Intolerante democratie, weerbare rechtstaat?

door Jan Dirk Snel


Essay uit dBNg 2016#2

  • George van den Bergh, Bastiaan Rijpkema (inl.), René Cuperus (voorw.), Paul Cliteur (naw.), Wat te doen met antidemocratische partijen? De oratie van … uit 1936 (Elsevier, 2014), 228 blz. (bestel)
  • Udi Greenberg, The Weimar Century. German Émigrés and the Ideological Foundations of the Cold War (Princeton University Press, 2014), 288 blz. (bestel)
  • Werner Sollors, The Temptation of Despair. Tales of the 1940s (The Bellknap Press of Harvard University Press, 2014) 400 blz. (bestel)
  • Svetlana Tyulkina, Militant Democracy. Undemocratic Political Parties and Beyond (Routledge, 2015), 236 blz. (bestel)
  • Gereon Flümann, Streitbare Demokratie in Deutschland und den Vereinigten Staaten. Der staatliche Umgang mit nichtgewalttätigem politischem Extremismus im Vergleich (Springer VS, 2015), 436 blz. (bestel)
  • Bastiaan Rijpkema, Weerbare democratie. De grenzen van de democratische tolerantie (Nieuw Amsterdam, 2015) 256 blz. (bestel)

Mensen hebben tegenwoordig bar weinig fantasie. Als het om regeringsvormen gaat, kennen ze slechts twee benamingen. Een land is een democratie of het is een dictatuur. Democratie is goed, dictatuur is slecht. Maar zo eenvoudig is het niet, en onze democratie en rechtstaat zouden gediend zijn met meer besef van de kleuren die ‘de democratie’ kan aannemen, betoogt historicus Jan Dirk Snel aan de hand van zes recente boeken.

van den berghZuiver beschrijvend worden de aanduidingen democratie en dictatuur zelden gebruikt. Zo worden keurig gekozen presidenten als Vladimir Poetin en Recep Tayyip Erdoğan, met een hoge approval rate, regelmatig voor dictator uitgemaakt. Terwijl de politieke theorie sinds Polybios uitging van zes regeringsvormen – monarchie, aristocratie en democratie, met hun mogelijke verwordingen tirannie, oligarchie en anarchie – kon George van den Bergh in 1936 in zijn inaugurele rede aan de Universiteit van Amsterdam al opmerken: ‘Meer en meer deelt het spraakgebruik de staten in bij twee grote groepen, de democratische staten enerzijds, de niet-democratische, dictatuur-staten anderzijds.’

greenbergIn de achtergronden van die versimpeling biedt Udi Greenberg mooi inzicht. De twintigste eeuw werd The American Century, maar ze had natuurlijk Das deutsche Jahrhundert moeten worden. Daar zag het rond 1900 in ieder geval wel naar uit. Als Duitsland zich niet in twee wereldoorlogen met vernederende uitkomsten gestort had, was het nu niet alleen de leidende natie van Europa, maar van de hele wereld geweest. De Duitse afgang verklaart echter wel waarom hét grote Amerikaanse idool, democratie, tegenwoordig de mondiale norm is, waar nog maar één negatief sjabloon tegenover staat. Greenberg behandelt vijf Duitse intellectuelen van onverdacht democratische snit, die hun loopbaan in de Weimarrepubliek begonnen en die na 1933 voortzetten in de Verenigde Staten, waar ze het publieke discours behoorlijk beïnvloedden. Zo werd de Amerikaanse eeuw ook enigszins The Weimar Century.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Vier keerden er na de oorlog (tijdelijk) terug naar West-Duitsland om daar bij te dragen aan democratische heropvoeding of mee te schrijven aan nieuwe grondwetten. Carl J. Friedrich (1901-1984) was een protestant, die graag liet zien hoe democratie wel degelijk geworteld was in een lange Duitse traditie – met een hoofdrol voor het verbondsdenken van de calvinistische jurist Johannes Althusius (1563-1638). Ernst Fraenkel (1898-1975) was een sociaaldemocraat die zijn medesocialisten probeerde te doordringen van het geestelijk belang van de burgerlijke rechtsstaat. Waldemar Gurian (1902-1954) was een katholieke personalist die de liberale democratie als de meest adequate uitwerking van de eigen uitgangspunten beschouwde. Karl Loewenstein (1891-1973), net als het tweetal hiervoor van joodse huize, was een liberaal, die in democratie niet een louter formeel, relativistisch stelsel zag – zoals die andere grote liberaal, de rechtspositivist Hans Kelsen – maar betoogde dat ze een waarde op zich was, die recht deed aan de menselijke waardigheid. (Nummer vijf, Hans Morgenthau (1904-1980), de vader van het ‘realisme’ in de studie der internationale politiek, die uitgroeide tot de grote criticaster van het Vietnambeleid, bleef in de Verenigde Staten.)

Terwijl de vier, die trouwens evenzovele hoofdstromingen vertegenwoordigen die destijds ook het Nederlandse politieke en maatschappelijke landschap bepaalden, in de dagen van Weimar intellectueel steeds meer geïsoleerd raakten, werden hun denkbeelden in de in 1949 opgerichte Bondsrepubliek gretig omarmd. Greenberg laat zien dat ze zich door hun nieuwe vaderland bepaald niet als loopjongens lieten gebruiken, maar dat ze in dienst van de Amerikaanse overheid dikwijls hun eigen ideologische agenda uitvoerden, niet alleen in de VS of Duitsland trouwens, maar ook in Korea (Fraenkel) en Latijns-Amerika (Loewenstein).

De Duitse les

In het algemeen stonden deze politieke denkers een vrij elitaire vorm van democratie voor. Ze waren voor gematigde, representatieve democratie en tegen directe democratie zoals Rousseau die voor zich zag. Volksinvloed was heilzaam, maar dat volk diende geestelijk wel leiding te ontvangen van degelijk opgeleide politici, bestuurders en ambtenaren. Paternalisme, noemt Greenberg dat al te gemakzuchtig. Het lijkt mij het noodzakelijke uitgangspunt voor elke fatsoenlijke democratie. Ook doet Greenberg het diepgewortelde anticommunisme van het viertal al te goedkoop af als overdreven of zelfs paranoïde. Er valt heel goed over te discussiëren of het Amerikaanse beleid jegens het stalinistische Rusland of andere communistisch gemaakte staten pragmatisch gezien altijd het verstandigste was, maar dat het communisme een kwaadaardig systeem was, dat net als het nazisme miljoenen mensen vermoord had en nog vele miljoenen meer dagelijks onderdrukte, daar gaat hij wel erg lichtzinnig aan voorbij.

De vier waren vaak verrassend origineel in hun analyses. Het was Waldemar Gurian die in 1935 in Der Bolschevismus als Weltgefahr het begrip ‘totale staat’ introduceerde als overkoepelende typering voor zowel communisme als fascisme en nazisme, waaruit al snel de ‘totalitaire staat’ en het ‘totalitarisme’ groeiden. Een jaar later gebruikte Van den Bergh het begrip als vanzelfsprekend. Gurian liet zich niet in de luren leggen door het gegeven dat het nazisme, dat hem en democratische geestverwanten het leven onmogelijk maakte, ook fel tegen het bolsjewisme tekeerging. Gurian ontwaarde in de Sovjet-Unie niet zozeer marxisme als wel een racistisch en fanatiek nationalisme dat veel gemeen had met het Duitse nazisme. Hannah Arendt betrok hij regelmatig bij zijn activiteiten. Zijn naam mag tamelijk onbekend zijn, zijn analyses werken tot op heden door.

sollorsDe vijf democraten uit Greenbergs boek maakten in 1933 mee hoe de Reichstag via het zogenaamde Ermächtigungsgesetz de democratische staatsinrichting van de Weimarrepubliek om zeep hielp. Dat was een paradox: een democratie die zelfmoord pleegde. Karl Loewenstein presenteerde in 1937 een al even paradoxaal antwoord: partijen die een einde willen maken aan democratie, moeten verboden worden. Juist om constitutionele rechten te beschermen dienen diezelfde rechten aan dergelijke politieke groeperingen onthouden te worden. ‘Militante democratie’ muntte Loewenstein deze opvatting en in 1949 werd zijn streitbare of wehrhafte Demokratie de hoeksteen van het nieuwe Duitse Grundgesetz. In 1952 stelde het Bundesverfassungsgericht de Sozialistische Reichspartei (SRP), met allemaal nazistische kopstukken, buiten de wet, vier jaar later gebeurde hetzelfde met de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). Zo’n partijontbinding ging ver: alle zetels werden direct ontnomen, bezittingen onteigend, met de partij verbonden organisaties werden eveneens verboden en het oprichten van opvolgers onder een andere naam was bij voorbaat uitgesloten.

In zijn boek met verhalen over de Amerikaanse bezetting van Duitsland na 1945 beschrijft Werner Sollors geestig hoe Loewenstein in het najaar van 1945 overeenkomstig zijn eigen theorie handelde. De befaamde staatsrechtgeleerde Carl Schmitt, die in 1934 betoogd had dat de Führer het recht voor het ergste misbruik beschermde door in het ogenblik van gevaar als opperste rechter onmiddelbaar recht te scheppen, liet hij arresteren. Waarna hij eigenhandig in Berlijn diens bibliotheek doornam en er een rapport over schreef.

Wat te doen met antidemocratische partijen

tyulkinaIn Militant Democracy beschrijft Svetlana Tyulkina hoe het Duitse model in heel wat landen navolging kreeg, vooral in staten die een kwart eeuw geleden afscheid namen van het communisme. Ook Australië, India, Israël en Turkije komen in dit nuttige overzicht uitvoerig aan de orde. Terwijl Tyulkina in het concept militante democratie zeker geen universele panacee ziet, meent ze toch dat het soms heilzaam kan werken. Een wat onthechtere benadering kiest Gereon Flümann in zijn gedetailleerde werk over Streitbare Demokratie in Deutschland und den Vereinigten Staten. Zijn studie toont dat het bij militante democratie niet direct gaat om het tegengaan van ‘democratische zelfmoord’, maar veeleer om de omgang met niet-gewelddadige extremistische groeperingen. Het voorstel van Tyulkina het begrip ‘militante democratie’ vruchtbaar te maken voor terrorismebestrijding is dan ook weinig gelukkig. Terrorisme is weliswaar politiek gemotiveerd, maar vanuit wettelijk oogpunt gaat het om pure criminaliteit en dat is iets heel anders dan slinks gebruikmaken van rechtsstatelijke middelen ter verwezenlijking van onvrijheidslievende doeleinden.

flumannOverigens is het kiesstelsel van grote invloed op het publieke debat. Het verouderde kiesstelsel (‘first past the post’) in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en vele landen met het Westminstermodel drukt kleine of zelfs niet eens zo erg kleine politieke groeperingen onvermijdelijk in de marge. Diverse fatsoenlijke stromingen krijgen zo geen kans, maar extremisten dus ook minder. Evenredige vertegenwoordiging als in Nederland en Duitsland leidt direct tot meer aandacht voor extreme uitingen. In Duitsland vormt de 5%-kiesdrempel een zekere hindernis, maar belangrijker lijkt de politieke cultuur, de Verfassungspatriotismus, die rechtsstatelijke waarden tot gedeelde kern van het publieke vertoog verklaart en ras tot stevige kritiek op extremistische uitingen leidt.

Terwijl deze studies vooral naar de praktijk kijken, probeert Bastiaan Rijpkema in zijn proefschrift een rechtsfilosofische grondslag te leggen voor het tegengaan van democratische zelfdestructie. Hij sluit daarbij aan bij de oratie van Van den Bergh, waarvan hij een jaar voor zijn promotie een nieuwe uitgave bezorgde. Rijpkema zoekt naar een middenweg tussen een puur formele opvatting van democratie – regels kunnen nu eenmaal gewijzigd worden – en een materiële invulling, waarbij het aankomt op fundamentele waarden waar overheid en samenleving voor staan en die het verdienen met hand en tand verdedigd te worden, Loewensteins benadering dus. Overtuigend betoogt Rijpkema dat een overheid haar constitutionele orde, als uitdrukking van diepgewortelde waarden en praktijken, best mag beschermen tegen aanvallers die oneigenlijke middelen hanteren. Hij toont bovendien aan dat optreden tegen foute partijen wel degelijk effect heeft. Maar wie goed kijkt, ziet dat het dan niet om afweer tegen ultieme democratische zelfmoord gaat, maar simpelweg om extremisme, dat niet direct fataal hoeft te zijn.

Omdat Loewensteins militante democratie gemakkelijk tot uitglijders leidt, probeert Rijpkema in aansluiting bij Van den Bergh een solidere politiek-filosofische grondslag voor een eventueel partijverbod te ontwikkelen. Hij ziet die in ‘democratie als zelfcorrectie’. Een democratie neemt uiteraard vaak foute beslissingen, maar elk besluit is herroepelijk, behalve het besluit de democratie op te heffen. Dat klopt natuurlijk, maar daarmee is die zelfcorrectie nog niet het ‘unieke wezen’ van de democratie. Alle instellingen die we nu democratisch noemen – parlement, machtenscheiding, rechtstaat met grondrechten – stammen van voor de democratie, uit een gemengde regeringsvorm die meestal constitutionele monarchie heette en die in feite eerder een open aristocratie was.

Rijpkema omschrijft democratie als ‘zelfbestuur’. Feitelijk is dat onjuist. Ook in wat vandaag een democratie heet, regeert de regering en niet het volk, dat wel een zekere invloed uitoefent. Doordat Rijpkema het begrip democratie in een beperkte, procedurele zin opvat, ontdekt hij slechts een gering aantal grondwetsartikelen en grondrechten die een waarborg tegen democratische suïcide zouden bieden. Maar daarmee gaat zijn hele boek over een achterhaald probleem. Democratie is na de oorlog zozeer de norm geworden dat niemand er meer tegen durft te zijn. In het Interbellum was democratie nog een verse, omstreden leus. Liberalen en confessionelen waren – op de linkervleugels na – van origine zeker niet principieel democratisch en marxistische sociaaldemocraten zagen er slechts een tactiek voor vestiging van de dictatuur van het proletariaat in. Democratie was kortom een gemakkelijk doelwit voor wie zich tegen het veronderstelde loze gepalaver van het parlementarisme keerde. En ook in fascisme en communisme gebeurde dat in naam van het volk.rijpkema

Een historisch dwaalspoor

Van den Bergh verstond onder democratie bovendien de volledige rechtstaat met ‘geestelijke vrijheid en gelijkheid voor de wet’. Vormden in zijn dagen fascisme, nationaalsocialisme en communisme het probleem, in onze tijd had het zogenaamde populisme de casus bij uitstek moeten vormen. Zo betoogde Van den Bergh dat er een afzonderlijke wet op staatkundige verenigingen moest komen, die leden ‘een behoorlijke mate van invloed’ op de verkiezing van partijbesturen zou geven. Een politieke onderneming als de PVV, met als enig lid Geert Wilders (als persoon en stichting), achtte Van den Bergh dus ontoelaatbaar, zoals ook de Duitse wetgeving een dergelijke constructie op geen enkele wijze toestaat.

Van den Bergh meende dat partijen wegens strijdigheid met de goede zeden verboden konden worden. Daartoe rekende hij ook de onaantastbaarheid van fundamentele zedelijke en rechtsbeginselen als vrijheid van godsdienst en overtuiging, alsmede gelijkheid voor de wet. De PVV keert zich nadrukkelijk tegen de rechtsstaat. Op de gelijkheid voor de wet en de vrijheid van meningsuiting en levensovertuiging (alsmede onderwijs) wil ze forse inbreuken maken. Ook de machtenscheiding en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vormen een doelwit voor aanvallen, terwijl het herhaalde afgeven op ons ‘nepparlement’ minachting voor democratische kerninstituties verraadt. Het is duidelijk dat de traditioneel fascistische flirt met gewelddadigheid en fysieke massaliteit ontbreekt, maar mogelijk zou men de PVV wel kunnen typeren als individualistisch, hedonistisch fascisme met een democratisch gezicht. In zijn nabeschouwing bij Van den Berghs rede provoceert Paul Cliteur dan ook enorm als hij Wilders een verdediger van de ‘waarden van de democratie’ noemt. Hij zou moeten beseffen dat Van den Berghs betoog rechtstreeks leidt tot een mogelijk verbod van de antirechtsstatelijke PVV.

Van den Bergh verstond onder democratie de rechtsstaat en daar had Rijpkema’s boek dan ook over moeten gaan: of je partijen die de democratie wel zeggen te aanvaarden, maar de rechtstaat verwerpen, zou moeten verbieden. Ik zou daar huiverig voor zijn, maar het is wel de vraag die Van den Bergh ons voorlegt. De gangbare, oordelende tegenstelling tussen democratie en dictatuur is onvolledig. Het grote probleem ligt in ‘The Rise of Illiberal Democracy’, zoals Fareed Zakaria zijn befaamde artikel in Foreign Affairs (1997) noemde. Hoe wapenen we ons tegen het streven naar een onrechtsstatelijke democratie, waar Rusland en Turkije voorbeelden van zijn en waar de PVV ten onzent een vertegenwoordiger van is? Rijpkema zou een vervolg moeten schrijven over de ‘weerbare rechtsstaat’. Dat is namelijk de werkelijk urgente vraag: wat kan een rechtsstaat verdragen?