ingezonden: ‘It’s Islam, stupid’

Image result for 9789492161031Niklas Anderberg las Michiel Leezenbergs bijdrage aan de Nederlandse Boekengids 2017#2 en bleef haken achter de verwijzing naar Wim van Rooy en diens ontkenning van het bestaan van een islamitische filosofie in Waarover men niet spreekt. Bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam. Hij daalde af in Van Rooy’s catacomben en schreef na terugkeer bij wijze van ingezonden brief het volgende reisverslag.

Onlangs zijn twee opzienbarende boeken over de islam verschenen. De Engelse schrijver en journalist Christopher de Bellaigue noemt zijn boek koelbloedig The Islamic Enlightenment en doet hierin verslag van de ontwikkeling in drie islamitische landen vanaf het midden van de 19:e eeuw; Turkije, Egypte en Iran. Hij heeft zelf langere tijd in het Midden Oosten gewoond en zijn sleutelwoorden zijn vooruitgang, emancipatie en democratie. Tegelijkertijd ontkent hij niet dat er sinds de moord op Anwar al-Sadat sprake is van een terugval. Het andere boek is een geleerde studie van de voortijdig overleden Pakistaans/Amerikaanse schrijver Shahab Ahmed, getiteld What is Islam? Op de kaft is een wijndrinkende Mongoolse keizer afgebeeld met een boek in zijn hand. Op de vraag wat er islamitisch is aan wijn drinken, antwoordt Ahmed: alles! In zijn universum draait islam om liefde en broederschap; een soort vergeestelijkte Franse Revolutie… Dit klinkt misschien onwerkelijk maar de bibliografie en het notenapparaat zijn indrukwekkend, zo niet intimiderend.

De Vlaamse publicist en schrijver Wim van Rooy is een heel andere mening toegedaan. Hij presenteert zichzelf in Waarover men niet spreekt als een kenner van de islam, maar we moeten hem op zijn woord geloven want de bibliografie in zijn boek is zeer beknopt en voetnoten ontbreken. Dat maakt het lastig om zijn beweringen en feiten te staven. Hij kiest voor een polemische stijl om de ‘Religie van het Kwaad’ te veroordelen. Ondanks dat alles, of misschien juist daarom, verdient zijn boek onze aandacht, niet ons doodzwijgen. De politiek correcte reflex om over Wim van Rooy en zijn werk niet te spreken, mag verleidelijk zijn – bespreken lijkt me constructiever. Maar waar te beginnen?

Rousseau als zondebok

Jean-Jacques Rousseau heeft door de eeuwen heen veel kritiek gekregen. Het meest gehoorde verwijt is dat hij verantwoordelijk zou zijn voor de Franse revolutie in het algemeen en de Terreur in het bijzonder. In het verlengde hiervan wordt hij afgeschilderd als een voorloper van allerlei vormen van totalitarisme, van Stalin en het nazisme tot Pol Pot. Zijn begrip ‘de algemene wil’ is een dankbare rode lap; eenzelfde canard houdt Jezus verantwoordelijk voor de kruistochten, Marx voor de Goelag en Pippi Langkous voor racisme in het hoge Noorden.

Een onderstroom van kritiek richt zich op nagenoeg het tegenovergestelde: Rousseaus veronderstelde naïeve hang naar romantiek en het pastorale. Zijn meest bekende strijdkreet is ongetwijfeld ‘Terug naar de natuur!’, iets wat overigens niet terug te vinden is in zijn geschriften. Met regels en wetten zouden we door de maatschappij vakkundig zijn gedomesticeerd: van nobele wilden werden we makke consumptieschapen. En, zo zou Van Rooy daaraan toevoegen, sinds de sixties zijn we (dankzij Rousseau) allemaal getransformeerd tot weekdieren en dromerige softies. Het voorlopige dieptepunt bereikt Van Rooy als hij Rousseau beschuldigt van de teloorgang van de door ons allen – nou ja, bijna allen – geliefde Zwarte Piet.

Toen ik jong was zei mijn vader graag ‘verlaag je stemgeluid en versterk je argumenten’. Of dit een les was in algemene beschaving weet ik niet, maar tegenwoordig lijkt het een hopeloze opgave. Men zou ten onder gaan in de almaar rijzende stormvloed van ruis en kabaal – die volgens Saul Bellow (in There is simply too much to think about) rond de Eerste Wereldoorlog aanzwol en sindsdien steeds luider klinkt. We zouden overspoeld worden door de vloed van meningen en overtuigingen. Als je je stem niet verheft, word je niet gehoord, althans, dat is de algemene veronderstelling.

Of je jezelf, laat staan anderen, door je zo te laten horen ook verheft doet er kennelijk niet toe. Verheffing, ooit een glorieus ideaal, is een verdacht begrip geworden – net zoals het woord ideaal zelf. Een dragend idee achter het politieke denken is tot ‘niet meer van deze tijd’ verklaard. Rutte’s olifant is emblematisch geworden. Een ideaal, laat staan een utopie, is niet alleen onhandig, maar bovendien gevaarlijk; voor je het weet leidt het je naar Auschwitz.

Plankgas

Wim van Rooy geeft van meet af aan plankgas. Een spervuur van invectieven vliegt om de oren van zijn intellectuele tegenstanders, die hij steevast wegzet als klein van postuur of in het bezit van een beperkte intelligentie, vaak in combinatie met beschuldigingen van antisemitisme. Om een indruk te geven van de polemische smaken uit zijn kruidentuin volgt hier een kleine bloemlezing:

De overbetaalde rode baronnen Pauw & Witteman zijn islamcollaborateurs; de helft van de gasten bij DWDD zijn van de PvdA; de antisemiet, volger van Malcolm X en stiekeme moslimbroeder Barrack (Hussein) Obama voert dezelfde strijd als Boko Haram; de verdwaasde en gekke non Karen Armstrong draait een witwasmachine voor de Islam; de pinnige schrijfster Kristien Hemmerechts is een heksensabbatvierdster (?); Amos Oz behoeft psychiatrische hulp; en Bas Heijne een averechtse racist die stijf staat van hysterische redelijkheid.

Feministen zet hij weg als overjarige tuinkabouters maar het meeste venijn bewaart hij voor zijn haatobject nummer 1 – Tom Lanoye. Deze raaskallende sjamaan koketteert volgens Van Rooy met zijn humaniteit, bezit een kakkineuze ijzigheid en is hautain narcistisch. Verder is hij een knorrige, verbeten fascistenjager en een clichémannetje (p. 499). Guy Verhofstadt doet er nauwelijks voor onder als arrogante kwast en lodderige brulboei, een hysterische eurofiel die vadsig en verveeld achterover leunt als een Turkse pasja, roepend en tierend als een ‘europaat’ (p. 122), en zo voort.

Kon je er maar om lachen. Maar het is zo over the top dat al die noodlijdende bijvoeglijke naamwoorden als een zielig hoopje achterblijven in de catacomben van de ziel, vermoedelijk waar de onderbuik zich bevindt.

Niet voor niets heeft het boek een rood leeslintje…

Alternative facts

Wat is het idee achter dit boek? Dat de Islam, zoals Paul Cliteur in het voorwoord schrijft, geen religie is maar een ideologie. Islam is het hedendaagse nazisme, er is geen verschil tussen een islamist en een gewone moslim, liberale of gematigde moslims bestaan niet. Van Rooy beweert één keer dat zich in onze maatschappij ‘perfect functionerende’ moslims bevinden (p. 206). Maar écht betrouwbaar zijn ze natuurlijk niet want zij maken gebruik van taqqiya (red.: dissimulatie, met name in de sjiitische islam toegestaan om aan religieuze vervolging te ontsnappen), volgens Van Rooy een vrijbrief om de waarheid niet te hoeven spreken. In het boekje Islam and the Future of Tolerance legt Maajid Nawaz aan Sam Harris uit dat taqqiya een nogal obscuur begrip is binnen de soennitische islam en dus door tenminste tachtig procent van de moslims wereldwijd niet wordt erkend als toegestaan. Maar ja, dat is natuurlijk ook weer taqqiya.

In een interview met Knack.be van januari vorig jaar, vraagt Van Rooy bij wijze van beroep op zijn geleerdheid ‘Staat er één letter in mijn boek die niet klopt?’ Een greep.

Hij citeert niemand minder dan Christopher Hitchens, die over islamofobie gezegd zou hebben: ‘A word created by fascists, to be used by cowards to manipulate morons’ (p. 65). Die ‘niemand minder’ is in werkelijkheid Andrew Cummins (Patheos, 12 mei 2014). Zijn slordige omgang met bronnen blijkt ook uit Van Rooy’s voortdurende verhaspelen van prominente Zweden (hij is licentiaat Zweeds en is er trots op): voormalig premier Reinfelt wordt soms Rheinfeld gespeld, Törnqvist wordt Trönqvist, en Tullberg wordt afwisselend Tullburg en Tullburgh.

Hij beveelt het veelbesproken boek aan dat de hierboven genoemde Jan Tullberg schreef over de economische kosten van migratie. Dat de beroemde Zweedse econoom Jan Ekberg een vernietigend rapport schreef over de berekeningen van Tullberg, en die laatste zelfs beschuldigt van het moedwillig verdubbelen van de beraamde kosten om de immigratie in een kwaad daglicht te stellen? Daarover geen woord.

Ook de vele statistieken waarvan Van Rooy zich bedient zijn niet moeilijk in twijfel te trekken. Waar hij zegt dat negentig procent van de moslims pro-ISIS zou zijn, constateert Gallup dat het vijftien procent is. Volgens The Washington Institute is er onder de bevolking van Egypte, Saoedi-Arabië en Libanon nauwelijks steun voor ISIS. Van Rooy beweert dat het Zweedse BNP door de immigratie drastisch zou zijn gedaald, maar cijfers wijzen uit dat Zweden bovengemiddeld presteert en in 2015 op de achtste plaats komt in Europa, vergelijkbaar met Nederland (bronnen: Statistiska centralbyrån, OECD en Eurostat). Hoe dat te rijmen met de kennelijk torenhoge kosten van de ‘massamigratie’?

Evenmin komt het geloofwaardig over Zweden het meest antisemitische land van Europa te noemen, of Noorwegen ‘het Pakistan van het Westen’. Ten overloede, The Jerusalem Post constateerde in april 2009 dat ‘Norway does not suffer from widespread antisemitism’. Van Rooy’s bewering dat de Zweden de moslims van het westen zijn geworden en dat Malmö de meest antisemitische stad van Europa zou zijn, is een gotspe.

Rammelende wapenrusting

Wat Van Rooy boven alles wil benadrukken, is dat een vreedzame samenleving tussen christenen, joden en moslims een mythe is, en ook altijd is geweest. Professor emeritus joodse geschiedenis in de islamitische wereld Mark R. Cohen (Princeton University) meent dat tot op zekere hoogte ook, maar waarschuwt voor een tegen-mythe: het is onjuist om ervan uit te gaan dat moslims de joden altijd vervolgd hebben en dat het antisemitisme van vandaag een rechtstreekse voortzetting is van veertien eeuwen onderdrukking. Cohen spreekt liever van een ‘vibrant cultural exchange’ die het Jodendom wetenschappelijk en filosofisch verrijkte. De beroemde Genizafragmenten, gevonden in een Caïrese synagoge, geven een uniek beeld van het joodse dagelijkse leven in de islamitische middeleeuwen. De joden moesten als niet-moslims weliswaar een dhimmi-belasting betalen maar hadden geen slecht leven, stelt Cohen. Ze waren vrij om handel te drijven en ze werden rechtvaardig behandeld door islamitische rechters; er werden zelfs synagogen gebouwd onder islamitisch gezag. Volgens Cohen is het in onze tijd van belang dat joden en moslims beseffen dat er niet altijd sprake was van haat en nijd maar ook van een culturele kruisbestuiving. De mythe van een verloren multicultureel paradijs, noch die van een eeuwige oorlog, dragen bij aan een genuanceerd beeld van het verleden en een vruchtbare dialoog voor de toekomst.

Een ander consequent terugkerend voorbeeld van subjectieve historische beeldvorming over joods-christelijk samenleven met moslims betreft de Tweede Wereldoorlog. Omdat Van Rooy de islam gelijk stelt aan het nazisme, wil hij aantonen dat de moslims en masse voor Hitler ten strijde trokken. Als bewijs hiervoor dient het boek Islam and Nazi Germany’s War van de Engelse historicus David Motadel, dat onderzoekt in hoeverre de nazi’s probeerden en erin slaagden een anti-Britse, anti-Sovjet en anti-joodse alliantie te sluiten met de islamitische wereld. Van Rooy noemt het werk ‘savant’ maar heeft kennelijk niet geregistreerd dat Motadel ook schrijft dat ‘de Engelsen, de Fransen en de Sovjets succesvoller waren in het mobiliseren van de moslimpopulatie: honderdduizenden vochten […] tegen het Duitsland van Hitler. Alleen al vanuit het Franse Noord-Afrika maakten bijna een kwart miljoen moslims deel uit van het leger van de Gaulle en de bevrijding van Europa’.

Het was beter geweest als Van Rooy minder met zijn wapenrusting had gerammeld en meer werk had gemaakt van zijn bronvermelding.

Don Quichot

Het is een raadsel waarom dit boek zo’n baksteen moest zijn. De boodschap is tamelijk simpel en was effectiever overgebracht door minder dan de helft van het huidige aantal pagina’s. Dan had Van Rooy wellicht een bredere doelgroep kunnen bereiken en echt in debat kunnen gaan. Nu lijkt het er vooral op dat hij wel wil roepen en tieren maar niet de moed heeft zijn argumenten behoorlijk te onderbouwen. Het geheel verzandt in een schijngevecht tussen een meelijwekkende Don Quichot en onbeweeglijke molens in de polder.

Zijn laatste zin verwoordt kernachtig het emotionele gehalte van dit strijdschrift: ‘I told you so, you fucking fools.’