Rob Hartmans aan Geerten Waling, 4 oktober 2018 (brief #11)

Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier.

Aan de hand van Geert Buelens’ De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis schreven Rob Hartmans en Geerten Waling elkaar over de erfenis van de jaren zestig. Ze pakken de draad weer op en bespreken de culturele omwenteling naar het selfie-tijdperk, waarin de individu centraal staat. Door Rob Hartmans

Beste Geerten,

Nou ja, bij dat ‘beste’ voel ik ineens een zekere aarzeling, wanneer ik nog eens een blik werp op het eind van de tweede alinea van jouw vorige brief. Daar maak je je vrolijk over de zelfingenomen, opportunistische, door het dunne ijs van hun vermeende idealisme gezakte babyboomers, die je vervolgens aanduidt als die ‘generatiegenoten van jou’. Wel hier en gunter! Ik heb niet alleen mijn hele werkende leven last gehad van die lui, die toen ik van de middelbare school af kwam zich inmiddels behaaglijk op de arbeidsmarkt hadden genesteld en pas met pensioen gingen toen mijn kansen definitief verkeken waren, maar bovendien hebben ze de generatie waartoe ik, geboren in 1959, behoorde het denigrerende stempel van ‘verloren generatie’ opgeplakt. Zij hadden de trotse ‘protestgeneratie’ gevormd, vervuld van grootse idealen en een ontembare strijdlust, terwijl wij niet meer zouden zijn dan een stelletje sneue sukkels dat zich neerlegde bij de status quo en nergens meer in geloofde. Flikker toch op met die babyboomers!

Maar goed, ik snap best dat het voor iemand die halverwege de jaren tachtig is geboren af en toe lastig is om gradaties in al die grijze hoofden te zien, zodat ik je deze slip of the pen uiteraard van harte vergeef. Beste Geerten, dus. Het doet me goed dat jij het boek van Buelens ook met plezier hebt gelezen. Overigens valt niet helemaal uit te sluiten dat wij er met ons oordeel over dit boek helemaal naast zitten, aangezien het niet eens op de longlist van de Libris Geschiedenis Prijs terecht is gekomen. Ik vind dat onbegrijpelijk, maar misschien ligt dat aan mij. Niet alleen Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam, om wijlen Bob den Uyl maar eens te citeren, maar Nederlandse jury’s kunnen er ook wat van.

Over De jaren zestig zijn we het duidelijk wel eens, maar hoe zit dat met ‘de jaren zestig’ als culturele en maatschappelijke omwenteling? Jij schrijft dat je soms je hart vasthoudt als het om de gevolgen ervan gaat, en vraagt hoe dat bij mij zit. Ik heb me al vanaf het begin van de jaren tachtig kritisch uitgelaten over allerlei zaken die we dikwijls associëren met de jaren zestig. Een aantal van de meer oppervlakkige verschijnselen – zoals de populariteit van linksradicalisme, het anti-anticommunisme, min of meer verplichte promiscuïteit en het geloof in een anti-autoritaire opvoeding – zijn in de loop der jaren weer grotendeels weggeëbd, dus daar hoeven we ons niet meer zo druk over te maken. En inderdaad bleek het luidkeels uitgedragen idealisme in veel gevallen rap plaats te maken voor opportunisme en cynisme.

Ik vind het wel grappig dat je in dit verband Freek de Jonge noemt, die volgens jou een van de weinigen is die ‘consequent idealistisch’ is gebleven. De reden waarom ik hem interessant vind, nog afgezien van mijn bewondering voor zijn unieke theatervorm, is dat hij juist als een van de eersten van zijn generatie – geboren in 1944 is hij natuurlijk geen babyboomer, maar hij behoort wel tot wat de onlangs overleden socioloog Henk Becker de ‘protestgeneratie’ heeft genoemd [1] – vraagtekens zette bij dat vermeende idealisme en bij andere aspecten van de culturele revolutie die zich in de jaren zestig en zeventig voltrok. [2] Los van het feit dat Neerlands Hoop (1969-1979) helemaal niet zo dogmatisch links of zelfs maar uitgesproken politiek was als velen zich menen te herinneren, leverde Freek als soloartiest, dus vanaf 1980, kritiek op het als non-conformisme vermomde kuddedenken van veel generatiegenoten, op hun zelfgenoegzame atheïsme en dedain voor traditie, op een individualisme dat al snel ontaarde in het narcisme van verwende kinderen, op het maakbaarheidsdenken en doorgeschoten rationalisme, op de ongevoeligheid voor het mysterie dat – ook wanneer afscheid is genomen van elk godsgeloof – toch de essentie van het leven vormt. Vanaf de jaren zestig is de moderne mens volgens Freek uit het oog verloren wat de twee polen van het leven zijn: ‘Oorsprong en bestemming – het enige wat wij daar nog aan hebben kunnen toevoegen, zijn abortus en euthanasie.’ [3]

Vaak wordt het slopen van heilige huisjes en het doorbreken van alle taboes gezien als een van de belangrijkste verworvenheden van de jaren zestig en zeventig. Voor een deel werkte dit inderdaad bevrijdend, maar Freek heeft hierbij wel een relevante kanttekening geplaatst: ‘Alle subtiliteit, alle suggestie, alle liefde, alle haat, alle humor bestaat bij de gratie van het taboe. Het taboe is de grondslag van de beschaving […] Maar het taboe is taboe geworden. De geest is uit de fles. Wij hebben ons bevrijd van elkaar, niet van onszelf.’ [4] Vooral dat laatste zinnetje, raakt volgens mij aan de kern van een probleem dat weliswaar niet begonnen is in de jaren zestig, maar dat sindsdien wel vormen heeft aangenomen die ik zorgwekkend vind. Ik bedoel dat na het geocentrische wereldbeeld van Ptolemeus en het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus, inmiddels het egocentrische wereldbeeld dominant is geworden. Het hele universum draait om mij, bestaat om mijn leven zo prettig, aangenaam, leuk en glorieus mogelijk te maken. Het individu is niet langer onderdeel van een groter verband – familie, stam, volk, geloofsgemeenschap of klasse – maar is de spil waar alles om draait. Elke bemoeienis van anderen, elke opgelegde norm, wordt gezien als onduldbare inmenging, als beknotting van de vrijheid van het individu. Zo wordt ook elke oproep tot zelfbeheersing gezien als inperking van de heilige vrijheid van meningsuiting.

Het probleem is natuurlijk dat er in het geocentrische wereldbeeld slechts één aarde was, en in het heliocentrische slechts één zon, maar er inmiddels 7,5 miljard ego’s rondhuppelen. Wanneer die er allemaal van uitgaan dat hun belangen en verlangens maatgevend zijn, wordt de wereld er niet leefbaarder op. In de politiek kun je al een tijdje zien waar dit narcisme toe leidt. Ik weet dat jij het p-woord verafschuwt, maar denk eens aan Fortuyn, Wilders, Baudet, Boris Johnson en Donald Trump. Uiteraard werpen zij zich wel op als grote voorvechters van ‘het volk’, maar je hoeft hun verrichtingen maar even te volgen om te weten dat dit een wassen neus is. Overigens wil ik hiermee geenszins beweren dat het individualisme alleen in deze kringen vormen heeft aangenomen die bedenkelijk zijn, want ook zelfbeschikkingsfetisjisme van D66 – waar ze oorsprong en bestemming inderdaad precies zo invullen als Freek beschreef – komt op mij bijzonder schraal en kil over. Dat wat Max Weber de ‘onttovering van de wereld’ noemde – het ontmaskeren van geheimzinnige en onberekenbare machten en de overtuiging dat we de wereld door middel van berekening volledig kunnen beheersen [5] – heeft ons veel goeds gebracht, zoals wetenschap en technologie, maar in combinatie met het egocentrisme dat sinds de jaren zestig is gaan overheersen, heeft het ook een samenleving opgeleverd waarin veel mensen geen enkel idee hebben wat ze met hun leven aanmoeten en hun heil zoeken in consumentisme, waarbij ‘de politiek’ moet garanderen dat ze in dit opzicht voldoende aan hun trekken komen. Je zou bijna iets gaan zien in de dialectiek van Hegel: bevrijding die resulteert in nieuwe slavernij. Maar misschien zie ik het al te somber, beste Geerten, en kun jij me een beetje opbeuren.

Hartelijks,

Rob

Lees hier het antwoord van Geerten Waling 


Noten

1. Henk Becker, Generaties en hun kansen (Amsterdam 1992). Voor een adequate kritiek op deze theorie, zie de recensie van Bastiaan Bommeljé in NRC Handelsblad van 19 december 1992 (https://www.nrc.nl/nieuws/1992/12/19/de-verlokkingen-van-het-generatie-denken-7167099-a1255290).
2. Rob Hartmans, Freek. De cultuurkritiek van een komiek (Amsterdam 2014).
3. Freek de Jonge, Circus Kribbe (show 2012-2013).
4. Freek de Jonge, De vergrijzing (2004).
5. Max Weber, Wetenschap als beroep, vertaald door Hans Driessen (Nijmegen 2012), 20.