Rob Hartmans aan Geerten Waling, 6 mei 2018 (brief #3)

Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden gedurende de maand voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier. Door Rob Hartmans


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#2

 


Beste Geerten,

Terecht wijs je er op dat de Ricordi van Guicciardini een verzameling is van zeer uiteenlopende uitspraken over tal van onderwerpen, met vaak een sterk aforistisch karakter, terwijl ze elkaar niet zelden lijken tegen te spreken. Het eruit lichten van één opmerking zegt dus nog niet zo heel veel, maar niettemin blijkt uit het gehele werk, en uit Guicciardini’s levensloop, dat hij heel huiverig was om het verleden te gebruiken als voorbeeld voor het heden. Dit in tegenstelling tot zijn vriend Machiavelli, die de oude Romeinen er te pas en te onpas met de haren bij sleepte.

Je brief is heel helder en met veel opmerkingen ben ik het zonder meer eens. Wel denk ik dat je opmerking over Quentin Skinner en John Pocock geen recht doet aan het belang van deze eminente ideeënhistorici, terwijl ik ook het gebruik van de term ‘hysterisch’ – in verband met reacties op de verkiezing van Trump en de Brexit – niet helemaal gelukkig vind. Nu wil ik allerminst ontkennen dat velen volstrekt hysterisch hebben gereageerd op deze ontwikkelingen, maar wanneer jij deze gebeurtenissen karakteriseert als ‘democratische processen’, moet mij toch van het hart dat inmiddels duidelijk is geworden hier wel wat vraagtekens zijn te plaatsen. Bovendien kan ik het niet helemaal laten er op te wijzen dat de ‘hysterie’ zich niet beperkt tot het ‘progressieve’ of ‘linkse’ kamp. De apocalyptische waarschuwingen tegen de ‘islamisering’ en ‘omvolking’ van Europa, waarop we nu al bijna twee decennia worden getrakteerd, lijken mij toch ook niet helemaal getuigen van een nuchtere, heldere en bezadigde kijk op de werkelijkheid.

Maar goed, dit zijn slechts kleine kanttekeningen, want uiteraard gaat het in jouw brief primair om de vraag in hoeverre je hedendaagse politieke bewegingen mag vergelijken met het fascisme. Dat vergelijkingen met het verleden niet ‘lichtzinnig’ mogen zijn lijkt mij evident. Daarin heb je volkomen gelijk, wat ook geldt voor je opmerking dat je bij historische vergelijkingen niet te selectief moet zijn. Het kan inderdaad heel verhelderend zijn om het huidige ‘Nieuw Rechts’ te vergelijken met de Patriottenbeweging aan het einde van de achttiende eeuw, of met Nieuw Links en andere protestbewegingen uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Wat dat laatste verschijnsel betreft beperken de overeenkomsten zich trouwens niet tot het verzet tegen het vermeende ‘partijkartel’ of de ‘regentenkliek’, maar springen ook het simplistische wereldbeeld, het anti-intellectualisme, de minachting voor feiten, de verzengende kritiek op de eigen regering terwijl men volstrekt kritiekloos is ten opzichte van bepaalde autoritaire regimes elders, en het gebrek aan fatsoenlijke omgangsvormen in het oog.

Wat betreft de vergelijking met het fascisme richten zich jouw bezwaren vooral op twee punten: ten eerste zijn de omstandigheden anno 2018 absoluut niet te vergelijken met die van pakweg 1933, en ten tweede heeft het totalitarisme in Nederland en de VS nooit echt voet aan de grond gekregen, terwijl in Nederland de situatie nu niet zorgwekkend is. Ook hierin heb je gewoon gelijk. Het huidige Nieuw Rechts of rechtspopulisme is uiteraard niet identiek aan het fascisme. Alleen al het feit dat we voor deze bewegingen namen gebruiken die ze niet zelf hebben gekozen, zegt al heel veel. Het fascisme en nationaalsocialisme uit de jaren twintig en dertig waren trotse bewegingen die een specifieke ideologie uitdroegen, gebaseerd op een bepaalde visie op mens en wereld.[1] Dat is het grote verschil met nu, aangezien de stromingen die momenteel het politieke bestel aanvallen vooral heel hard roepen dat ze voor ‘vrijheid’ en ‘democratie’ zijn, alsof hun tegenstanders daar mordicus tegen zijn.

Ongeacht welke definitie of lijst met kenmerken van het fascisme je hanteert, altijd zullen de verschillen met het heden onmiddellijk opvallen. Dat is niet zo vreemd, want het fascisme was de toenmalige verschijningsvorm van bepaalde ontwikkelingen, tendensen en geesteshoudingen (waarbij ik de verschillen tussen het fascisme in de diverse landen maar even buiten beschouwing laat). Omdat de situatie nu heel anders is – na de Eerste Wereldoorlog was de democratie nog geenszins een algemeen aanvaard beginsel en was het gebruik van geweld in de ogen van veel tijdgenoten min of meer ‘normaal’ of zelfs de gewenste uiting van ‘mannelijkheid’ – zullen figuren en clubs die zich zonder reserves identificeren met het fascisme altijd marginaal blijven. Maar betekent dat automatisch ook dat de emoties, verlangens, angsten en ressentimenten waarvan het fascisme in de jaren twintig en dertig de uitdrukkingsvorm was, voorgoed verdwenen zijn?

Net als toen zijn er heel wat mensen die het gevoel hebben dat de economische en maatschappelijke ontwikkelingen hen meer nadelen dan voordelen bezorgen, en dat zij steeds minder grip op hun eigen toekomst hebben. En net als toen zijn er politici die bereid zijn om met behulp van schaamteloze demagogie en simplistische leuzen deze onvrede en onzekerheid aan te blazen, in de hoop dat ze hiermee macht zullen verwerven. Ook nu bestaat er bij een deel van de bevolking behoefte aan een zondebok, of in ieder geval een duidelijk vijandbeeld, terwijl diezelfde demagogische politici niet te beroerd zijn om in dit verband te wijzen op migranten, moslims en ‘de elites’. In de perceptie van deze politici zijn problematische ontwikkelingen zelden het resultaat van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar juist van de kwade bedoelingen van sinistere groeperingen. Binnen dit politieke discours wordt ‘het volk’ niet gezien als een verzameling staatsburgers die weliswaar een reeks rechten en plichten delen, maar die tegelijkertijd zeer uiteenlopende belangen en overtuigingen hebben. Nee, ‘het volk’ wordt beschouwd als een entiteit die zo homogeen mogelijk moet zijn. En democratie bestaat in deze opvatting niet uit een moeizaam en vaak onooglijk debat waarin de notie dat de ander ook wel eens gelijk zou kunnen hebben centraal staat, maar wordt zij gezien als de uitdrukkingsvorm van de wil van dat ongedeelde volk. Deliberatie en compromissen gelden in deze optiek niet als het wezen van de democratie, maar als teken van zwakte en zonde van de tijd. Niet toevallig koestert dit soort politici vaak ontzag en bewondering voor ‘sterke leiders’ die aangeven dat zij rücksichtslos knopen durven door te hakken. Dat dergelijke leiders zich niets gelegen laten liggen aan feiten en er geen enkel probleem mee hebben regelrechte leugens te verspreiden, wordt niet echt als nadeel gezien, want wetenschap is ook maar een mening. Overtuiging en wilskracht zouden veel hoger in aanzien moeten staan dan twijfel, zorgvuldigheid en integriteit, maar dat dit niet zo is heeft veel te maken met de emancipatie van vrouwen, waardoor er zoiets als een ‘crisis van de mannelijkheid’ is ontstaan.

Voor de goede orde: ik geloof niet dat de meerderheid van de bevolking blijkt geeft van dergelijke emoties of ontvankelijk is voor dit soort ideeën, maar de afgelopen jaren zijn dergelijke geluiden wel steeds sterker gaan klinken. Ook beweer ik niet dat mensen die een of enkele van dit soort denkbeelden koesteren meteen een politiek gevaar vormen, maar wanneer er sprake is van een cluster van dergelijke opvattingen, lijkt me dat verre van onschuldig. Nogmaals: de politieke groeperingen die deze emoties en ideeën vertolken zijn geen fascisten, omdat het fascisme een politieke verschijningsvorm was die het einde van de Tweede Wereldoorlog niet heeft overleefd. Maar dat wil niet zeggen dat ze de politiek en samenleving niet kunnen ontwrichten en een kant kunnen opsturen die funest kan zijn voor zowel de democratie als de rechtsstaat. En hoewel ik niet geloof dat dit gevaar op dit moment heel groot is, denk ik dat waakzaamheid geboden is.

De geschiedenis zal zich nooit in dezelfde gedaante herhalen, maar ontwikkelingen en tendensen die ooit een negatieve rol hebben gespeeld, kunnen dat in een heel andere verschijningsvorm opnieuw doen. Om die reden is het volgens mij legitiem om naar het verleden te kijken, zelfs naar een beladen periode als het Interbellum. En wanneer dat zorgvuldig gebeurt, met de nodige discrezione, heeft dat niets te maken met ‘demonisering’ of ‘bangmakerij’, maar alles met een open debat. Het is echter hier, waar we op een groot probleem stuiten, aangezien de politici die ik in het voorafgaande gehekeld heb zelden tot nooit bereid zijn tot een open debat. Om het even concreet te maken: Wilders en Baudet roepen bij het minste of geringste dat ze gedemoniseerd worden, maar wanneer iemand hun opvattingen met feiten en argumenten bestrijdt, gaan ze daar nooit op in. Dat maakt hen niet tot ‘fascisten’, maar in combinatie met bovengenoemd gedachtegoed en gedrag, leidt het wel tot politiek die ik niet kan zien als een waardevolle bijdrage aan het democratische discours, maar die ik afkeur en het bestrijden waard acht.

Het politieke spectrum is heel breed. Veel ideeën en keuzes wijs ik weliswaar af, maar kan ik uiteindelijk best aanvaarden omdat ik weet dat de betreffende politici open staan voor een redelijk debat. Politici die zich hier echter aan proberen te onttrekken, die voluit gaan voor demagogie en ontwrichting van het politieke bestel, houden wat mij betreft op gewone politieke tegenstanders te zijn en ontpoppen zich als vijanden.[2] In mijn ogen ontwikkelt Nieuw Rechts zich in deze richting, en ik ben heel benieuwd hoe jij daar eigenlijk tegen aan kijkt.

Hartelijke groet, Rob

(Lees hier het antwoord van Geerten Waling)

Noten
[1] Voor een helder overzicht hiervan, waarin het verschil met het hedendaagse populisme duidelijk wordt gemarkeerd, zie Robin te Slaa, Wat is fascisme? Oorsprong en ideologie (Amsterdam 2017).
[2] Ik pleit hiermee niet voor de benadering van Carl Schmitt, die in Der Begriff des Politischen (1932) stelde dat politiek altijd moet uitgaan van het verschil tussen vriend en vijand, en die zich hiermee voorstander betoonde van een democratieopvatting die sterk totalitaire trekjes had. Soms blijken politieke tegenstrevers echter geen gewone tegenstanders te zijn, die men kan proberen te overtuigen of waarmee uiteindelijk een compromis mogelijk is, maar stellen juist zij zich onverzoenlijk op. Dan moet je dergelijke figuren erkennen als vijand.