf, waar men ook wel voelt dat dit het topje van de ijsberg zou kunnen zijn. Die lokale steun, zoals ook Ignatieff niet moe raakt te benadrukken, is belangrijk: de door de winst van Trump in zijn illiberale manoeuvres gesterkte Orbán, zou niet alleen gevoelig kunnen zijn voor Amerikaanse kritiek, maar vermoedelijk nog het meest voor kritiek uit eigen land. Alle steunbetuigingen ten spijt, staat wel vast dat de CEU een taaie strijd wacht. Aangezien Hongarije geen onafhankelijk Hooggerechtshof meer heeft, en van alternatieve (nationale of internationale) toetsing aan de grondwet met het oog op het politieke klimaat niet zo veel verwacht hoeft te worden, lijkt enkel het intrekken van het wetsvoorstel door Orbán zelf de ondergang van CEU te kunnen voorkomen.

Ignatieff heeft opgeroepen tot respectvol handelen en zegt open te staan voor discussie met de Hongaarse regering, maar weigert zich neer te leggen bij het wetsvoorstel. Het is de vraag in hoeverre dit daadkrachtige voorbeeld van zivilcourage bij Orbán binnenkomt.

De sprong in de afgrond

In het voorwoord van zijn Die Theorie des Romans, verwijst Lukács naar de leidende Duitse intellectuelen van zijn tijd als bewoners van ‘Grand Hotel Abgrund’. De leden van de Frankfurter Schule zouden in alle comfort aan de afgrond van het betekenisloze niets huisvesten. Gezien zijn popperiaanse stichter is de CEU een heel ander soort Grand Hotel  nadrukkelijk door filantrokapitalist Soros gesticht om de open samenleving te promoten in Hongarije, en daarmee plotseling een potentiële bron van maatschappelijk verzet tegen Orbáns koers.

Hoewel de CEU een onafhankelijk instituut is dat het grootste deel van haar fondsen vergaart via aanvragen bij de EU en andere fondsen, spreken Orbángezinde media voortdurend van ‘de universiteit van Soros’ en ook buitenlandse media nemen die benaming over. Dat is geen toeval. Het was Orbán zelf die zijn campagne tegen de CEU in januari begon door Soros’ organisaties multiculturalistische propaganda te verwijten en verantwoordelijk te houden voor de grote vluchtelingenstromen van vorig jaar. Soros’ speculatiekapitaal wordt in die campagne dankbaar ingezet om zijn Joodse achtergrond te accentueren. Dat Orbáns aanval op hem tot nu toe op zo weinig Hongaars verzet is gestuit, is te wijten aan het complex van vijandschappen dat Orbán de Hongaar al jaren aan heeft gepraat.

Waar Lukács wordt beschouwd als een vertegenwoordiger van de communistische twintigste eeuw die de Hongaarse identiteit beknotte, is Soros als belegger exemplarisch voor de buitenlandse durfkapitalisten die de resten van de wegtrekkende staatsgestuurde economie in rap tempo overnamen. Dat de Hongaarse bevolking geen gevoel van déjà vu overhoudt aan Orbáns zoektocht naar financiële steun uit Poetins Rusland is te wijten aan de kortstondigheid van de economische impuls van de kapitalistische shock-therapie, en de daarop volgende economische neergang en golf van werkloosheid. Integendeel, Orbán presenteert de op marktwerking gestoelde Europese Unie juist als opvolger van de Sovjet-Unie. Het mag dan ook niet verbazen dat de culturele idealen van het liberalisme (zoals ook uitgedragen door de CEU) als bijproduct van een verafschuwde nieuwe economische orde worden begrepen. In plaats van een politiek alternatief te plaatsen tegenover zowel de gebreken van het communisme als de daaruit ontsproten markteconomie, en de instituties die daarbij kunnen helpen te koesteren, leidt de huidige politiek Hongarije liever zo ver mogelijk terug naar een mythisch verleden. Ook onderling hevig concurrerende ideologieën, van Soros’ popperiaans liberalisme tot Lukács’ marxistische maatschappijkritiek, zijn bij die regressie eenzelfde lot beschoren. Zo lijkt Rosa Luxemburg op een verwrongen manier gelijk te krijgen: sinds het reëel existerende goulash-socialisme uit Hongarije is verdwenen, heeft Hongarije meer dan ooit de barbarij te vrezen.