Tagarchief: 2017#1

A reply to Rob Hartmans

In de Nederlandse Boekengids 2016#4 (augustus) schreef Rob Hartmans in zijn terugkerende rubriek over belangrijke historici en hun oeuvres een kritische bijdrage onder de titel ‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’. Met name in zijn omvangrijke Verlichtingstrilogie (2001-2011), maar ook in andere publicaties, schept Israel een nieuw interpretatiekader waarin de Verlichting in de eerste plaats als een politieke stroming wordt gepresenteerd. In zijn bijdrage (hier terug te lezen) looft Hartmans het werk van Israel, maar herhaalt hij ook de vaker gehoorde kritiek dat Israel zijn interpretatiekader bij tijd en wijlen té rigoureus toe zou passen. Een repliek van Jonathan I. Israel, gevolgd door een dupliek van Rob Hartmans.

“Disagreement is the stuff of academic and intellectual life and there is nothing wrong with heartily diverging on major intellectual questions. But something is definitely wrong when one side to the disagreement misrepresents the other with such a display of inaccuracy and distortion that it gives readers an altogether misleading impression of what the other side is arguing. This brings me to Rob Hartmans’s essay in the Dutch Review of Books (dNBg 2016#4, dated 27 August 2016). In reporting my argument, Hartmans achieves an astounding level of inaccuracy.


Ingezonden brief uit dBNg 2017#1, in reactie op:

Beeld: detail van Spinoza bedreigd door een woedende menigte te Amsterdam, 1667, Noach van der Meer (II), naar Jacobus Buys, 1784 ()


According to his essay, I argue that the authors of the Terror in the French Revolution, Robespierre and his allies ‘behoorden niet tot de radicale maar tot de Gematigde Verlichting.’ Readers need to note that this is totally wrong. On the contrary, the ideology of those responsible for the Terror, I contend, was highly intolerant, permitted no criticism of the regime or freedom of expression, and rejected all Enlightenment values forming a key strand of the populist Counter-Enlightenment. Explaining this incorrectly is not just a mistake on Hartmans’s part but a fundamental distortion since the entire argument of my volumes Democratic Enlightenment and Revolutionary Ideas is built on the thesis that Robespierre, Marat and Montagne rejected outright the values of the democratic republicanism of the Brissotin early French Revolution (1789-93) – and also the values of the moderate Enlightenment – and did their best to destroy the intellectual and political legacy of both.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder A reply to Rob Hartmans

Keep Calm and Carry On?!

Ondanks een joekel van een klimaatprobleem en een vloedgolf aan burn-outs, versnellen we op de planeet aarde druk verder: die economie kan harder! Verscheidene filosofen en sociologen signaleren een kwalijke ‘versnellingskringloop’ en publiceren pleidooien voor alternatieve, meer ‘geaarde’ levenshoudingen. Lisa Doeland neemt die pleidooien eens onder de loep, in alle rust. Door Lisa Doeland.

‘Keep calm and carry on’– opeens dook overal die rode kaart met witte letters op, erboven een kroontje. Kennelijk gaat er een kalmerende werking uit van de kaart, gezien de mate waarin ze aan muren van kantooromgevingen prijkt – buffel rustig door, het komt allemaal wel goed! Een raadzaam advies, lijkt het, voor de chronisch overbezette zzp’er, hoewel de boodschap oorspronkelijk voor een heel ander soort publiek bedoeld was. Het blijkt te gaan om een poster die in 1939 was ontworpen om in Groot-Brittannië te verspreiden in geval van een Duitse invasie. Een boodschap voor burgers in oorlogstijd dus, bedoeld om de moraal op te vijzelen. Het kroontje verwijst naar wat ‘Victorian stoicism’ genoemd wordt, waarbij de ‘stiff upper lip’ als symbolisch attribuut geldt. De Brit, die disciplineert zichzelf wel, houdt zijn hoofd koel en ook de zeden hoog in times of trouble. Maar de Battle of Britain werd in het voordeel van de Engelsen beslecht, de poster is nooit gedrukt en raakte in de vergetelheid – tot een boekhandelaar in 2000 een proefdruk ontdekte en haar in zijn winkel ophing. Die vond weerklank en ging in 2008 alsnog in massaproductie.


Essay uit dBNg 2017#1 (in samenwerking met deFusie.net)

omslag 9789023473039omslag 9789089536082omslag 9789023494188PHomslag 9789023489672

PH510053 U0C Hermsen_Stil:Hermsen Heimweeomslag 9789046704950omslag 9789089534651

Beeld: DOE IETS, Serge Verheugen, Wibautstraat Amsterdam, 2011.


De oproep om kalm te blijven en door te gaan, is in het huidige tijdsgewricht echter geen teken van verzet, maar veeleer van onderwerping aan de status quo. Veel variaties op de iconische boodschap beamen het verschil: Keep calm and carry on, and on, and on, … and go on shopping, … and enjoy capitalism. In het huidige tijdsgewricht appelleert ‘keep calm’ aan gedachteloos voortjakkeren. Er hijgt ons immers geen wereldoorlog in de nek, eerder een doorgedraafd consumptiekapitalisme.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Keep Calm and Carry On?!

Roetvlek in het historisch bewustzijn

In zijn The Economy of Machinery and Manufactures (1835) schreef Charles Babbage, tegenwoordig vooral bekend als de uitvinder van een vroege voorloper van de computer, het volgende over klimaatverandering: ‘[Deze] chemische veranderingen, zorgen voor een constante toename in de atmosfeer van grote hoeveelheden koolstofzuur [CO2] en andere gassen die schadelijk zijn voor dierlijk leven. Er is nog onvoldoende bekend over de manier waarop de natuur deze elementen ontleedt, of ze omzet in een solide vorm.’ Babbage’s boek bewijst dat wetenschappers al in de negentiende eeuw nadachten over de schadelijke effecten van de uitstoot van grote hoeveelheden CO2. Hoewel er veel natuurwetenschappelijk onderzoek is gedaan naar klimaatverandering, zijn de historische wortels van dit proces nog nauwelijks onderzocht. In twee nieuwe, nu al veelgeprezen standaardwerken over de negentiende eeuw wordt klimaatverandering zelfs helemaal niet genoemd. Waarom hebben historici nauwelijks aandacht voor het ontstaan van klimaatverandering? En waarom is het belangrijk om dit proces beter te begrijpen? Door Thomas Smits.

In De eeuw van de macht (2016) geeft de Britse historicus Richard Evans een overzicht van politieke ontwikkelingen in het Europa van de negentiende eeuw. Hoewel hij verschillende landen los van elkaar behandelt, neemt Evans ook belangrijke overkoepelende trends waar. Ten eerste beschrijft hij de lange strijd die ertoe zou leiden dat nieuwe groepen, zoals arbeiders, horigen en vrouwen, eindelijk een stem binnen de politieke besluitvorming zouden krijgen. Deze grootschalige emancipatie verbindt Evans op een knappe manier aan de opkomst van het nationalisme, zowel in oude staten, zoals Frankrijk en Engeland, als in landen die aan het begin van die eeuw nog gevormd moesten worden, zoals Italië en Duitsland. De tweede belangrijke overkoepelende politieke ontwikkeling die Evans waarneemt is het imperialisme: de uitbreiding van de macht van Europese landen over grote delen van de wereld die in de late negentiende eeuw zou uitmonden in de zogeheten wedloop om Afrika.


Essay uit dBNg 2017#1

omslag 9780691169804 omslag 9780713990881 omslag 9781784781293

omslag 9781848549005 omslag 9783406582837 omslag 9789045031170


De eeuw van de macht is niet alleen een politieke geschiedenis. In een aantal thematische hoofdstukken knoopt Evans allerlei technologische, economische, sociale en culturele processen aan elkaar die in negentiende eeuw tot wasdom komen. Het hoofdstuk ‘De verovering van de natuur’ beschrijft bijvoorbeeld zowel het temmen van de wilde natuur buiten de mens (de cultivatie van bossen, rivieren en bergen), als de wilde natuur in de mens zelf (het puriteinse onderdrukken van ‘primaire driften’ en de bijbehorende opkomst van de psychiatrie). Dit perspectief op de natuur die overwonnen, veroverd of onderdrukt moet worden, komt ook terug in Evans’ beschrijving van de opkomst van stoomkracht. Deze ‘beslissende doorbraak’ zorgde ervoor dat de maatschappij zich eindelijk vrij kon maken van ‘de tirannie van de elementen en de begrenzingen van menselijke, elementaire en dierlijke kracht in de creatie van industriële macht’. Het is echter de vraag of deze loskoppeling van de natuur alleen maar positief was.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Roetvlek in het historisch bewustzijn

Lussen of snaren? Op zoek naar kwantumzwaartekracht

In de zoektocht naar een allesomvattende theorie pogen natuurkundigen al sinds Einstein de maar niet op elkaar passende theoretische extremen van het hele grote en het hele kleine – de algemene relativiteitstheorie en de kwantummechanica – in één allesomvattende theorie te verenigen. De heilige graal: een theorie van kwantumzwaartekracht. Onlangs was de Nederlandse natuurkundige Erik Verlinde wereldnieuws met zijn beschrijving van een emergente zwaartekracht. Over de theorie van snaren en ‘ruimtekwanta’ enerzijds, en een niet minder serieus alternatief anderzijds: de theorie van lussen. Door Lennaert Huiszoon.

We doen het elke dag, bewegen. Maar als je er wat langer over nadenkt, ontdek je iets vreemds. Want, om een meter af te leggen moet je eerst een halve meter afleggen, daarna een kwart meter, daarna een achtste meter, daarna een zestiende meter, et cetera. En omdat elke afstand een eindige tijd duurt, en er zo een oneindig aantal afstanden zijn af te leggen, heb je een oneindige hoeveelheid tijd nodig om een meter af te leggen. Dit is in tegenspraak met onze waarneming. Wiskundigen hebben bovenstaande paradox al lang opgelost. Zij kunnen bewijzen dat de oneindige som een eindig antwoord geeft. Maar is dit wat er werkelijk gebeurt als je beweegt? Kan de ruimte in steeds kleinere stukjes worden opgedeeld? Is de ruimte continu? Op dit soort vragen probeert de Italiaanse natuurkundige Carlo Rovelli (1956) in Reality is not what it seems antwoord te geven.


Essay uit dBNg 2017#1

omslag reality is not what it seems omslag zeven korte beschouwingen over natuurkunde


Zijn boek is tot op zekere hoogte een standaard populairwetenschappelijke vertelling over de moderne natuurkunde, met ruime aandacht voor de historische context. In het eerste deel komt Newtons klassieke mechanica aan bod, Maxwells elektromagnetisme, Einsteins relativiteitstheorie en de kwantumtheorie van Bohr, Heisenberg en Dirac. Vaak weet Rovelli deze standaardkost toch origineel te belichten of met goede anekdotes te spekken. Hij heeft ook veel aandacht voor een aantal minder bekende natuurkundigen, zoals de Belgische priester LeMaître (de bedenker van de oerknaltheorie) en de tragisch jonggestorven Bronstejn (waarover later meer). Maar de held van het verhaal is ongetwijfeld Democrites, de Griekse filosoof die honderden jaren voor het begin van onze jaartelling de ‘atoomhypothese’ opstelde. Deze hypothese zegt dat alles is opgebouwd uit ondeelbare eenheden, atomen genaamd. Steeds legt Rovelli de nieuwe inzichten van de natuurkunde naast de ideeën van Democrites.

Wat het boek uniek maakt is echter het hoofdonderwerp, de lustheorie. Lustheorie is een mogelijke theorie van de ‘kwantumzwaartekracht’ en daarmee dus een concurrent van de veel bekendere (en in het veld qua gezag en funding beter gepositioneerde) snaartheorie.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Lussen of snaren? Op zoek naar kwantumzwaartekracht

Waarom de een zweert bij figuratieve kunst en de ander bij abstracte

Anders dan wij vaak denken is onze persoonlijke voorkeur voor figuratieve dan wel abstracte kunst niet alleen een functie van onze culturele en intellectuele ontwikkeling, maar hangt die nauw samen met de bedrading en werking van ons hele visuele systeem, een complex tweerichtingsverkeer tussen ons oog en delen van ons brein. Hoe dat tweerichtingsverkeer verloopt verschilt van persoon tot persoon, en bepaalt in belangrijke mate onze kunstopvatting – én hoe wij de wereld om ons heen aanschouwen: zoekend naar herkenning of naar nieuwe verbanden. Door Jaap Goudsmit.

In 2016 zagen twee boeken over kunst en hersenwetenschap het licht. Het ene boek is van de psychiater en neurobioloog Eric Kandel, die in 2000 de Nobelprijs kreeg voor zijn onderzoek naar de leermogelijkheden en het geheugen bij zeeslakken, en het inzicht dat dat verschaft in de werking van het menselijk brein. In zijn boek Reductionism in Art and Brain Science bouwt Kandel voort op zijn vroege keuze om het geheugen van ongewervelde dieren te bestuderen om zo iets te leren over de mens – een strategie die hem in zijn vroege carrière ernstig was afgeraden. Hoe kon je nu iets leren van de werking van het geheugen bij slakken dat van enige betekenis zou kunnen zijn voor het begrip van de werking van de hersenen bij de mens? Dat bleek achteraf veel meer te zijn dan iedereen voor mogelijk had gehouden.


Essay uit dBNg 2017#1

omslag reductionism in art and brain science omslag ons creatieve brein


Deze zeer reductionistische visie, die Kandel en de wereld uiteindelijk geen windeieren legde, past hij in zijn nieuwste boek toe op de neurobiologische benadering van kunst. Reductionisme wordt door Kandel gedefinieerd als het destilleren van grotere wetenschappelijke en esthetische concepten uit het ontleden van kleinere, makkelijker te bestuderen onderdelen. Kandel beschouwt abstracte kunst – met Mondriaan, de Kooning en Rothko als ultieme exponenten – als een reductionistische, en tot op zekere hoogte hogere, kunstvorm. Tegelijkertijd denkt hij dat juist deze kunstvorm bij uitstek geschikt is inzicht te geven in het menselijk vermogen om kunst te maken en te waarderen.

Het tweede boek over kunst en neurobiologie is van de hand van Dick Swaab. Onder de titel Ons creatieve brein. Hoe mens en wereld elkaar maken wordt een haast holistische visie op kunst maken en waarderen gegeven. Holisme is in wezen het tegenovergestelde van reductionisme en benadrukt dat de eigenschappen van iets ingewikkelds als de mens niet slechts de som is van zijn onderdelen. …

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Waarom de een zweert bij figuratieve kunst en de ander bij abstracte

Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann

Met de spierballenretoriek van Putin, Trump en de populisten in hun schaduw lijken we plotsklaps een heel nieuwe politieke realiteit te hebben betreden. ‘Lijken’, want het spreken en denken over politieke stijl, naties en samenlevingen als mannelijk of vrouwelijk is zo oud als de politiek zelf, net als het wisselen van die genderrollen overigens – tot ver in de 20ste eeuw wreef het Westen het Oosten bijvoorbeeld nog zwakheid, verwijfdheid en decadentie aan, terwijl dat tegenwoordig precies andersom is. [1] En dat juist deze drie termen zo vaak in één adem genoemd worden, is veelzeggend… het was niet zomaar dat tijdgenoten Hitler zo vaak een hystericus noemden. De manier waarop ook Thomas Mann (1875-1955) nationale politiek in verband bracht met gender, erotiek en met name homoseksualiteit, biedt niet alleen een verhelderende kijk op zijn leven en zijn werk, maar bovendien op zijn tijd en de onze. Een literair-historisch perspectief bij de eeuwige terugkeer van het politieke geschreeuw. Door Olivier Boehme.

In 1946 schreef Mann dat de Duitsers ‘een homo-erotisch’ volk waren. [2] Zo staat het er, zwart op wit. Die bewering, die deel uitmaakt van een reflectie over de liquidatie van Sturmabteilung (SA)-leider Ernst Röhm door zijn voormalige medestander Adolf Hitler, deed Mann niet bij wijze van gril. Aan dat oordeel gingen heel wat expliciete en impliciete beschouwingen over het erotische karakter van het Duitse volk en zijn geschiedenis vooraf. Het oeuvre van één van de grootste Duitse schrijvers van de twintigste eeuw vormt dan ook een monumentaal commentaar op de Duitse geschiedenis en cultuur. (De noten bij dit essay zijn ook buiten Blendle om te lezen onder deze link.)


Essay uit dBNg 2017#1

Doctor Faustus Image result for 9789028426825 Image result for 9789029586191 Image result for 9789029567633


Mann werd kort na de oprichting van het Tweede Duitse Keizerrijk (in 1871) geboren en stierf enkele jaren na de totstandkoming van West- en Oost-Duitsland, te midden van de Koude Oorlog. Hij begeleidde en becommentarieerde die bijzonder bewogen tijdspanne in zijn literaire en kritische werk. De schrijver, die vooral na 1933 uitgroeide tot symbool van het ‘goede Duitsland’ en toonbeeld van een democratische en tolerante versie van zijn land en cultuur, leverde zijn benadering van ‘het Duitse’ met een toenemende autoriteit. Dat neemt niet weg dat zijn werk niet alleen een sterk politieke, maar ook een onmiskenbaar erotische dimensie kende. Manns duiding blijkt sterk verweven met ideeën over hoe homo-erotiek zich manifesteerde in de Werdegang van de natie waar hij tegen wil en dank toe behoorde.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann

LTI17: de taal van het Derde Rijk, anno 2017

Eén van de voornaamste slagvelden van een samenleving of gemeenschap in hevig conflict met zichzelf is de taal die gesproken wordt. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend – toch is het verbazingwekkend om te zien hoe schijnbaar ongemerkt en zonder veel weerstand de taal die Westerse politici en opiniemakers spreken gedurende het afgelopen decennium is getransformeerd. De taal van het populisme is gemeengoed geworden: niet alleen door de retorische vaardigheid van haar sprekers, maar ook door de zeer vruchtbare voedingsbodem waarin dat idioom niet zelden landt. Maar met de verandering van het idioom verandert ook het politieke en morele landschap waar die taal naar verwijst. Het doet ertoe, bijvoorbeeld, of er over migratie wordt gesproken als een vraagstuk over rechtvaardigheid, of als een bedreiging voor de gezondheid van een land of samenleving. In Europa en de Verenigde Staten wordt in toenemende mate over migratie gesproken in termen van catastrofe en natuurramp; over mensen als dragers van gevaarlijke, subversieve aandoeningen – of dat nu een religie is, of lichamelijke driften, of een cultuur die erop uit is om alles wat goed is te ondermijnen. Is dat overdreven (met de suggestie dat het wat onschuldiger is dan het misschien klinkt)? Of moeten we ons daar veel meer zorgen over maken dan we lijken te doen?  Door Thijs Kleinpaste.

Grote politieke en humanitaire catastrofes beginnen er doorgaans mee dat mensen niet langer worden voorgesteld als menselijk. Wie erin slaagt om bootvluchtelingen niet als mensen voor te stellen, maar als invasie, heeft niet alleen het zicht op de realiteit veranderd, maar ook de morele opdracht die aan die blik ten grondslag ligt: een invasie is dan niet een opdracht tot hulp, maar tot afweer. Verander de taal, verander de wereld. Door de werkelijkheid opnieuw te formuleren verdwijnen en verschijnen politieke en morele dilemma’s, al naar gelang het de spreker uitkomt. Als een humanitair probleem niet langer een humanitair probleem is, verdwijnt ook de morele imperatief het op te lossen. Taal is een wapen – en woorden zijn precies zo onschuldig of schuldig als de gewetens waarin ze ontstaan. Wat betekent dat?


Essay uit dBNg 2017#1

omslag 9783150203651 omslag 9789045002996 omslag LTI


Trump en de taal van het Derde Rijk

Het standaardwerk over de fnuikende corrumpering van een samenleving door de taal die er gesproken wordt is LTI: Notizbuch eines filologen (1947) door de Duits-Joodse filoloog Victor Klemperer, over de ‘Lingua Tertii Imperii’, oftewel de taal van het Derde Rijk. Van alle akelige anekdotes uit dat boek blijft bij herlezing de volgende het langst hangen: een collega drukt hem, niet lang voor de definitieve machtsovername van Adolf Hitler in Duitsland, op het hart dat het hele gedoe over de Joden er alleen is voor propagandadoeleinden. ‘Wacht maar. Als Hitler eenmaal aan het roer staat is hij veel te druk om de Joden steeds te beledigen.’

De onderschatting die de collega maakt, wordt ook nu gemaakt en wijst op het onvermogen van doorgaans toch heel verstandige mensen om te verinnerlijken dat het ‘gedoe’ over deze of gene (etnische) minderheid geen propaganda of politieke strategie is, maar gemeend. Niemand is te druk om de daad bij het woord te voegen als die woorden ernst zijn.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder LTI17: de taal van het Derde Rijk, anno 2017

Thierry Baudet en de erfenis van de jaren dertig

Eind vorige zomer transformeerde Thierry Baudet zijn eurosceptische denktank Forum voor Democratie in een politieke partij, klaar om vanaf komende maart een Nexit voor te bereiden. Zelf groeide Baudet in de afgelopen jaren van een conservatieve veelschrijver uit tot een markante woordvoerder voor een politieke stroming die zich in populariserende catchphrases afzet tegen ‘Europa’ en oproept het ‘eigene’ te omarmen. Simplistische vergelijkingen met het verleden zijn weliswaar gevaarlijk, maar volgens Rob Hartmans kan deze stroming wel degelijk historisch worden geduid. Door Rob Hartmans.

Eind 2013 publiceerde ik een bundel met essays over intellectuelen en hun bemoeienissen met de samenleving en politiek van hun dagen. Het boek opende met een stuk over Erasmus en eindigde met een beschouwing over een rijzende ster aan het vaderlandse intellectuele firmament: Thierry Baudet. [1] Omdat het stuk over Baudet nogal kritisch was uitgevallen  leek het me fair en boeiend om tijdens de presentatie van boek in debat te gaan met de jeugdige intellectueel. Na afloop van de pittige maar beschaafde discussie liep Baudet af op een kleine, oudere dame in het publiek en zei tegen haar dat het hem was opgevallen dat ze vaak nogal afkeurend naar hem had gekeken. ‘Ach, weet u, meneer,’ zei deze toen 98-jarige dame, die inmiddels de enige persoon ter wereld moet zijn die kan zeggen dat ze nog met Trotski heeft gecorrespondeerd, ‘ik ben figuren zoals u eerder tegengekomen, in de jaren dertig in Parijs, en wij noemden hen toen fascisten.’ (De noten bij dit essay zijn ook buiten Blendle om te lezen onder deze link.)


Essay uit dBNg 2017#1 (Dit essay verschijnt zij-aan-zij met dit interview met Thierry Baudet door Arthur Eaton. Beide bijdragen kwamen geheel onafhankelijk van elkaar tot stand.)

omslag breek het partijkartel omslag oikofobie omslag de aanval op de natiestaat omslag conservatieve vooruitgang


Er ging een zekere huivering door de omstanders, en ook ikzelf voelde me ongemakkelijk bij deze opmerking. Wie het populisme en andersoortige aanvallen op het liberaal-democratische bestel vergelijkt met wat er in het Interbellum gaande was, krijgt al snel te horen dat hij of zij de plank volledig misslaat en doelbewust bezig is met het ‘demoniseren’ van politieke tegenstanders. Op deze manier komt immers de slagschaduw van ‘Auschwitz’ over het debat te hangen, waarna de zaak zo verduisterd wordt dat van een zinvol gesprek geen sprake meer kan zijn. De ‘Wet van Godwin’ in optima forma.

Toch is er alle reden om serieus te kijken naar wat deze dame zei, en naar wat ze níet beweerde. Ze zei immers niet dat Baudet een fascist was, dat hij de politieke doelstellingen en middelen van het fascisme uit de jaren dertig propageerde. Ze had het niet over Duitsland en het nationaalsocialisme, maar over Frankrijk en de welig tierende vreemdelingenhaat en de antidemocratische bewegingen die daar actief waren. Bovendien waren deze fenomenen toen niet nieuw, zoals ze ook na 1945 niet voorgoed zijn uitgestorven, maar namen ze in die jaren wel een specifieke vorm aan: ‘Wij noemden hen toen fascisten.’ Waar het namelijk om gaat, is dat de aanval op het politieke bestel die Baudet en anderen uitvoeren, dat de rancune en demagogie, het gescheld op de elites en het aanwijzen van zondebokken, verdomd veel lijken op wat er in de jaren dertig in Europa gebeurde. Vandaar dat het zinvol is om een blik te werpen op de politieke en intellectuele traditie waar Thierry Baudet, die zijn strijd tegen het liberaal-democratische bestel na maart 2017 vanuit het parlement hoopt te kunnen voeren, deel van uitmaakt. Niet omdat Baudet op zich nu zo interessant en belangwekkend is, maar vooral omdat hij in de ogen van sommigen een zeker intellectueel cachet verleent aan een veel bredere beweging die uit is op een totale kladderadatsch, een omwenteling die in één klap een einde moet maken aan alle tekortkomingen van het huidige bestel en ‘het volk’ zal teruggeven wat het door ‘de elites’ is ontnomen. Kortom, Baudet als gecoiffeerde, voor hoogopgeleiden verteerbare vertegenwoordiger van de revolutie die ook het oogmerk is van Geert Wilders, Donald Trump, Marine Le Pen, Frauke Petry en hoe ze verder mogen heten. Een ontwikkeling die in een aantal opzichten wel degelijk doet denken aan de jaren dertig.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Thierry Baudet en de erfenis van de jaren dertig

Het complot tegen de natie – interview met Thierry Baudet

Thierry Baudet (1983) is historicus, jurist en schrijver. Hij publiceerde acht boeken, waaronder De aanval op de natiestaat (2012) en Oikofobie (2013). In 2016 werd zijn denktank Forum voor Democratie (FvD) omgedoopt tot een politieke partij met Baudet als voorman. Hij is euroscepticus, voorstander van een Nexit en fel gekant tegen wat hij het ‘cultuurmarxisme’ noemt. In zijn woorden: ‘Dat is de variant van het marxisme die de “Verelendung”, waar uiteindelijk de wereldrevolutie uit voort zou moeten komen, niet langer verwacht van het economisch systeem en daardoor deze vervreemding via de cultuur wil realiseren’. Tegen deze schimmige vijand trekt Baudet nu ten strijde.

Nederland is volgens Baudet ziek en lijdt aan een aandoening die hij ‘oikofobie’ noemt. Deze afkeer van de oikos – het thuis, het eigene – beschouwt hij als een tragedie die het resultaat is van een jarenlange campagne van haatdragende elites. ‘Oikofobie is een normaal stadium waar pubers doorheen gaan’, schrijft hij, ‘maar in het Westen is deze geesteshouding sinds de Tweede Wereldoorlog het culturele, politieke en intellectuele debat gaan beheersen’. Baudet werpt zich op als verdediger van de westerse beschaving: haar tradities, haar natiestaten en haar esthetiek. Daarbij heeft hij een onwrikbaar vertrouwen in het ‘gezonde volksgevoel’. Met een partijprogramma dat een radicale democratisering voorstaat hoopt hij de huidige elites omver te werpen: ‘De bevolking heeft gelijk als het gaat over massale immigratie, de Europese Unie en het sluiten van grenzen’. Ik wilde het met hem hebben over zijn filosofische achtergrond en de belangrijkste thema’s in zijn werk – de ideeën achter de standpunten. Door Arthur Eaton.


Interview uit dBNg 2017#1 (Dit interview verschijnt zij-aan-zij met dit essay over Thierry Baudet en de erfenis van de jaren dertig door Rob Hartmans. Beide bijdragen kwamen geheel onafhankelijk van elkaar tot stand.)


Raoul Hausmann, The Spirit of Our Time – Mechanical Head (1919)

[Arthur Eaton] Een vriendin van mij stelt zich de hemel voor als een bruine kroeg waar achterin een bandje speelt. Aan de bar zit een aantal dode denkers met wie je een borreltje mag drinken voordat je door de achterdeur het grote niets tegemoet gaat. De vraag is natuurlijk: met wie zou jij graag aan de bar een laatste borreltje drinken? En – niet onbelangrijk – welk bandje speelt er?

Nederland Den Haag 01-10-2016 Thierry Baudet Forum voor Democratie Foto www.marcobakker.com
Foto: Marco Bakker

[Thierry Baudet] [Lacht] Dat is een leuke vraag, maar ik vind het moeilijk om hem te beantwoorden. Voordat ik aan mijn oeuvre begon had ik allerlei voorstellingen over de mensen achter de boeken. Nu ik zelf wat geschreven heb, en mensen ontmoet heb die boeken hebben geschreven, besef ik dat het beste van de mensen in de boeken zelf zit. Mijn werk is rijker dan ik als gesprekspartner ben. Ik schiet als mens hopeloos tekort – maar in mijn werk transformeer ik dat tot iets betekenisvols. De mensen met wie ik het liefst een biertje drink zijn gewone mensen met wie ik het kan hebben over het gewone leven.

[AE] Is schrijven voor jou een eenzame bezigheid? Ben je niet in dialoog als je schrijft?

[TB] Schrijven is een monoloog. Ik kan het niet beter zeggen dan ik het kan opschrijven. Neem bijvoorbeeld mijn roman: ik beschouw dat echt als een heel goed boek, een werk dat een belangrijke plek inneemt in de westerse literatuur. Vorige week werd ik erover geïnterviewd. Dan voel ik me erg verdrietig over mijn antwoorden. Ik slaagde er niet in om mijn boek goed samen te vatten. Later denk ik dan: literatuur valt ook niet samen te vatten – daar is het literatuur voor.

[AE] Dat wordt nog lastig in de politiek. Dat is een orale kunst.

[TB] Ik ben ook niet de politiek ingegaan omdat ik het zelf zo leuk vind. Ik ben de politiek ingegaan omdat ik het niet langer kan aanzien.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Het complot tegen de natie – interview met Thierry Baudet

Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann (noten)

Noten bij ‘Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann’

[1] A. Ryan, On Politics. A History of Political Thought form Herodotus to the Present (London, 2013), 876.

[2] Th. Mann, ‘Leiden an Deutschland – Tagebuchblätter aus den Jahren 1933 und 1934’, in: id., Reden und Aufsätze II (1946; Frankfurt am Main, 1965), blz. 482. Een soortgelijk commentaar dateert al van 12 juli 1934 en van 5 augustus 1934, zie id., Tagebücher 1933-1934 (Frankfurt am Main, 2003), 470 en 497.

[3] I. en W. Jens, Frau Thomas Mann. Das Leben der Katharina Pringsheim (Reinbek bei Hamburg, 2003,. 147-152.

[4] C. Bruns, Politik des Eros. Der Männerbund in Wissenschaft, Politik un Jugendkultur (1880-1934) (Keulen, Weimar & Wenen, 2008).

[5] F. Boterman, Oswald Spengler en Der Untergang des Abendlandes. Cultuurpessimist en politiek activist (Assen-Maastricht, 1992), 14-15.

[6] K. Harpprecht, Thomas Mann. Eine Biographie I (Reinbek bei Hamburg, 1996), 377.

[7] ibid., I, 380-381.

[8] J. Steinhaußen, ‘Aristokraten aus Not’ und ihre ‘Philosophie der zu hoch hängenden Trauben’. Nietzsche-Rezeption und literarische Produktion von Homosexuellen in den ersten Jahrzehnten des 20. Jahrhunderts: Thomas Mann, Stefan George, Ernst Bertram, Hugo von Hofmannsthal u.a. (Würzburg, 2001), 187.

[9] Zie o.m. Th. Mann, ‘[Für die “Blätter des Deutschen Theaters”]’, in: Reden I, 727.

[10] Th. Mann, ‘Friedrich und die grosse Koalition. Ein Abriß für den Tag und die Stunde’, in: id., Aufsätze, Reden, Essays. Band 2: 1914-1918 (Berlin/Weimar, 1983), 51-52 (mijn vertaling).

[11] id., Betrachtungen eines Unpolitischen (Frankfurt am Main, 2004), 572 (mijn vert.).

[12] id., Tagebücher 1918-1921 (Frankfurt am Main, 1979), 55-56.

[13] ibid., 11 en 10 (resp.).

[14] ibid., 148 en 303.

[15] ibid., 349.

[16] A. Heilbut, Thomas Mann. Eros and Literature (London-Basingstoke, 1997), 347-350.

[17] Th. Mann, ‘Von deutscher Republik’, in: Reden II, 47 (mijn vert.).

[18] ibid., 48 (mijn vert.).

[19] S. Zweig, Die Welt von Gestern. Erinnerungen eines Europäers (Frankfurt am Main, 2009), 354.

[20] Mann, ‘Von deutscher Republik’, 16-17, 26-27, 30-34, 40-41 en 44-49.

[21] Th. Mann, [Zu Friedrich Eberts Tod], in: Reden II, 383-384.

[22] Th. Mann, ‘Über die Ehe – Brief an den Grafen Hermann Keyserling’, in Reden I, 132-133, 136-137; citaat: 136.

[23] Heilbut, Eros, 417-412; Harpprecht, Mann II, 1897.

[24] Heilbut, Eros, 505-504.

[25] Th. Mann, ‘Worte an die Jugend’, in Reden II, 753.

[26] Th. Mann, ‘Appell an die Vernunft’, in id., Achtung Europa. Aufsätze zur Zeit (1930; Stockholm, 1938), 52-53.

[27] Th. Mann, ‘Jungfranzösische Anthologie’, in Reden I, 388.

[28] Th. Mann, ‘Die Wiedergeburt der Anständigkeit’, in: Reden II, 410 en 413-414.

[29] Mann, ‘Leiden an Deutschland’, 482 (mijn vert.).

[30] Th. Mann, Tagebücher 1933-1934, 308-309 (mijn vert.).

[31] ibid., 519.

[32] Th. Mann, ‘Bruder Hitler’, in: id., An die gesittete Welt. Politische Schriften und Reden im Exil (Frankfurt am Main, 1986), 255.

[33] Th. Mann, Tagebücher 1937-1939 (Frankfurt am Main, 2003), 115-116.

[34] ibid., 166.

[35] Harpprecht, Mann I, 569, 814 en 943.

[36] C.J.E. Dinaux, ‘Nawoord’, in Th. Mann, De wet, vert. C. J. E. Dinaux (Amsterdam, 1969), 123-131. Voor de veroordeling van homoseksualiteit zie Manns tekst, p. 78.

[37] Harpprecht, Mann II, 1635.

[38] Th. Mann, Lotte in Weimar, vert. Tinke Davids (Amsterdam, 1993), 156-157.

[39] ibid., 234.

[40] Harpprecht, Mann II, 1217.

[41] Th. Mann, ‘Vom kommenden Sieg der Demokratie’, in Achtung Europa, 148.

[42] Th. Mann, Deutsche Hörer! Radiosendungen nach Deutschland aus den Jahren 1940-1945 (Frankfurt am Main, 2001), 67.

[43] Voor een uitwerking van Doktor Faustus en het hier behandelde thema: Steinhaußen, ‘Aristokraten’, passim en m.n. 205-239.

[44] Th. Mann, Tagebücher 1949-1950 (Frankfurt am Main, 1991), 205.

[45] Th. Mann, Versuch über Schiller (Berlin/Frankfurt am Main, 1955), 83.