Tagarchief: 2017#3

De lessen van Robert B. Silvers en The New York Review

Eind april vertrok Merlijn Olnon, hoofdredacteur van de Nederlandse Boekengids (dNBg), met een reisbeurs van het Nederlands Letterenfonds voor een werkbezoek naar New York. Eenzelfde bezoek aan Londen staat gepland voor deze zomer, met eind dit jaar nog een tweede bezoek aan New York.

Al vrijwel sinds het eerste nummer in februari 1963 wordt The New York Review of Books (NYRB) – volgens sommigen naast The Times Literary Supplement (TLS) en, sinds 1979, The London Review of Books (LRB) – beschouwd als hét tijdschrift voor het review essay: de door oprichtend redacteuren Robert B. Silvers en Barbara Epstein tot literaire kunstvorm verheven essayerende boekbespreking, waarin wetenschappers met een scherpe pen en schrijvers met een scherpe geest (in gelukkige gevallen verenigd in één en dezelfde persoon) nieuwe boeken naast hun eigen ervaring en de actualiteit leggen, om ieder onderwerp zo in de volle breedte en in uiterst leesbare vorm aan hun lezers te presenteren. Wat kan de dNBg als Dutch Review of Books uit de eerste hand van deze rijke traditie leren? Het korte ziekbed en plotselinge overlijden van Silvers in maart plaatste het voor april-mei geplande werkbezoek opeens in een heel ander, niet minder onthullend, licht.

Het is bij binnenkomst op het kantoor zo stil dat je een speld zou kunnen horen vallen. Tenminste, had er geen doorsnee grijs kantoortapijt gelegen. Links van me een verplaatsbare wand met de eredoctoraten van Silvers (1929-2017), van het allereerste nummer tot zijn dood op 20 maart de drijvende kracht achter het meest toonaangevende literaire – en politieke, wetenschappelijke, culturele – tijdschrift ter wereld. Rechts van me staat een ronde keukentafel met een wit tafelkleedje erop, daarachter een onbemande receptiebalie en een diepe pijpenla van een postkamer waar twee medewerkers druk bezig zijn met wat de afwikkeling van de zojuist van de drukker gekomen jaargang 54, nummer 8 moet zijn, het tweede nummer in het bestaan van het blad dat niet onder Silvers’ redacteurschap ‘naar bed gebracht’ werd. Voorbij de postkamer ligt een reeks aan het zicht onttrokken ruimtes achter witte tussenwanden, met links de redactieruimten en rechts die van de uitgeverij. Voor me strekt zich een aantal open huiskamerachtige ruimtes uit. Dit doodnormale kantoor in de New Yorkse Village is het thuis van The Review en zijn circa dertig medewerkers.


Essay uit dBNg 2017#3 (een eerdere versie van dit essay werd 26 mei gepubliceerd op nrc.nl


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder De lessen van Robert B. Silvers en The New York Review

Op zoek naar een nieuw nationaal verhaal

Recentelijk verscheen in Frankrijk het boek Histoire mondiale de la France, een overzichtswerk onder leiding van mediëvist Patrick Boucheron. Een pavé, dus letterlijk een kassei, maar ook figuurlijk, want niets minder dan een steen in de vijver. Dit boek heeft namelijk alles te maken met de hedendaagse Franse worsteling met nationale identiteit.  Door Niek Pas.

In de diverse debatten in aanloop naar en tijdens de Franse presidentsverkiezingen, najaar 2016 – voorjaar 2017, was dit een van de brandende kwesties. Op de achtergrond sluimeren spanningen tussen het klassieke republikeinse en etatistische ideaal van die ‘Ene en Ondeelbare’ Republiek versus de praktijk van een maatschappij die – net zoals in vele andere landen – volop verkleurt en diversifieert. Staat en samenleving zoeken naar manieren zich te verhouden tot zowel ‘mondialisme’ als ‘multiculturalisme’. Het angstbeeld is een (verder) verdeeld Frankrijk, ten prooi aan communautarisme, waarbij diverse bevolkingsgroepen niet met elkaar, maar naast elkaar leven.

In de discussies tussen de diverse présidentiables ging het onder meer over het Verhaal dat van Frankrijk, van de Franse geschiedenis, onderwezen dient te worden op school. In hoeverre is dit nog een klassieke roman national dat ooit begon met ‘Nos ancêtres les Gaulois’, dus ‘Onze voorouders, de Galliërs’? Dat uit marmer gehouwen beeld van de Franse geschiedenis, dateert uit de negentiende eeuw. Tijdens de Derde Republiek kwam natievorming pas echt op gang door onder meer de uitleg van spoorlijnen en de instelling van leer- en dienstplicht. In het laatste kwart van die eeuw veranderden de boeren in Fransen, zoals de beroemde these van Eugen Weber (Peasants into Frenchmen, 1976) luidt. Dat aloude natiestaatverhaal is zowel lineair, heroïsch als verbindend, aan de hand van roemrijke veldslagen en grote mannen (en een enkele vrouw, zoals Jeanne d’Arc). En dit récit mondt vanzelfsprekend uit in de Republiek en de waarden waarvoor deze sinds 1789 staat: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Een klassieke geschiedenis- en identiteitsopvatting, die vandaag de dag belegen overkomt en, vanuit links perspectief, als conservatief en zelfs reactionair wordt beschouwd.


Essay uit dBNg 2017#3

  

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Op zoek naar een nieuw nationaal verhaal

‘We’ll always have Paris’

In december vorig jaar verscheen La La Land in de Nederlandse bioscopen. Anders dan de gender- en rassenpolemiek rond deze lm doet vermoeden, is het decor ervan – de Amerikaanse ‘megalopolis’ Los Angeles – de eigenlijke sleutel tot zijn boodschap. Het ogenschijnlijk vrolijke drama, waarin de American Dream en de Pursuit of Happiness worden beproefd door de grillen van het moderne leven, is boven alles een stadsverhaal dat aantoont hoe waardevol populaire kunst kan zijn voor het doorzien van onze maatschappelijke structuren en conventies. Door David Rijser.

Het eerste shot van La La Land toont het diffuse licht van een stralende Californische zomerhemel, en pant dan van de zinderende zon naar de snelweg daaronder, LA’s variant op wat in een Europese stad een straat met trottoir is. Op de ‘big freeway’ (Burt Bacharach) die de stad is, een onafzienbaar file-lint, de horizontale pendant van de verticale lijnen van de wolkenkrabbers op de achtergrond. We horen een kakofonie van claxons en elkaar overschreeuwende autoradio’s, die regisseur Chazelle binnen enkele ogenblikken triomfantelijk transformeert in een musicalnummer (Another Day of Sun) dat de bestuurders in staat stelt zich even letterlijk en figuurlijk te bevrijden uit het isolement van hun cabines. Zo lijkt het zowaar dat zelfs de bewoners van een moderne reuzenstad een collectief kunnen vormen: in perfecte harmonie zingen, dansen en springen ze. Het is ook een springplank voor de plot, die twee bestuurders van opeenvolgende auto’s – de actrice Mia en de jazzpianist Sebastian – bij elkaar zal brengen en weer uiteen zal drijven. En uit dat laatste blijkt dan weer dat de suggestie van een collectief, van ‘samen spelen’, misleidend is als het om de praktijk van het moderne bestaan gaat, in een relatie net zo goed als in de samenleving als geheel.


Essay uit dBNg 2017#3

 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder ‘We’ll always have Paris’

Rouwen in het Antropoceen

Sommige begrippen dienen enorm goed als stok om mee te slaan. ‘Neoliberalisme’ is daar een mooi voorbeeld van. Gewoon ‘neoliberalisme’ roepen en klaar is Kees. Kaltgestellt. Het buzzword van dit moment, ‘Antropoceen’ heeft een vergelijkbaar effect. Al dient dit begrip niet zozeer als stok om anderen mee te slaan, als wel als zweep om mee aan zelfkastijding te doen. Met de introductie van dit nieuwe geologische tijdperk proberen we de vinger op de zere plek te leggen: de mens – de antropos – die een puinzooi maakt van onze planeet. Door Lisa Doeland.

Volgens de recent verkozen Denker des Vaderlands, René ten Bos, gaat van naamgeving een bezwerende werking uit. Onbenoemd maakt onbekend. En angstig: ‘we geven namen omdat we bang zijn’. In Dwalen in het Antropoceen (2017) laat Ten Bos zien hoe we aan de onzekerheid die gepaard gaat met leven in tijden van klimaatopwarming, zeespiegelstijging en massa-extinctie, het hoofd proberen te bieden door het beest een naam te geven: het Antropoceen. Het probleem met Antropoceen met een grote ‘A’ is volgens Ten Bos dat het een richting suggereert, een aanknopingspunt, een weg het bos uit. En dat is volgens hem nou juist wat we níet moeten doen. We hebben de weg nooit geweten en we moeten vooral niet denken dat we die nu opeens wél kunnen vinden: verdwaald zijn is de permanente conditie van de mens. Met geo-engineering en andere technologische quick fixes om de ‘cascade aan catastrofes’ het hoofd te bieden (zoals het bouwen van een megadam in de Beringzee om de Noordpool te beschermen, of een reflecterend zonnescherm in de ruimte plaatsen om wat zonlicht tegen te houden) heeft hij dan ook weinig op. Want als het Antropoceen ons íets leert, dan is het wel dat wij op onze omgeving inwerken en de omgeving op ons. En ook dat er geen buitenperspectief is dat ons toestaat van een afstandje te bepalen wat er aan de hand is en wat we zouden moeten doen om elders te komen. We staan er niet boven of buiten, we zitten er middenin.

Essay uit dBNg 2017#3

    


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Rouwen in het Antropoceen

De revolutie van Wilhelm Reich: een interview met James E. Strick

James Strick doceert wetenschapsgeschiedenis aan het Franklin & Marshall College in Pennsylvania in de Verenigde Staten. Daar ontmoette ik hem zo’n tien jaar geleden voor het eerst, toen ik min of meer bij toeval een introductievak volgde over Thomas Kuhn en zijn theorie over wetenschappelijke revoluties. Voor dit interview sprak ik Strick in de vroege ochtend (zijn ochtend) via Skype. Het was het begin van de voorjaarsvakantie en hij was snipverkouden. Stricks echtgenote was bezig op de achtergrond en onderbrak hem tijdens ons gesprek één keer kort om hem erop te wijzen dat hij in herhaling viel. Door Matei Iagher.

James Strick heeft uiteenlopende studies gepubliceerd over de geschiedenis van het denken over de oorsprong van het leven – van negentiende-eeuwse debatten over generatio spontanea tot aan huidige, door de NASA aangestuurde, astrobiologische experimenten. Zijn meest recente boek is een grondige beschouwing van Wilhelm Reichs biologische experimenten, uitgevoerd in Oslo tussen 1934 en 1939. Gebruikmakend van documenten uit de Reich-archieven, bestrijdt Strick in deze biografie de heersende aanname dat Reich een ongekwalificeerde kwakzalver zou zijn geweest, en zijn werk een schoolvoorbeeld van pseudowetenschap. Het boek karakteriseert Reich wel als een onorthodoxe wetenschapper (hij was van oorsprong psychoanalyticus) met een aantal bijzondere ideeën over de oorsprong van leven en het ontstaan van kanker. Strick, die zelf microbiologie studeerde, laat zien dat het werk van Reich is gegrond in ampel en zeer nauwkeurig uitgevoerd experimenteel onderzoek. Wilhelm Reich, Biologist is een historisch werk, maar Stricks achtergrond in de biologie stelt hem in staat om Reichs experimenten te beoordelen op hun wetenschappelijke validiteit. Het boek staat uitgebreid stil bij Reichs ontdekking van de zogenaamde ‘bionen’ – microscopische deeltjes waarvan hij vermoedde dat ze de schakel vormden tussen leven en onbezielde materie. Daarnaast luidde Reichs hypothese dat bionen ook een rol spelen bij de ontwikkeling van kanker. Als er van de ontdekkingen van Reich ook maar een gedeelte waar zou blijken te zijn, dan zou zijn onderzoek ongetwijfeld alsnog een revolutionaire omwenteling in de huidige biologie veroorzaken.


Essay uit dBNg 2017#3


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder De revolutie van Wilhelm Reich: een interview met James E. Strick

Beelden van Egypte: fotografie en Oriëntalisme in Huis Marseille

In Huis Marseille is er tot 4 juni aanstaande een bijzondere tentoonstelling te zien over negentiende-eeuwse fotografie in Egypte. Diederik Burgersdijk bezocht deze tentoonstelling en modereerde het SPUI25– programma ‘Egyptomanie. Reizigers en fotografen 1850-1900’. Zo zag hij hoe Egypte een rijke bron is voor observanten van alle tijden, van antieke toeristen tot fotografen van vroeger en vandaag. Door Diederik Burgersdijk.

In een tentoonstellingszaal van Huis Marseille ligt het lang vergeten ‘Reisindrukken in het Oosten’ van de Rotterdamse dominee Louis Heldring (1846-1909), een oudoom van de journalist Jérôme Louis Heldring (1917-2013). De pagina’s, waarop een reisverslag naar de Levant via Griekenland en Egypte, zijn in bruin stofomslag gebonden. De kaft is gesierd met gouden letters en een tekening van ‘Rachels graf’, een lieu de mémoire in Palestina. De reisbeschrijving, uit het laatste decennium van de negentiende eeuw, is verluchtigd met kaarten en aquarellen van de Duitse kunstenaar R.J. Hartmann, die enkele van de bezochte plaatsen verbeelden. Het tentoongestelde exemplaar bevat een bijzonderheid. In de katernen meegebonden zijn foto’s van de hand van de reizende dominee zelf, met handgeschreven onderschriften. Er bestaan drie van die exemplaren: voor elk van de kinderen van de auteur een.


Essay uit dBNg 2017#3

In Egypte / Reizigers en fotografen, 1850–1900, Huis Marseille, Amsterdam, 11 maart 2017 – 4 juni 2017. Conservator: Saskia Asser


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Beelden van Egypte: fotografie en Oriëntalisme in Huis Marseille

Némirovsky, of de verleidingen van fictionalisering en nonfictionalisering

Het is verleidelijk de romans van oorlogsslachtoffers in de eerste plaats te bezorgen en te lezen als getuigenissen van hun dramatische levensloop. Neem nu Irène Némirovsky, wier literaire oeuvre in de afgelopen tien jaar haast overstemd raakte door de wederwaardigheden van haar leven en erfenis. Toch zou het vreemd zijn haar werk niet in dat licht te lezen. Wat te doen met deze wisselwerking tussen de fictionalisering van oorlogslevens en de nonfictionalisering van oorlogsverhalen? Kan het beter – met meer respect voor levens én werk? Jazeker, zo demonstreert The Némirovsky Question. Door Marjolein Corjanus.

Een jonge, succesvolle schrijfster, in 1942 in Auschwitz vermoord, verschijnt zestig jaar later weer in een reeks sprekende portretten op de omslagen van haar heruitgegeven werk: de ‘herontdekking’ van Irène Némirovsky als auteur van een prachtig Frans literair oeuvre sprak de afgelopen jaren zeer tot de verbeelding van het lezerspubliek. De postume uitgave van de roman Suite Française, in 2004 bekroond met de Prix Renaudot, leidde tot hernieuwde aandacht voor leven en werk van de joodse Némirovsky. Met het internationale succes deed evenwel ook de mythevorming haar intrede.


Essay uit dBNg 2017#3

 

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Némirovsky, of de verleidingen van fictionalisering en nonfictionalisering

16 juni: Bloomsday!

Op 16 juni is het weer zover: Bloomsday. Bloomsday is de dag die wordt beleefd door Leopold Bloom, de held van Ulysses, de befaamde roman van James Joyce die zich afspeelt binnen een etmaal – op 16 juni 1904. Doordat hij wordt gadeslagen en vooral door wat hij denkt, mompelt, zegt en schrijft komen we als lezers te weten wat Bloom bezighield tijdens zijn miniatuur-odyssee, die bestaat uit omzwervingen door Dublin. Joyce besteedde daar een kwart miljoen woorden aan, niet bepaald het format van een bestseller, maar de bespiegelingen van Bloom werden op zo’n oorspronkelijke, vrolijke en scherpzinnige manier gepresenteerd dat het boek uitgroeide tot een monument. Door Luuc Kooijmans.

In Dublin wordt de dag jaarlijks gevierd en er is geen evenement dat niet is voorzien van een woordspeling op zijn naam. Dat is in stijl natuurlijk (zijn tweede beroemde boek, Finnegans Wake, is een grote woordspeling), maar over het enthousiasme voor de viering in Dublin zou de schrijver misschien wel wat schamper hebben moeten lachen. Het duurde jaren voor hij er een boek uitgegeven kreeg. Ulysses werd uitgebracht in Parijs, want in Dublin vond men het boek schokkend immoreel. Verstikkend conventioneel vond Joyce er de atmosfeer, dodelijk voor de kunstenaarsziel. Voor hij 23 was had hij de stad verlaten en hij keerde er nooit meer terug.


Essay uit dBNg 2017#3 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder 16 juni: Bloomsday!

Een verdediging van het kleine leven

Boeken over het leven van een kunstenaar of anderszins bekend persoon zijn erg in trek: ze zouden een inkijkje geven in ‘het echte leven’. Vaak zijn uitgegeven dagboeken echter aaneenschakelingen van escapades, en gaan ze minder over het leven dan over het escapisme van de persoon in kwestie. Lodewijk Verduin bespreekt drie recente, weinig sensationele maar daarom juist levensechte (auto)biografieën. Door Lodewijk Verduin.

Literatuur over kunstenaarslevens heeft een mysterieus allure. Egodocumenten en autobiografieën worden anders en steevast gretiger gelezen dan romans en dichtbundels. Het is alsof ze een uniek geheim bevatten, ons meer kunnen vertellen over kunst en leven dan de kunst zelf. Niet voor niets vormen literaire egodocumenten een uiterst populair genre op zich, dat uitnodigt tot een voyeurisme dat in dienst staat van het achterhalen van dit geheim. Wat zoeken mensen in de levens van kunstenaars dat ze in hun werk kennelijk niet vinden?


Essay uit dBNg 2017#3


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Een verdediging van het kleine leven