Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis

In de ogen van buitenstaanders is ideeëngeschiedenis ongetwijfeld een saai en stoffig vak, uitgeoefend door bedaagde lieden die geen vlieg kwaad doen. Toch kunnen de emoties hier hoog oplaaien, en heeft dit vakgebied soms de trekken van een slagveld. Veldheer Jonathan Israel en zijn criticasters kunnen erover meepraten. Door Rob Hartmans.

Een paar jaar geleden kwam de Amerikaanse historicus David A. Bell met een opvallende metafoor, toen hij probeerde duidelijk te maken hoe de visie op de Verlichting de afgelopen decennia was veranderd. Lange tijd was die namelijk gezien als een duidelijk omlijnde beweging met een specifiek ‘programma’, of om met Peter Gay te spreken ‘a single army with a single banner’. [1] Vooral onder invloed van de zogenoemde ‘Cambridge School’ van historici als Quentin Skinner en John Pocock, is dat veranderd. Er kwam veel meer aandacht voor de verschillen tussen allerlei denkers en schrijvers, er werd nauwkeurig gekeken naar de context waarbinnen ideeën waren geventileerd, waardoor ook meer nadruk werd gelegd op de verschillende vormen die de Verlichting in diverse landen aannam. Er werd onderzocht hoe denkbeelden werden verspreid, en welke betekenis bepaalde begrippen in die tijd hadden – een betekenis die niet zelden afwijkt van wat wij er tegenwoordig onder verstaan.


Essay uit dBNg 2016#4

Radical Enlightenment Enlightenment Contested Democratic Enlightenment Revolutionary Ideas


Bell schrijft dat ideeënhistorici zich veel meer bewust werden van de ‘landmijnen’ die op hun terrein verborgen liggen, en die ervoor kunnen zorgen dat een helder beeld of een overtuigend klinkende generalisatie in duizend stukken uiteenspat. Veel historici zijn echter zo bevangen door deze vrees, dat ze nauwelijks nog ‘vooruit’ komen en niet meer in staat zijn een duidelijk beeld van het verleden te schilderen. Anderen lijken daarentegen meer op maarschalk Zjoekov, tijdens de Tweede Wereldoorlog de bevelhebber van het Rode Leger, die zijn opmars niet liet vertragen door de mijnenvelden die de Duitsers hadden aangelegd en zijn infanterie daar dwars doorheen liet marcheren. Dit ging ten koste van enorm veel slachtoffers, maar hij bereikte uiteindelijk wel Berlijn. Deze historici laten zich niet afleiden door Skinneriaanse subtiliteiten, maar rukken onverdroten op naar hun einddoel en hebben geen boodschap aan de nuances en gerechtvaardigde vraagtekens die onderweg sneuvelen. Volgens Bell is met name Jonathan Israel zo’n ‘Zjoekov’. [2]

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

1
Links: Jonathan Israel | Midden: Spinoza, onbekende schilder, ca 1665 | Rechts: Denis Diderot, Louis-Michel van Loo, 1767

Heldere Verlichting

Hoewel de drie dikke boeken die Jonathan Israel over de Verlichting heeft geschreven – Radical Enligthenment (2001), Enlightenment Contested (2006) en Democratic Elightenment (2011) – bij elkaar zo’n 3000 bladzijden tellen (en in Nederlandse vertaling nog meer), laat zijn visie op dit verschijnsel zich vrij gemakkelijk samenvatten. [3] Zijn idee van de Verlichting is namelijk zo eenvoudig dat zelfs Max Pam, Sebastien Valkenberg en Annabel Nanninga het kunnen begrijpen. [4]

Hoewel belangrijk voorwerk was gedaan door René Descartes, begon de Verlichting bij Spinoza. Diens monistische filosofie (die uitgaat van de eenheid van geest en materie) was volgens Israel volstrekt rationalistisch en materialistisch en resulteerde noodzakelijkerwijs in wat wij zien als de kernwaarden van de moderniteit – vrijheid van gedachte en meningsuiting, democratie, tolerantie, seksuele en raciale gelijkheid en het idee van de rechtsstaat. Lange tijd leidde deze Radicale Verlichting een min of meer ondergronds bestaan, terwijl tot aan het einde van de achttiende eeuw vooral vertegenwoordigers van de Gematigde Verlichting de toon aangaven. Volgens Israel waren destijds invloedrijke auteurs als Voltaire, Montesquieu en Hume slappe figuren die terugdeinsden voor de consequenties van de door Spinoza onthulde waarheid. Zij trachtten geloof en rede met elkaar te verzoenen en keerden zich niet principieel tegen elke vorm van feodaal en religieus gezag.

Uiteraard ontkent Israel niet dat deze Gematigde Verlichting indertijd heel invloedrijk was – niet alleen veel burgers namen deze denkbeelden over, maar ook tal van vorsten zagen zich graag als ‘verlicht’ – maar omdat ze niet spinozistisch was, was ze intellectueel inconsistent. Politiek die gebaseerd was op de ondeugdelijke ideeën van de Gematigde Verlichting moest uiteraard wel mislukken, zodat het niet meer dan logisch dat vanaf 1780 de radicale Verlichtingsideeën de overhand kregen. Het waren ook deze ideeën die de Franse Revolutie veroorzaakten. Vrijheid, gelijkheid, broederschap – het waren de idealen van de Radicale Verlichting en die werden hier in praktijk gebracht.

Nu zou de argeloze lezer misschien voor een moment kunnen denken dat Israel tot degenen behoort die – net als Horkheimer & Adorno, Isaiah Berlin en John Gray – oog heeft voor de schaduwzijden van de Verlichting, die manifest werden tijdens de Terreur en de genocidale oorlogen in de Vendée en Bretagne die ook deel uitmaakten van de Franse Revolutie. Dit is echter een vergissing, althans waar het gaat om de Radicale Verlichting. De Terreur was immers het werk van Robespierre en consorten, en die behoorden niet tot de Radicale maar tot de Gematigde Verlichting. Voor dezelfde argeloze lezer lijkt het wellicht merkwaardig dat extremisme niet voortkomt uit een radicale houding maar uit gematigde opvattingen, maar voor Israel ligt het heel eenvoudig. Alleen de Radicale Verlichters waren moderne democraten, zodat iedereen die daar niet toe behoorde geen moderne democraat kón zijn en hooguit een autoritaire populist was. Robespierre cum suis waren aanhangers van Rousseau, en die had nu eenmaal gebroken met een radicale denker als Diderot en had uiteindelijk nog maar zo weinig met de Verlichting gemeen dat veel van zijn denkbeelden werden overgenomen door katholieke geestelijken die tekeer gingen tegen de Verlichting en de Revolutie.

Het grappige is dat Israel in Revolutionary Ideas, zijn in 2014 verschenen boek over de Franse Revolutie dat een vervolg is op zijn Verlichtingstrilogie, dezelfde oorzaak voor deze wereldschokkende gebeurtenis aanwijst als de christelijke tegenstanders van Verlichting en Revolutie: ongeloof. Doordat Spinoza en diens volgelingen radicaal braken met het geloof in God en andere bovennatuurlijke krachten, ontstonden de moderne denkbeelden waarbij de mens in het middelpunt staat, en die wel tot de Revolutie moesten leiden. In dit opzicht zit Israel dan ook op dezelfde lijn als Guillaume Groen van Prinsterer, de grondlegger van de politieke orthodox-protestantse beweging in Nederland die in 1847 zijn Ongeloof en Revolutie publiceerde, zij het dat de heren in hun waardering van het verschijnsel an sich diametraal tegenover elkaar staan. [5] Historici die van mening zijn dat de Revolutie het gevolg was van een enorme kluwen ongelijksoortige oorzaken van economische, fiscale, politieke, maatschappelijke, levensbeschouwelijke en culturele aard, worden door Israel niet serieus genomen. Ontwikkelingen op deze terreinen zullen misschien een minieme rol hebben gespeeld, maar uiteindelijk was er slechts één ‘big cause’: de ideeën van de Radicale Verlichting.

Sociaaleconomische geschiedenis

Als een filosoof zoiets schrijft, kijk je daar wellicht niet zo van op, omdat filosofen zich nu eenmaal primair met ideeën bezighouden en velen van hen nogal eens geneigd zijn de historische context te veronachtzamen. Maar in het geval van Jonathan Israel is het heel vreemd, aangezien hij nu juist lange tijd een historicus was die zich vooral concentreerde op de sociaaleconomische geschiedenis – met zijn nadruk op anonieme lange-termijnontwikkelingen – maar die ook al snel oog kreeg voor het belang van politieke en militaire machtsverhoudingen en ontwikkeling op cultureel, maatschappelijk en intellectueel gebied. [6]

Dit resulteerde in 1995 in zijn voorlopige magnum opus, The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall, 1477-1806. Hierin beschrijft hij uitgebreid hoe de noordelijke Nederlanden zich vanaf de late Middeleeuwen ontwikkelden tot een gebied dat in sociaal-economisch opzicht uniek was; een uniciteit waaruit onder invloed van de politieke en religieuze gebeurtenissen van de zestiende eeuw een zelfstandige staat met een geheel eigen economische en politieke dynamiek voort kon komen. Bovendien ging dit gepaard met een opmerkelijke intellectuele dynamiek, die ervoor zorgde dat de Republiek ‘niet alleen de algemene stapelmarkt voor schepen en handel uit de hele wereld [werd], maar ook voor boeken, drukwerk, ideeën, godsdiensten en lieden die het licht hadden gezien.’ [7]

Vergeleken met zijn werk over de Verlichting en de Franse Revolutie is dit een heel brede, ogenschijnlijk genuanceerde benadering, maar zelfs toen al gaf hij blijk van enige ‘maarschalk Zjoekov-trekjes’. Bij zijn pogingen de opkomst van de Noordelijke Nederlanden te verklaren vergeleek hij deze met het Spaanse wereldrijk, waarvan ze deel hadden uitgemaakt, en veegde daarbij zonder omhaal het werk van de vermaarde Fernand Braudel en verschillende Nederlandse economische historici van tafel. Op kritiek op zijn brongebruik en tegenwerpingen dat de relaties die hij legde tussen economische trends en politieke ontwikkelingen vaak wel erg simplistisch waren, reageerde hij doorgaans met het stoïcijns (en soms iets minder stoïcijns [8]) herhalen van zijn eigen visie.

2
Links: David Hume, Allan Ramsay, 1766 | Midden: John Locke, naar sir Godfrey Kneller, circa 1700 | Rechts: Montesquieu, door een onbekende kunstenaar, 18e eeuw

Herculische taak

Hoewel vakgenoten dus forse kritiek uitten, wist Israel met zijn vuistdikke boek over de Republiek wel ineens een veel breder publiek te bereiken. Na dit succes verlegde hij zijn aandacht naar een geheel nieuw onderzoeksterrein. In 2001 verscheen Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750, dat veel opzien baarde. Het boek verscheen kort voor de aanslagen van 11 september, en na decennia waarin er vooral op sombere toon over de Westerse samenleving en de schaduwzijden van de Verlichting was gesproken, kwam een boek dat deze fenomenen uiterst positief beschreef als geroepen. Op een moment dat niet-westerse religieuze fanatici ‘ons’ de oorlog verklaarden, was het fijn te lezen dat we alle reden hadden om trots te zijn. Voor Nederlanders kwam daar nog bij dat ons land ineens de bakermat bleek te zijn geweest van die Radicale Verlichting – en dat terwijl lange tijd was beweerd dat een boek over de Verlichting in Nederland even interessant zou zijn als ‘een verhandeling over wijnbouw boven de Moerdijk’. [9]

Radical Enlightenment is evenals de twee vervolgdelen een buitengewoon imponerend boek. Israel schildert een bijzonder breed panorama van het intellectuele leven in Europa tussen 1650 en 1750, waarbij hij uitgebreid ingaat op de opkomst van grote bibliotheken, het ontstaan van tijdschriften, de sterk expanderende boekhandel en de geschriften van ongelooflijk veel auteurs waar de meeste mensen nog nooit van hadden gehoord. In de loop van zijn onderzoek voor deze trilogie heeft hij een onvoorstelbare hoeveelheid archieven en bibliotheken bezocht, ook buiten Europa, waar hij soms zeer obscure publicaties in het Latijn, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Duits en Nederlands raadpleegde. In de bibliografie van het eerste deel beslaan de zeventiende- en achttiende-eeuwse geschriften maar liefst 23 grote bladzijden, in een klein lettertype (gevolgd door 30 bladzijden secundaire literatuur). Israels werkkracht en eruditie zijn immens, waardoor deze drie boeken een enorme Fundgrube vormen voor iedereen die zich interesseert voor de ideeëngeschiedenis van de periode van de Verlichting.

Wie een dergelijke herculische taak op zich neemt, stelt zich uiteraard bloot aan kritiek. De Verlichting is een onderzoeksterrein waarop erg veel historici actief zijn, van wie sommigen ook al veel langer met dit onderwerp bezig dan Israël, terwijl de meesten zich bij hun onderzoek veel meer beperkingen opleggen en zich veelal concentreren op één denker, één land, één beperkte periode of één aspect van het Verlichtingsdenken. Er lopen in dit veld dus tal van collega’s rond die op detailniveau deskundiger zijn dan iemand die de ‘hele Verlichting’, van 1650 tot 1789, in kaart wil brengen. Het kost hun ongetwijfeld weinig moeite om hier en daar te wijzen op een verkeerd jaartal, een onjuiste titel of een publicatie of auteur die Israel over het hoofd heeft gezien.

Dergelijke critici past de nodige bescheidenheid, omdat niemand anders zich aan een dergelijke onderneming heeft gewaagd. Veel van deze historici lijken op de al te behoedzame officieren die David Bell beschreef, die voorzichtig aan de rand van het mijnenveld blijven snuffelen, terwijl maarschalk Israel er dwars doorheen marcheert. Dit wil echter niet zeggen dat hun kritiek hiermee gediskwalificeerd is, en dat we niets mogen zeggen over de ‘slachtoffers’ die Israels aanpak oplevert. Bovendien is de stroom kritiek op Israels Enlightenment-trilogie en het daaropvolgende boek over de Franse Revolutie inmiddels zo aangezwollen, dat ze onmogelijk genegeerd kan worden.

Waterdicht schot

Naast het aanwijzen van feitelijke onjuistheden en Israels interpretatie van allerlei teksten, richt deze kritiek zich op twee hoofdpunten. Het eerste is dat Israel de Verlichting niet ziet als één geheel, met op de ene vleugel de radicalen en op de andere meer gematigde figuren, met daartussen mensen die in sommige opzichten radicaal en in andere gematigd zijn, of die de ene keer voor een radicalere lijn kiezen en zich de andere keer behoudender opstellen. Nee, Israel brengt een waterdicht schot aan tussen de Radicale en de Gematigde Verlichting. Men behoort tot het ene of tot het andere kamp, and never the twain shall meet. Hiermee verbonden is het tweede grote bezwaar dat velen tegen Israels verhaal over de Verlichting hebben, en dat is zijn spijkerharde, niet voor discussie vatbare stelling dat al het goede – in casu de kernwaarden van de moderniteit – afkomstig is uit de Radicale Verlichting, en dat de Gematigde Verlichting de vooruitgang op z’n best vertraagd maar in veel gevallen juist tegengewerkt heeft.

Tot de Radicale Verlichting behoorden alleen Spinoza, diens volgelingen en verder alle anderen die zich op een volstrekt rationeel en materialistisch standpunt stelden en radicaal democratische idealen nastreefden. Een belangrijk en zeer invloedrijk denker als Thomas Hobbes, die zich eveneens tegen de geopenbaarde godsdienst keerde en geldt als een van de grondleggers van de idee van de rechtsstaat, behoorde er niet toe, aangezien hij de monarchie verdedigde. Ook John Locke, David Hume en Montesquieu maakten geen deel uit van het selecte gezelschap van Radicale Verlichters. Hoe belangrijk hun ideeën over bijvoorbeeld de menselijke kennis of de evolutie van de samenleving ook waren, in maatschappelijk opzicht waren ze te conservatief om werkelijk een rol te spelen bij het ontstaan van de moderne samenleving. [10] Dat veel van deze Gematigde Verlichters in hun tijd veel invloedrijker waren – en iemand als Hume tegenwoordig door veel academische filosofen wordt gezien als de belangrijkste denker aller tijden – doet volgens Israel niet ter zake. Uiteindelijk bewandelden ze slechts doodlopende zijpaden, bleken hun denkbeelden achterhaald en was het alleen de Radicale Verlichting die zoden aan dijk van de moderniteit zette.

Hoewel lange tijd werd aangenomen dat de ideeën van Spinoza pas aan het eind van de achttiende eeuw invloed begonnen uit te oefenen, is Israel van mening dat ze vanaf ongeveer 1670 als een veenbrand onder het Europese denken hebben gewoed en de bodem onder de op geloof, gezag en traditie gefundeerd maatschappij definitief hebben ondermijnd. Er was sprake van een ondergrondse beweging die revolutionaire ideeën verbreidde die pas in de tweede helft van de achttiende eeuw aan de oppervlakte kwamen.

In een inmiddels beroemde recensie heeft de Franse historicus Antoine Lilti erop gewezen dat allerlei clandestiene stromingen die zich op de ideeën van Spinoza beriepen er vaak zeer uiteenlopende denkbeelden op na hielden, en het ‘spinozisme’ vooral bestond in de hoofden van de tegenstanders van revolutionaire denkbeelden die behoefte hadden aan een duidelijk vijandbeeld. [11] En waar Israel er herhaaldelijk op wijst dat veel van de radicale denkbeelden werden doorgegeven in de wijdverbreide kringen van deïsten, benadrukte S.J. Barnett dat die deïstische beweging voornamelijk in het hoofd van Israel bestaat, en dat het handjevol denkers dat je aan het begin van de achttiende eeuw zo zou kunnen noemen, allesbehalve een eensgezinde intellectuele beweging vormde. [12]

Door zo’n ondoordringbaar grenshek tussen de zogenoemde Radicale en Gematigde Verlichting op te richten moet Israel zich soms in vreemde bochten wringen. Zo verzweeg hij in de eerste twee delen dat Diderot, een van zijn grote helden, een heel boek heeft geschreven tegen bepaalde radicale opvattingen van de eveneens tot de Radicale Verlichters gerekende Helvétius, iets wat hij in latere publicaties stilzwijgend rechtzette. En in Democratic Enlightenment duikt ineens Johann Gottfried Herder op als ‘radical philosopher’, die fel tekeer gaat tegen de Gematigde Verlichting en een aanhanger van Spinoza is. Deze Duitse theoloog werd echter door Isaiah Berlin gekenschetst als een van ‘enemies of human liberty’ en geldt als een van de grondleggers van het nationalistische denken. [13] En de Israëlische historicus Zeev Sternhell, die evenals Israel niets wil weten van welke kritische kanttekening bij de Verlichting dan ook, beschouwt Herder zelfs als wegbereider van het nationaalsocialisme. [14]

Moderniteit

Doordat Israel alleen oog heeft voor wat in zijn ogen de Radicale Verlichting was, ziet hij over het hoofd dat soms ook figuren die in zijn ogen ‘gematigd’ waren een belangrijke bijdrage aan de moderniteit leverden, en dat de relatie spinozisme-moderniteit soms problematisch was.  De grote Spinoza-kenner Wiep van Bunge wijst er bijvoorbeeld op dat in het achttiende-eeuwse verzet tegen de slavernij christenen beter vertegenwoordigd waren dan atheïsten, en dat het hele concept mensenrechten – een van de hoekstenen van de moderniteit – in strijd is met het denken van Spinoza. Die was immers van mening dat iemands recht nooit verder strekt dan diens macht, en geloofde niet in zoiets als ‘de mensheid’. [15]

Door alles te laten beginnen bij Spinoza, waarbij Descartes de rol van wegbereider krijgt toebedeeld, heeft Israel ook absoluut geen oog voor ontwikkelingen die zich ruim vóór 1650 aftekenden. Dat bijvoorbeeld onze democratie niet alleen voortkomt uit radicale ideeën die in de zeventiende eeuw ontstonden, maar ook uit praktijken die reeds uit de Middeleeuwen dateren, is iets waar Israel niets van wil weten. En de eminente Renaissance-kenner Anthony Grafton wijst erop dat Israel ten onrechte de continuïteit miskent tussen vijftiende- en zestiende-eeuwse humanisme en de Verlichting en de indruk wekt dat de Bijbelkritiek pas begon met Spinoza. [16] Dat is ook de kritiek van de Nederlandse wetenschapshistoricus Eric Jorink. Volgens hem kan, in tegenstelling tot wat Israel schrijft, de bloei van de natuurwetenschappen in Nederland niet zonder meer verklaard worden uit het revolutionaire denken van Descartes en Spinoza. Het was vooral het doorsnijden van de band tussen theologie en wetenschap die de doorslag gaf. En deze scheiding was niet het resultaat van een overwinning van het rationalisme, maar van theologische en filologische debatten die voortkwamen uit een intellectuele ontwikkeling die al tijdens de Renaissance was begonnen. [17]

Verabsolutering ideeën

Wie de boeken van Jonathan Israel leest steekt hier enorm veel van op, al was het maar doorat hij bij zijn speurtocht naar de ondergrondse, subversieve netwerken van radicale denkers allerlei auteurs en activisten heeft opgedolven waarvan je het bestaan niet eens vermoedde. Maar bij zijn streven om een coherent, om niet te zeggen monolithisch beeld van de Verlichting als dé oorzaak van de moderniteit te schilderen, gaat hij wel extreem schematisch te werk, wat ten koste gaat van de rijkdom en diversiteit die kenmerkend is voor het intellectuele leven van de zeventiende en achttiende eeuw. Om nog eenmaal de beeldspraak van David Bell te hanteren: op zijn manier bereikt Israel ‘Berlijn’, maar het aantal gesneuvelden is inmiddels niet meer te tellen.

Bovendien, en hier komen we bij een derde punt van kritiek dat steeds luider klinkt, is het maar zeer de vraag of ‘Berlijn’ geen fata morgana is, een luchtspiegeling die alleen wordt waargenomen door Jonathan Israel. Vroeger had Israel nog oog voor de wisselwerking tussen ideeën en economische, sociale, politieke en culturele ontwikkelingen, maar tegenwoordig concentreert hij zich louter op ideeën, waarbij hij een radicaal onderscheid maakt tussen ‘goede’ en ‘foute’ denkbeelden. Ideeën zijn bij hem een soort ‘feiten’ geworden, die los staan van de maatschappelijke en culturele context en die dingen ‘veroorzaken’. Dit is iets waar niet alleen veel filosofen maar ook de meeste historici grote bezwaren tegen hebben. [18]

Het historische verschijnsel Verlichting gaat niet louter om een verzameling ideeën, waarbij je op basis van ‘juiste’ of ‘onjuiste’ denkbeelden kunt uitmaken of iemand er wel of niet deel van uitmaakte. Veel hedendaagse historici van de Verlichting kijken tegenwoordig naar de wijze waarop tijdgenoten erover dachten, naar wat volgens mensen in de achttiende eeuwen daden, gewoontes en denkbeelden waren die ‘verlicht’ waren, die getuigden van wat de esprit philosophique werd genoemd. Hierin stonden begrippen als ‘rede’ en ‘licht’ centraal, en werden nieuwe ideeën en inzichten ingezet om een antwoord te geven op allerlei concrete problemen en om noodzakelijk geachte hervormingen door te voeren. [19] En daarbij hoefde men allerminst een overtuigde spinozist, atheïst of radicale democraat te zijn. Door op deze manier naar de Verlichting te kijken, is er ruimte om aandacht te schenken aan ‘verlichte’ denkbeelden in verschillende landen, culturen en zelfs binnen godsdiensten. [20] Toegegeven, dit is een veel minder overzichtelijke of ‘harde’ benadering van de Verlichting dan de ‘methode-Israel’, maar het levert uiteindelijk wel een veel genuanceerder en vooral rijker beeld op.

Meer van dit moois? Neem nu voor slechts € 30,-direct een abonnement en lees De Nederlandse Boekengids een jaar lang zowel op papier als digitaal.


Noten

  1. Zie Peter Gay, The Enlightenment. An Interpretation, 2 delen (Londen 1970).
  2. David A. Bell, Recensie van Jonathan Israel, Democratic Enlightenment. Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790 (Oxford 2011), The New Republic, 1 maart 2012.
  3. In feite heeft Israel deze samenvatting al geschreven, namelijk in zijn A Revolution of the Mind. Radical Enlightenment and the Intellectual Origins of Modern Democracy (Princeton en Oxford 2010). Het curieuze is dat dit, voor Israel erg dunne, boek bestaat uit zes lezingen die hij in Oxford gaf ter nagedachtenis aan Isaiah Berlin, terwijl men zich moeilijk een visie op de Verlichting kan voorstellen die meer botst met de opvattingen van Berlin, die de Verlichtingsidealen weliswaar onderschreef, maar tevens wees op de schaduwzijden ervan en op de waardevolle inzichten van sommige vijanden van de Verlichting.
  4. Israel is zeer populair in kringen waar een felle afkeer van gelovigen wordt gecombineerd met een grote angst voor ‘de islam’ en niet-westerse culturen  in het algemeen, en waartoe ik de drie genoemde personen reken. Zijn interpretatie van de Verlichting wordt gezien als hét fundament van het vrije, tolerante, succesvolle Westen, dat in alle opzichten superieur is aan andere culturen. Zo is Sebastien Valkenberg van mening dat de respect- en genadeloze wijze waarop websites als GeenStijl of een omroep als Powned tegenstanders te lijf gaan niet moet worden gezien als een vorm van onfatsoen en hufterigheid, maar als een erfenis van Spinoza, die in zijn tijd immers ook tal van ‘heilige huisjes’ omver haalde. Zie: ‘GeenStijl als radicale Verlichter’, Trouw, 24 januari 2013. Wat Valkenberg hier (voor het gemak?) even vergat, was dat uitgerekend Spinoza erop hamerde dat de mens zich moest laten leiden door de ratio, en zo min mogelijk door zijn ‘aandoeningen’, de driften, instincten en emoties waar mensen nu eenmaal mee behept zijn. Deze levenshouding is m.i. slecht te verenigen met het ongeremd laten leeglopen van de onderbuik, zoals op GeenStijl gepraktiseerd en gepropageerd wordt.
  5. Zie Jonathan I. Israel, Revolutionary Ideas. An Intellectual History of the French Revolution from The Rights of Man to Robespierre (Princeton 2014). Het merkwaardige is dat Israel deze mening van christelijke tijdgenoten (dat het loslaten van het Evangelie de oorzaak van de Revolutie was) beschouwt als onderbouwing van zijn stelling. Toen zag men het correct, later is men gaan dwalen en andere oorzaken gaan zoeken. Dit is wel curieus, aangezien Israel vrijwel alle andere opvattingen van achttiende-eeuwse christenen volstrekt afwijst.
  6. Voor 2001 publiceerde hij, naast The Dutch Republic, de volgende monografieën en bundels: Race, Class and Politics in Colonial Mexico (Oxford 1975); The Dutch Republic and the Hispanic World, 1606-1661 (Oxford 1982); European Jewry in the Age of Mercantilism, 1550-1750 (Oxford 1985) Dutch Primacy in World Trade, 1585-1740 (Oxford 1989); Empires and Entrepots. The Dutch, the Spanish Monarchy and the Jews, 1585-1713 (Londen 1990). Conflicts of Empires. Spain, the Low Countries and the Struggle for World Supremacy, 1585-1713 (Londen 1997).
  7. De Republiek, 1477-1806, (Franeker 2001), 655.
  8. Zoals eerder ook in repliek op stevige kritiek van dezelfde aard op zijn Dutch Primcay in World Trade (Oxford 1991):  Jonathan I. Israel, ‘The ‘New History’ versus “traditional history” in interpreting Dutch world trade primacy’, BMGN CVI (1991) afl. 3,469-479.
  9. H.H. Zwager, Nederland en de Verlichting (Utrecht 1972). Overigens zette de uitgever van de Nederlandse vertaling van Israels boek het belang van Nederland extra zwaar aan, door niet alleen de tamelijk neutrale ondertitel te veranderen in ‘Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden’, maar ook door de portretjes op het stofomslag van buitenlandse denkers als Tschrinaus, Leibniz, Descartes, Newton, Diderot en Locke te vervangen door die van vaderlandse auteurs als Wittichius, Beverland, Becker, Nieuwentijdt, ’s-Gravezande en de in Rotterdam werkende Pierre Bayle.
  10. Voor kritiek op de wijze waarop Israel de kloof tussen Spinoza en John Locke overdrijft, zie Siep Stuurman, ‘Verlichting en tolerantie’, in: Jonathan Israel e.a., Gedachtevrijheid versus godsdienstvrijheid. Een dilemma van de Verlichting (Nijmegen 2007), 58-69.
  11. Antoine Lilti, ‘Comment écrit-on l’histoire intellectuelle des Lumières?’, Annales, jrg. 64, 171-206.
  12. S.J. Barnett, The Enlightenment and Religion. The Myths of Modernity (Manchester 2003), 13-20.
  13. Zie Isaiah Berlin, Freedom and Its Betrayal. Six Enemies of Human Liberty (Londen 2002). Dit was een lezingenreeks uit 1952. Voor een uitgebreid essay over Herder, zie Isaiah Berlin, Three Critics of the Enlightenment: Vico, Hamann, Herder (Londen 2000).
  14. Zeev Sternhell, The Anti-Enlightenment Tradition (New Haven / Londen 2010), 117-118, 276-277.
  15. Wiep van Bunge, De Nederlandse Republiek, Spinoza en de radicale Verlichting (Brussel 2010), 77. Overigens wijst Van Bunge er ook op dat Israel zich heel zonderling verhoudt tot de belangrijkste natuurwetenschapper van die tijd, Isaac Newton, die echter helaas geen spinozist was en, weliswaar op onorthodoxe wijze, heel gelovig was.
  16. Anthony Grafton, recensie van Radical Enlightenment, in Times Literary Supplement, 9 november 2001.
  17. Eric Jorink, Het Boeck der Natuere. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping, 1575-1715 (Leiden 2006). Hoe sterk de invloed van humanistische methoden en tactieken was op iemand als Pierre Bayle, een van Israels grote helden, blijkt heel duidelijk uit het boek van Jacob Soll, Publishing The Prince. History, Reading, and the Birth of Political Criticism (Ann Arbor 2005).
  18. Zie bijvoorbeeld Marin Terpstra, ‘Denken als godsdienst of denken tegen de godsdienst. Over de paradox van de vrijheid bij Spinoza’, in: Jonathan Israel e.a., Gedachtevrijheid versus godsdienstvrijheid (Nijmegen 2007), 70-98.
  19. Zie bijvoorbeeld Dan Edelstein, The Enlightenment. A Genealogy (Chicago 2010). Volgens hem was de Verlichting ‘not so much a change in the way people thought but a change in the way people thought about the way people thought’ (p. 13).
  20. Voor een zeer subtiel en nauwgezet onderzoek naar ‘de geografie van de Verlichting’, zie de magistrale, zesdelige reeks van J.G.A. Pocock, Barbarism and Religion (1999-2015). Vooral sinds de millenniumwisseling zijn er tal van boeken verschenen over de specifieke vormen die de Verlichting aannam in Engeland, Schotland, Ierland, de Duitstalige gebieden, Bohemen en noem maar op. Ook is er veel aandacht voor de Joodse Verlichting, de Haskalah, en allerlei vormen van religieuze Verlichting. Zie hiervoor o.a. David Sorkin, The Religious Enlightenment (Princeton en Oxford 2008) en Ulrich L. Lehner, The Catholic Enlightenment (Oxford 2016). Het moge duidelijk zijn dat Israel dit allemaal ziet als vormen van Gematigde Verlichting, die dus volstrekt irrelevant zijn.