Tagarchief: 2016#4

Voorbij fort Europa

De vluchtelingencrisis is niet voorbij, maar min of meer uit het zicht verdreven. Met hulp van autocratische landen worden vluchtelingen op afstand gehouden. Maar de Europese Unie betaalt een hoge prijs voor deze manier van optreden, stellen Henk van Houtum en Leo Lucassen.

In het felle en nog niet uitgewoede debat over de begrenzing van de EU hebben grensonderzoeker Van Houtum en migratiehistoricus Lucassen zich afzonderlijk en soms samen flink geroerd, met ingezonden stukken, optredens voor radio en tv en tientallen lezingen. Ze gingen de strijd aan met wat ze beschouwen als misvattingen, misleiding en onterechte angstbeelden en stelden een opener houding tegenover migranten voor. In oktober verschijnt hun boek Voorbij Fort Europa, waarin ze de crisis in haar historische context plaatsen, de ontwikkelingen van de afgelopen tijd analyseren en een alternatieve visie presenteren. Door Addie Schulte.

Ieder van de twee heeft een eigen benadering van het onderwerp. Henk van Houtum, hoofd van het Centre for Border Research van de Radboud Universiteit in Nijmegen en hoogleraar Interdisciplinary Border Studies aan de University of Eastern Finland, stelt vooral fundamentele vragen over de rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid van grenzen en ziet de omgang met migranten duidelijk ook als een mondiale en morele kwestie. En hij benadrukt in zijn boek Grensland (2013) dat grenzen politieke constructen zijn. Leo Lucassen, directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en hoogleraar Global Labour and Migration History aan de Universiteit Leiden, is naar eigen zeggen ‘meer technocratisch’ ingesteld. Hij hanteert vooral de geschiedkundige aanpak, zoals eerder met zijn broer Jan in het boek Winnaars en verliezers (2011) over migratie in Nederland.


Interview uit dBNg 2016#4 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Voorbij fort Europa

A reply to Rob Hartmans

In de Nederlandse Boekengids 2016#4 (augustus) schreef Rob Hartmans in zijn terugkerende rubriek over belangrijke historici en hun oeuvres een kritische bijdrage onder de titel ‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’. Met name in zijn omvangrijke Verlichtingstrilogie (2001-2011), maar ook in andere publicaties, schept Israel een nieuw interpretatiekader waarin de Verlichting in de eerste plaats als een politieke stroming wordt gepresenteerd. In zijn bijdrage (hier terug te lezen) looft Hartmans het werk van Israel, maar herhaalt hij ook de vaker gehoorde kritiek dat Israel zijn interpretatiekader bij tijd en wijlen té rigoureus toe zou passen. Een repliek van Jonathan I. Israel, gevolgd door een dupliek van Rob Hartmans.

“Disagreement is the stuff of academic and intellectual life and there is nothing wrong with heartily diverging on major intellectual questions. But something is definitely wrong when one side to the disagreement misrepresents the other with such a display of inaccuracy and distortion that it gives readers an altogether misleading impression of what the other side is arguing. This brings me to Rob Hartmans’s essay in the Dutch Review of Books (dNBg 2016#4, dated 27 August 2016). In reporting my argument, Hartmans achieves an astounding level of inaccuracy.


Ingezonden brief uit dBNg 2017#1, in reactie op:

Beeld: detail van Spinoza bedreigd door een woedende menigte te Amsterdam, 1667, Noach van der Meer (II), naar Jacobus Buys, 1784 ()


According to his essay, I argue that the authors of the Terror in the French Revolution, Robespierre and his allies ‘behoorden niet tot de radicale maar tot de Gematigde Verlichting.’ Readers need to note that this is totally wrong. On the contrary, the ideology of those responsible for the Terror, I contend, was highly intolerant, permitted no criticism of the regime or freedom of expression, and rejected all Enlightenment values forming a key strand of the populist Counter-Enlightenment. Explaining this incorrectly is not just a mistake on Hartmans’s part but a fundamental distortion since the entire argument of my volumes Democratic Enlightenment and Revolutionary Ideas is built on the thesis that Robespierre, Marat and Montagne rejected outright the values of the democratic republicanism of the Brissotin early French Revolution (1789-93) – and also the values of the moderate Enlightenment – and did their best to destroy the intellectual and political legacy of both.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder A reply to Rob Hartmans

Vrijheid en democratie

Door Jan Dirk Snel, die geschiedenis en wijsbegeerte aan de
VU studeerde. Hij was rijksambtenaar en is nu freelance publicist, redacteur en vertaler (en heeft in die laatste hoedanigheid o.a. Democratische Verlichting van Jonathan Israel op zijn naam staan).


Essay uit DBNg 2016#4

  • Paul Teule, Vrijheid voor gevorderden, Boom 2016, 204 blz.
  • Geerten Waling, 1848 – Clubkoorts en revolutie. Democratische experimenten in Parijs en Berlijn, Vantilt 2016, 352 blz.
  • Dieter Gosewinkel, Schutz und Freiheit? Staatsbürgerschaft in Europa im 20. und 21. Jahrhundert, Suhrkamp 2016, 772 blz.

Het zijn bange tijden voor de democratie, zoals Die Zeit onlangs kopte en zoals Hubert Smeets diezelfde 5 augustus in NRC Handelsblad het breed gedragen gevoel verwoordde dat ‘de aanval op de democratie is begonnen’. Sterker: tussen de antidemocratische ontwikkelingen in Frankrijk, Hongarije, Polen, Oostenrijk, Oekraïne, Rusland en Turkije aan de ene kant, en het opportunistische gekrakeel over democratisch vals spel van de Brexiteers, Trump en Wilders aan de andere kant, lijkt niet alleen de democratie bekneld te raken, maar eveneens het vrijheidsbegrip dat er de moeder van is. Tijd voor een recapitulatie.

Vrijheid en democratie horen bij elkaar. Zonder vrijheid geen democratie. Zonder democratie geen vrijheid. Alleen een democratie kan vrijheid werkelijk gestalte geven. En vrijheid moet eigenlijk vanzelf wel tot democratisch bestuur leiden. De twee horen onlosmakelijk bij elkaar.

Het is een gedachte die dezer dagen voor velen vanzelfsprekend is. Maar het is ook een vrij nieuw idee, dat eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog algemeen opgang maakte; het is vooral een product van de Koude Oorlog. Democratie stond vanouds tegenover aristocratie of monarchie, en lang niet iedereen was ervan overtuigd dat democratie  de voorkeur verdiende of werkelijk vrijheid garandeerde. De meeste politiek filosofen dachten er anders over. En zelfs Alexis de Tocqueville (1805-1859), die de opgang van de democratische gedachte onvermijdelijk achtte, had de neiging vrijheid primair met de oude aristocratie te verbinden, terwijl de opkomende democratie eerder gekenmerkt zou worden door gelijkheid.

Zelfs de strijd voor algemeen kiesrecht werd lang niet altijd uit naam van de democratie gevoerd. De grote politieke stromingen die in de negentiende eeuw opkwamen, waren niet intrinsiek democratisch. Liberalen kwamen vooral op voor de binding van de staat aan de algemene waarborgen van een constitutie. Mensen hadden recht op goed bestuur, meepraten mochten ze alleen als ze verstand van zaken toonden. Antirevolutionairen, katholieken en conservatieven moesten van volkssoevereiniteit niets hebben, wat overigens niet betekende dat ze per se tegen een goed gereguleerde volksinvloed waren. Alleen socialisten noemden zich gemeenlijk sociaaldemocraten, maar democratie was voor hen slechts een middel, dat tactisch gebruikt kon worden zolang de klasseloze maatschappij nog niet verwezenlijkt was. Wel kregen de grote stromingen gaandeweg linkervleugels die op pragmatische of principiële gronden wel voor democratie geporteerd waren. Hen kennen we als vrijzinnig-democraten of christendemocraten.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Vrijheid en democratie

Markt en macht

Door Kristof Smeyers, cultuurhistoricus aan University College London. In september 2016 verschijnt zijn economische geschiedenis van België, Het gestolde land.


Essay uit DBNg 2016#4

  • Joseph Vogl, Het financiële regime, Uitgeverij Boom 2016, 300 blz. (oorspronkelijk verschenen als Der Soveränitätseffekt)
  • René De Preter, De onzichtbare hand boven België. Een economische geschiedenis, Uitgeverij Garant 2016, 408 blz.

De discussie over de moeilijke verhouding tussen economie en politiek is zo oud als de straat. Ook in België, het ‘eldorado van het kapitalisme’ volgens Karl Marx, worden de twee machtscenakels vaak tegenover elkaar geplaatst. Laten we de onzichtbare hand zijn vingeroefeningen doen, of zou de staat de ongebreidelde marktlogica moeten temperen?

Zou je een venndiagram tekenen dat de traditionele machtsstructuren in de samenleving bevattelijk voorstelt, dan kan dat bestaan uit twee ruwe deelverzamelingen. Het staatsbestel –het tweekamerstelsel, politieke partijen, gerechtshoven, vakbonden en werkgeversorganisaties – aan de ene kant. Aan de andere kant de economische structuren: banken, de beurs, de markten, multinationals en een hele financieringsindustrie. Elementen hoppen af en toe van de ene naar de andere deelverzameling: financiers maken bijvoorbeeld regelmatig de overstap naar de politiek, en gepensioneerde politici  zitten  graag in de directieraad van een multinational of bankengroep. Maar dat zijn de twee grote compartimenten van het diagram: politiek en economie.

In theorie tenminste. Macht verfoeit het vacuüm. De doorsnede van het venndiagram is niet leeg: in welke verzameling plaats je immers centrale banken, of de trojka van Europese Centrale Bank, IMF en Europese Commissie, of de alomtegenwoordige ratingbureaus? De doorsnede is het thuis van een moeilijk te definiëren soort macht, voor instellingen die opereren buiten de reikwijdte van de politieke krachten en zonder de beperkingen van ‘zuiver’ economische instituties. Zulke onduidelijkheid zet de aloude debatten over de rol van de staat in de economie en  de rol van de economie in de staat op hun kop.

* Abonnees lezen verder. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Markt en macht

De beschaving is een grof schandaal

door Jacqueline Klooster


Essay uit dBNg 2016#4

  • KnipselChristian Marek, met Peter Frei, vert. Steven Rendall, In the Land of a Thousand Gods. A History of Asia Minor in the Ancient World, Princeton University Press 2016, 808 blz. (bestel).
  • Abdullah Öcalan, vert. Klaus Happel, Prison Writings, vol. 1. The Roots of Civilisation, Pluto Press 2003, 320 blz. (bestel)

Wat gebeurt er als je een monumentale nieuwe overzichtsgeschiedenis van Klein-Azië, het neusje van de academische zalm, legt naast een politiek pamflet van een terroristisch revolutionair die zich beroept op een heel eigen versie van dezelfde geschiedenis? Het mes blijkt dan zowel aan de academische als de revolutionaire kant te snijden, ontdekt classica Jacqueline Klooster.

Recentelijk deed een – evident geënsceneerde – video (YouTube: Monondo: the DNA Journey) onder luide bijval de ronde op Facebook. Nadat ze eerst wat milde nationalistische of etnische vooroordelen gespuid hebben, ondergaan de deelnemers  een DNA-test. ‘Wat ik van Duitsers vind? Nou, ik mag ze niet zo,’ zegt de Engelse hooligan met gouden schakelketting geringschattend. ‘Ik ben 100 procent Bengali, en trots op onze tradities,’ aldus een serieuze, besnorde jongeman. Daarna wordt het reageerbuisje met hun spuugvlokken buiten beeld geanalyseerd en slaat het uur van de waarheid, in de vorm van een enveloppe met de resultaten van de genetische profielen. Obligate verbijstering, tranen en ongeloof alom: de Brit was voor een deel Duits, de Bengali had Britse wortels, enzovoorts. Alle Menschen werden Brüder, is de zoetsappige boodschap, maar tegelijkertijd wil dit filmpje aan de kaak stellen waarom we denken te zijn wie we zijn, en hoe weinig we daar eigenlijk van weten. Het is veelzeggend welke geschiedenis een individu of maatschappij voor zichzelf construeert, en welke misvattingen, verdraaiingen of ideologische nadruk daarbij komen kijken.

Geschiedschrijving bevat altijd een element van teleologie. Zelfs al is het heden van de historiograaf niet expliciet het eindpunt van het verhaal, toch bepaalt het kleur en toon van de geschiedenis. Waar begint en eindigt die? Welke oorzakelijke verbanden worden er gezien? Wat blijft er buiten beeld? Met welke plot vertellen we onze ontstaansgeschiedenis? Een heilsgeschiedenis, een verhaal van onstuitbare decadentie, een tragische erfvloek? Natuurlijk beseft iedereen in onze post-postmoderne samenleving dit al lang, minstens sinds Hayden White; het is zo evident dat het op hedendaags academisch historisch onderzoek nauwelijks meer van toepassing lijkt. Totdat je een bekend veronderstelde geschiedenis vanuit een radicale ideologie benaderd ziet, de observatie haar kracht en frisheid terugkrijgt, en je zowaar weer eens denkt: wat is dat eigenlijk, geschiedenis, en wie bepaalt dat?

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder De beschaving is een grof schandaal

Europa tussen ironie en ‘waarheid’

Door Jozef Waanders (1987), afgestudeerd in geschiedenis en filosofie in Utrecht en Leuven. Hij is hoofdredacteur van deFusie.net.


De lach is een heilzaam middel tegen rigide rationaliteit, en onvervreemdbaar onderdeel van de Europese cultuur, al sinds de oude Grieken.

Dit essay verschijnt in samenwerking met deFusie.net in DBNg 2016#4

logo defusie

Na de aanslag op het redactiekantoor van Charlie Hebdo in januari 2015 schreven enkele kranten dat we toch vooral moesten blijven lachen in Europa. Volgens de Belgische filosoof en hoogleraar Guido Vanheeswijck past die reactie in een lange Europese traditie. Van de zwerver-filosoof Diogenes van Sinope die Plato lachend van repliek diende, tot de ‘lach’ waarmee Nietzsche reageerde op het ‘weten’ van de moderniteit: altijd weer hebben denkers in de lijn van Socrates de lach als middel gebruikt om onze vermeende zekerheden onderuit te halen.

Met De draad van Penelope. Europa tussen ironie en waarheid, mengt Vanheeswijck zich in het hachelijke debat over wat het onderscheidende element van ‘de Europese identiteit’ zou kunnen zijn. Dat doet hij door de sporen van die lach in de Europese ideeëngeschiedenis te volgen, met ‘de draad van Penelope’ als metafoor. Penelope, de treurende echtgenote van Odysseus die uit trouw aan hem en in verwachting van zijn terugkeer ’s nachts de draden uittrekt van het lijkkleed dat ze overdag heeft geweven, staat zo symbool voor een Europa dat in zijn denken telkens weer andere draden beproeft; het geluid van de weefgetouwen voor de rusteloze zoektocht naar een waarheid die zich telkens weer aan begrip onttrekt; het weven en weer uithalen voor constructie en deconstructie in het Europese denken.

Daarmee suggereert Vanheeswijck dat de Europese identiteit is gebouwd op onophoudelijke zelfbevraging omdat het, paradoxaal genoeg, juist de weigering is om een definitieve identiteit te aanvaarden die Europa kenmerkt. Het middel waarmee elke poging tot de formulering van een definitieve waarheid ontmaskerd wordt, is de ironische lach – in eindeloos verschillende schakeringen:

‘Altijd weer hebben denkers de lach als wapen gehanteerd om de Europese mens te verdrijven uit de waarheidsparadijzen die hij voor zichzelf construeert, in de ijdele hoop er rust en zekerheid te vinden. De ironische lach symboliseert in al zijn nuances deze dynamiek van zoeken, vinden en twijfelen aan de gevonden zekerheden, en tegelijk verwijst hij naar het onderhuidse verlangen naar waarheid.’

Aan de hand van die voortdurend veranderende relatie tussen lach en waarheid beschrijft Vanheeswijck het avontuur van een beschaving op zoek naar zichzelf. Opvallend is daarin vooral dat we ook altijd weer lijken te worstelen met onze hang naar ironie.

9200000052040217

Dat begint al met de strijd om de socratische erfenis tussen Plato en Diogenes van Sinope, in een tijd die door Vanheeswijck omschreven wordt als een periode waarin de waarheid over het algemeen werd opgevat als iets dat elk menselijk streven ruimschoots overstijgt. De lach diende ertoe de mens aan die onbereikbaarheid te herinneren en krijgt voor het eerst expliciet erkenning als wijsgerig wapen door het optreden van Socrates. Met zijn ironische houding tegenover de schijnbare menselijke zekerheden bakent hij als hartstochtelijke waarheidszoeker én archetypische dwarsligger het spanningsveld af waarbinnen de Europese cultuur zich zal ontwikkelen. Diogenes drijft de socratische methode clownesk op de spits, maar is enkelvoudiger dan Socrates: hij wil de mens slechts (en al schaterlachend) bevrijden van zijn hartstocht voor de waarheid. Plato (‘verrader of vader van Europa?’) daarentegen, zou de socratische erfenis volgens denkers als Karl Popper en Peter Sloterdijk juist geperverteerd hebben door de socratische ironie te veronachtzamen en in plaats daarvan de verdrukkende systematiek van de Europese rationaliteit in gang te zetten.

In talloos verschillende verschijningsvormen blijft deze ‘strijd’ of dialoog tussen lach en waarheid nadien de kop opsteken. In de late Renaissance bijvoorbeeld, als de wetenschap van de zekerheid van Descartes botst op de wijsheid van de onzekerheid (de erkenning dat de waarheid zich aan rationaliteit onttrekt) die vanaf Cervantes’ Don Quichot in de roman centraal zou staan. De Tsjechische romanschrijver en essayist Milan Kundera spreekt in dat verband van de ‘dubbele geboorte van het moderne Europa’: de roman biedt een alternatief voor het cartesiaanse absolute cogito door de lezer te wijzen op de essentiële relativiteit en dubbelzinnigheid van alle menselijke aangelegenheden. Door verschillende perspectieven in verschillende personages uit te werken, benadrukt Cervantes dat niemand de waarheid in pacht heeft. Weer stuit ‘de waarheid’ op ‘de lach’, maar weer wordt die laatste naar de marginaliteit gedreven. Door deze ‘erfenis van Cervantes’ af te wijzen (zie ook David Rijsers bijdrage over Shakespeare en Cervantes in het vorige nummer van De Nederlandse Boekengids) drijft de moderne Europese beschaving volgens Kundera af van haar eigenlijke bestemming.

Het zijn slechts twee van vele voorbeelden van de dialectiek tussen lach en waarheid die Vanheeswijck in het boek aan bod laat komen. Het beeld dat oprijst, is dat van een Europa dat in zijn pogingen de socratische vraag te beantwoorden weliswaar vaak zijn toevlucht zocht in afgeronde metafysische systemen, maar die systematiek middels het antidotum van de lach net zo vaak weer uit is gejaagd: ‘Het zijn de dwarsliggers, de rusteloze waarheidszoekers die haar telkens weer gestalte geven door de draden los te trekken.’

De draad van Ariadne

Met De draad van Penelope wil Vanheeswijck een alternatief bieden voor elk helder afgebakend idee van Europa (zoals ‘joods-christelijk’ of ‘seculier-humanistisch’) dat al het ‘andere’ buitensluit. Of voor een Europa waarin een (cultureel-levensbeschouwelijk) beschavingsideaal geofferd wordt aan een louter sociaaleconomisch marktideaal. De economische en politieke samenwerking van Europa kan volgens hem niet zonder een oriënterend beschavingsideaal. Anders dreigt de logica van een andere draad uit de Griekse mythologie: die van Ariadne. Met die draad ontsnapt Theseus uit het labyrint waarin hij zojuist de monsterlijke Minotaurus heeft verslagen. Hij hoeft haar draad slechts af te wikkelen en weer op te rollen om zijn weg terug te vinden. Die handelswijze staat volgens Vanheeswijck symbool voor de quick way out en de ‘there is no alternative’-politiek waar de Europese Unie, van vluchtelingenproblematiek tot de eurocrisis, steeds vaker voor lijkt te opteren.

En daar raken Vanheeswijcks draden in de knoop. Inzichten uit een cultuurfilosofisch debat zijn niet een-op-een vertaalbaar naar de wereld van de politiek. Een ‘waarheid van het denken’ is niet automatisch toepasbaar in de praktijk. Allicht schiet een louter sociaaleconomisch vertoog over Europa tekort en mag een debat over een funderend cultureel-levensbeschouwelijk beschavingsideaal niet ontbreken. Maar onduidelijk blijft hoe de Penelope-aanpak als alternatief voor de Ariadne-aanpak het hoofd zou kunnen bieden aan opspelende crises.

Dat neemt niet weg dat Vanheeswijck een waardevolle en originele bijdrage levert aan een debat dat zo vaak gedomineerd wordt door ideologische of essentialistische opvattingen. Hij houdt de vraag naar Europa levend door haar open te laten. ‘Het oude Europa heeft al de mogelijkheden van het vertoog over zijn eigen identiteit uitgeput,’ schreef Jacques Derrida in 1992 in The Other Heading. Reflections on Today’s Europe (Indiana UP, 1992). Toch kon hij het niet nalaten ook zelf een bijdrage te leveren aan het debat daarover. Van diezelfde spanning getuigt ook het boek van Vanheeswijck. Juist in deze steeds weer opdoemende twijfel over zichzelf, in de kritische zelfbevraging, kan Europa volgens hem de rechtvaardiging van zijn aanspraken op universaliteit vinden. Die evenwichtsoefening tussen een hardnekkig waarheidsrelativisme en een even gevaarlijk waarheidsfundamentalisme, kan volgens hem niet zonder Europa’s vrolijke filosofen en de ironische lach, ‘geboren uit een waarheid die ondefinieerbaar en onbereikbaar is en toch duidelijk aanwezig’.

Meer van dit moois? Neem nu voor slechts € 30,-direct een abonnement en lees De Nederlandse Boekengids een jaar lang zowel op papier als digitaal.

 

Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis

In de ogen van buitenstaanders is ideeëngeschiedenis ongetwijfeld een saai en stoffig vak, uitgeoefend door bedaagde lieden die geen vlieg kwaad doen. Toch kunnen de emoties hier hoog oplaaien, en heeft dit vakgebied soms de trekken van een slagveld. Veldheer Jonathan Israel en zijn criticasters kunnen erover meepraten. Door Rob Hartmans.

Een paar jaar geleden kwam de Amerikaanse historicus David A. Bell met een opvallende metafoor, toen hij probeerde duidelijk te maken hoe de visie op de Verlichting de afgelopen decennia was veranderd. Lange tijd was die namelijk gezien als een duidelijk omlijnde beweging met een specifiek ‘programma’, of om met Peter Gay te spreken ‘a single army with a single banner’. [1] Vooral onder invloed van de zogenoemde ‘Cambridge School’ van historici als Quentin Skinner en John Pocock, is dat veranderd. Er kwam veel meer aandacht voor de verschillen tussen allerlei denkers en schrijvers, er werd nauwkeurig gekeken naar de context waarbinnen ideeën waren geventileerd, waardoor ook meer nadruk werd gelegd op de verschillende vormen die de Verlichting in diverse landen aannam. Er werd onderzocht hoe denkbeelden werden verspreid, en welke betekenis bepaalde begrippen in die tijd hadden – een betekenis die niet zelden afwijkt van wat wij er tegenwoordig onder verstaan.


Essay uit dBNg 2016#4

Radical Enlightenment Enlightenment Contested Democratic Enlightenment Revolutionary Ideas


Bell schrijft dat ideeënhistorici zich veel meer bewust werden van de ‘landmijnen’ die op hun terrein verborgen liggen, en die ervoor kunnen zorgen dat een helder beeld of een overtuigend klinkende generalisatie in duizend stukken uiteenspat. Veel historici zijn echter zo bevangen door deze vrees, dat ze nauwelijks nog ‘vooruit’ komen en niet meer in staat zijn een duidelijk beeld van het verleden te schilderen. Anderen lijken daarentegen meer op maarschalk Zjoekov, tijdens de Tweede Wereldoorlog de bevelhebber van het Rode Leger, die zijn opmars niet liet vertragen door de mijnenvelden die de Duitsers hadden aangelegd en zijn infanterie daar dwars doorheen liet marcheren. Dit ging ten koste van enorm veel slachtoffers, maar hij bereikte uiteindelijk wel Berlijn. Deze historici laten zich niet afleiden door Skinneriaanse subtiliteiten, maar rukken onverdroten op naar hun einddoel en hebben geen boodschap aan de nuances en gerechtvaardigde vraagtekens die onderweg sneuvelen. Volgens Bell is met name Jonathan Israel zo’n ‘Zjoekov’. [2]

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis