Tagarchief: deFusie

Keep Calm and Carry On?!

Ondanks een joekel van een klimaatprobleem en een vloedgolf aan burn-outs, versnellen we op de planeet aarde druk verder: die economie kan harder! Verscheidene filosofen en sociologen signaleren een kwalijke ‘versnellingskringloop’ en publiceren pleidooien voor alternatieve, meer ‘geaarde’ levenshoudingen. Lisa Doeland neemt die pleidooien eens onder de loep, in alle rust. Door Lisa Doeland.

‘Keep calm and carry on’– opeens dook overal die rode kaart met witte letters op, erboven een kroontje. Kennelijk gaat er een kalmerende werking uit van de kaart, gezien de mate waarin ze aan muren van kantooromgevingen prijkt – buffel rustig door, het komt allemaal wel goed! Een raadzaam advies, lijkt het, voor de chronisch overbezette zzp’er, hoewel de boodschap oorspronkelijk voor een heel ander soort publiek bedoeld was. Het blijkt te gaan om een poster die in 1939 was ontworpen om in Groot-Brittannië te verspreiden in geval van een Duitse invasie. Een boodschap voor burgers in oorlogstijd dus, bedoeld om de moraal op te vijzelen. Het kroontje verwijst naar wat ‘Victorian stoicism’ genoemd wordt, waarbij de ‘stiff upper lip’ als symbolisch attribuut geldt. De Brit, die disciplineert zichzelf wel, houdt zijn hoofd koel en ook de zeden hoog in times of trouble. Maar de Battle of Britain werd in het voordeel van de Engelsen beslecht, de poster is nooit gedrukt en raakte in de vergetelheid – tot een boekhandelaar in 2000 een proefdruk ontdekte en haar in zijn winkel ophing. Die vond weerklank en ging in 2008 alsnog in massaproductie.


Essay uit dBNg 2017#1 (in samenwerking met deFusie.net)

omslag 9789023473039omslag 9789089536082omslag 9789023494188PHomslag 9789023489672

PH510053 U0C Hermsen_Stil:Hermsen Heimweeomslag 9789046704950omslag 9789089534651

Beeld: DOE IETS, Serge Verheugen, Wibautstraat Amsterdam, 2011.


De oproep om kalm te blijven en door te gaan, is in het huidige tijdsgewricht echter geen teken van verzet, maar veeleer van onderwerping aan de status quo. Veel variaties op de iconische boodschap beamen het verschil: Keep calm and carry on, and on, and on, … and go on shopping, … and enjoy capitalism. In het huidige tijdsgewricht appelleert ‘keep calm’ aan gedachteloos voortjakkeren. Er hijgt ons immers geen wereldoorlog in de nek, eerder een doorgedraafd consumptiekapitalisme.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Keep Calm and Carry On?!

Europa tussen ironie en ‘waarheid’

Door Jozef Waanders (1987), afgestudeerd in geschiedenis en filosofie in Utrecht en Leuven. Hij is hoofdredacteur van deFusie.net.


De lach is een heilzaam middel tegen rigide rationaliteit, en onvervreemdbaar onderdeel van de Europese cultuur, al sinds de oude Grieken.

Dit essay verschijnt in samenwerking met deFusie.net in DBNg 2016#4

logo defusie

Na de aanslag op het redactiekantoor van Charlie Hebdo in januari 2015 schreven enkele kranten dat we toch vooral moesten blijven lachen in Europa. Volgens de Belgische filosoof en hoogleraar Guido Vanheeswijck past die reactie in een lange Europese traditie. Van de zwerver-filosoof Diogenes van Sinope die Plato lachend van repliek diende, tot de ‘lach’ waarmee Nietzsche reageerde op het ‘weten’ van de moderniteit: altijd weer hebben denkers in de lijn van Socrates de lach als middel gebruikt om onze vermeende zekerheden onderuit te halen.

Met De draad van Penelope. Europa tussen ironie en waarheid, mengt Vanheeswijck zich in het hachelijke debat over wat het onderscheidende element van ‘de Europese identiteit’ zou kunnen zijn. Dat doet hij door de sporen van die lach in de Europese ideeëngeschiedenis te volgen, met ‘de draad van Penelope’ als metafoor. Penelope, de treurende echtgenote van Odysseus die uit trouw aan hem en in verwachting van zijn terugkeer ’s nachts de draden uittrekt van het lijkkleed dat ze overdag heeft geweven, staat zo symbool voor een Europa dat in zijn denken telkens weer andere draden beproeft; het geluid van de weefgetouwen voor de rusteloze zoektocht naar een waarheid die zich telkens weer aan begrip onttrekt; het weven en weer uithalen voor constructie en deconstructie in het Europese denken.

Daarmee suggereert Vanheeswijck dat de Europese identiteit is gebouwd op onophoudelijke zelfbevraging omdat het, paradoxaal genoeg, juist de weigering is om een definitieve identiteit te aanvaarden die Europa kenmerkt. Het middel waarmee elke poging tot de formulering van een definitieve waarheid ontmaskerd wordt, is de ironische lach – in eindeloos verschillende schakeringen:

‘Altijd weer hebben denkers de lach als wapen gehanteerd om de Europese mens te verdrijven uit de waarheidsparadijzen die hij voor zichzelf construeert, in de ijdele hoop er rust en zekerheid te vinden. De ironische lach symboliseert in al zijn nuances deze dynamiek van zoeken, vinden en twijfelen aan de gevonden zekerheden, en tegelijk verwijst hij naar het onderhuidse verlangen naar waarheid.’

Aan de hand van die voortdurend veranderende relatie tussen lach en waarheid beschrijft Vanheeswijck het avontuur van een beschaving op zoek naar zichzelf. Opvallend is daarin vooral dat we ook altijd weer lijken te worstelen met onze hang naar ironie.

9200000052040217

Dat begint al met de strijd om de socratische erfenis tussen Plato en Diogenes van Sinope, in een tijd die door Vanheeswijck omschreven wordt als een periode waarin de waarheid over het algemeen werd opgevat als iets dat elk menselijk streven ruimschoots overstijgt. De lach diende ertoe de mens aan die onbereikbaarheid te herinneren en krijgt voor het eerst expliciet erkenning als wijsgerig wapen door het optreden van Socrates. Met zijn ironische houding tegenover de schijnbare menselijke zekerheden bakent hij als hartstochtelijke waarheidszoeker én archetypische dwarsligger het spanningsveld af waarbinnen de Europese cultuur zich zal ontwikkelen. Diogenes drijft de socratische methode clownesk op de spits, maar is enkelvoudiger dan Socrates: hij wil de mens slechts (en al schaterlachend) bevrijden van zijn hartstocht voor de waarheid. Plato (‘verrader of vader van Europa?’) daarentegen, zou de socratische erfenis volgens denkers als Karl Popper en Peter Sloterdijk juist geperverteerd hebben door de socratische ironie te veronachtzamen en in plaats daarvan de verdrukkende systematiek van de Europese rationaliteit in gang te zetten.

In talloos verschillende verschijningsvormen blijft deze ‘strijd’ of dialoog tussen lach en waarheid nadien de kop opsteken. In de late Renaissance bijvoorbeeld, als de wetenschap van de zekerheid van Descartes botst op de wijsheid van de onzekerheid (de erkenning dat de waarheid zich aan rationaliteit onttrekt) die vanaf Cervantes’ Don Quichot in de roman centraal zou staan. De Tsjechische romanschrijver en essayist Milan Kundera spreekt in dat verband van de ‘dubbele geboorte van het moderne Europa’: de roman biedt een alternatief voor het cartesiaanse absolute cogito door de lezer te wijzen op de essentiële relativiteit en dubbelzinnigheid van alle menselijke aangelegenheden. Door verschillende perspectieven in verschillende personages uit te werken, benadrukt Cervantes dat niemand de waarheid in pacht heeft. Weer stuit ‘de waarheid’ op ‘de lach’, maar weer wordt die laatste naar de marginaliteit gedreven. Door deze ‘erfenis van Cervantes’ af te wijzen (zie ook David Rijsers bijdrage over Shakespeare en Cervantes in het vorige nummer van De Nederlandse Boekengids) drijft de moderne Europese beschaving volgens Kundera af van haar eigenlijke bestemming.

Het zijn slechts twee van vele voorbeelden van de dialectiek tussen lach en waarheid die Vanheeswijck in het boek aan bod laat komen. Het beeld dat oprijst, is dat van een Europa dat in zijn pogingen de socratische vraag te beantwoorden weliswaar vaak zijn toevlucht zocht in afgeronde metafysische systemen, maar die systematiek middels het antidotum van de lach net zo vaak weer uit is gejaagd: ‘Het zijn de dwarsliggers, de rusteloze waarheidszoekers die haar telkens weer gestalte geven door de draden los te trekken.’

De draad van Ariadne

Met De draad van Penelope wil Vanheeswijck een alternatief bieden voor elk helder afgebakend idee van Europa (zoals ‘joods-christelijk’ of ‘seculier-humanistisch’) dat al het ‘andere’ buitensluit. Of voor een Europa waarin een (cultureel-levensbeschouwelijk) beschavingsideaal geofferd wordt aan een louter sociaaleconomisch marktideaal. De economische en politieke samenwerking van Europa kan volgens hem niet zonder een oriënterend beschavingsideaal. Anders dreigt de logica van een andere draad uit de Griekse mythologie: die van Ariadne. Met die draad ontsnapt Theseus uit het labyrint waarin hij zojuist de monsterlijke Minotaurus heeft verslagen. Hij hoeft haar draad slechts af te wikkelen en weer op te rollen om zijn weg terug te vinden. Die handelswijze staat volgens Vanheeswijck symbool voor de quick way out en de ‘there is no alternative’-politiek waar de Europese Unie, van vluchtelingenproblematiek tot de eurocrisis, steeds vaker voor lijkt te opteren.

En daar raken Vanheeswijcks draden in de knoop. Inzichten uit een cultuurfilosofisch debat zijn niet een-op-een vertaalbaar naar de wereld van de politiek. Een ‘waarheid van het denken’ is niet automatisch toepasbaar in de praktijk. Allicht schiet een louter sociaaleconomisch vertoog over Europa tekort en mag een debat over een funderend cultureel-levensbeschouwelijk beschavingsideaal niet ontbreken. Maar onduidelijk blijft hoe de Penelope-aanpak als alternatief voor de Ariadne-aanpak het hoofd zou kunnen bieden aan opspelende crises.

Dat neemt niet weg dat Vanheeswijck een waardevolle en originele bijdrage levert aan een debat dat zo vaak gedomineerd wordt door ideologische of essentialistische opvattingen. Hij houdt de vraag naar Europa levend door haar open te laten. ‘Het oude Europa heeft al de mogelijkheden van het vertoog over zijn eigen identiteit uitgeput,’ schreef Jacques Derrida in 1992 in The Other Heading. Reflections on Today’s Europe (Indiana UP, 1992). Toch kon hij het niet nalaten ook zelf een bijdrage te leveren aan het debat daarover. Van diezelfde spanning getuigt ook het boek van Vanheeswijck. Juist in deze steeds weer opdoemende twijfel over zichzelf, in de kritische zelfbevraging, kan Europa volgens hem de rechtvaardiging van zijn aanspraken op universaliteit vinden. Die evenwichtsoefening tussen een hardnekkig waarheidsrelativisme en een even gevaarlijk waarheidsfundamentalisme, kan volgens hem niet zonder Europa’s vrolijke filosofen en de ironische lach, ‘geboren uit een waarheid die ondefinieerbaar en onbereikbaar is en toch duidelijk aanwezig’.

Meer van dit moois? Neem nu voor slechts € 30,-direct een abonnement en lees De Nederlandse Boekengids een jaar lang zowel op papier als digitaal.

 

De comeback van een tweedehands emotie

Door Kim Schoof, student filosofie en Nederlandse literatuur aan de UvA en redacteur bij het online tijdschrift deFusie.net, en Lodewijk Verduin, student Nederlands en redacteur bij Perdu.


logo defusieHoewel de eerste Tinderbaby’s inmiddels geboren zijn, houdt de vaste relatie met één partner stand als liefdesnorm. Wordt het in een veranderde wereld (emancipatie, liberalisme, internet) geen tijd voor een heroverweging van die traditie? Zowel nrc.next-columnist en filosoof Simone van Saarloos (25) als Alain Badiou (79), mastodont van de hedendaagse filosofie, beantwoorden de vraag met een volmondig ‘ja’, zij het met heel verschillende uitkomsten.

Dit essay verschijnt in samenwerking met deFusie.net in DBNg 2016#3

van saarloos

Van Saarloos kondigt in haar pamflet Het monogame drama (2015) ‘het failliet van de monogamie’ aan. Ze constateert dat mensen om haar heen meer waarde hechten aan de ‘status’ van een relatie dan aan de persoon op wie zij verliefd zijn, beschrijft stelletjes die tevreden zijn met samen tv-kijken en mensen die opgelaten naar de volgende op zoek gaan wanneer het uitgaat. Van Saarloos signaleert dat ‘de meeste mensen verwachten dat enkelvoudigheid tot rust en authenticiteit leidt’, en ondertussen voeren lethargie en gemakzucht de boventoon. Met Het monogame drama breekt ze in de eerste plaats een lans voor de vrijgezel. Koppeltjescultuur is volgens haar gebaseerd op een drang naar veiligheid en comfort, terwijl liefde zonder inzet waardeloos is in haar vrijblijvendheid. Van Saarloos’ alternatief is de polyamorie: een liefdesleven met meerdere partners. In korte hoofdstukken waarin ze theorie afwisselt met anekdotes uit eigen leven stelt zij dat de oplossing is om je liefde over verschillende individuen te verdelen.

Andere problemen met de monogame relatie: romantische eenwording is een illusie, ook je partner blijft tot op zekere hoogte ondoorgrondelijk. Bovendien is de monogame relatie geïnstitutionaliseerd door het conformistische sociale systeem: ‘het stelletje’ is een belangrijke afnemer in de economische markt. Juist leven in de romantische illusie leidt ongemerkt tot een pragmatisch, praktijkgericht denken over de partner, gericht op het krijgen in plaats van het geven. Als oplossing biedt Van Saarloos een wereld waar mensen hun liefde verdelen. De kooi van het monogame stel wordt opengebroken, waarna een grotere gemeenschap kan ontstaan waar individuen op meerdere mensen tegelijkertijd verliefd zijn. In de praktijk komt dit, volgens Van Saarloos, neer op het aanleggen van talloze netwerken, waarin je als individu een partner hebt om mee naar het museum te gaan, een ander om mee te gaan dansen, weer een ander om mee te gaan bergbeklimmen en nog een ander om wilde seks mee te hebben. De permanente onzekerheid levert zelfverzekerde en onafhankelijke individuen de mogelijkheid om het toeval – de intense amoureuze ervaring – te omarmen. Van Saarloos stelt zich voor dat ‘er wordt gezocht naar een levensvorm waarbij het individu de vrijheid van verspreide verbindingen kan ervaren’: hedendaagse romantiek bestaat in het toeval van ontmoetingen tussen het ‘ik’ en verschillende ‘anderen’.

Een trouw tweeschap

badiou

Alain Badiou diagnosticeert de hedendaagse samenleving als lijdend aan een soortgelijke ‘zieke liefde’. Die diagnose en een behandelplan doet hij uit de doeken in Ode aan de liefde, een interview met filosoof en Le Monde-journalist Nicolas Truong. Het interview opent met de observatie dat overal in Parijs billboards voor een datingsite ‘liefde zonder risico’ adverteerden. Die posters wijzen er volgens Badiou op dat de liefde momenteel kampt met ‘veiligheidsdreiging’: het is juist de veiligheid die een bedreiging vormt voor de liefde. De dreiging die Badiou ziet in veiligheid, schuilt in de gelijkstelling van liefde aan het waarborgen van veiligheid en comfort, die eigenlijk iedere vorm van liefde uit het domein van de liefde wegzuigt. Dit maakt van de mens, mits hij goed is voorbereid op de liefde, een egocentrist die ‘de kunst verstaat om de ander de laan uit te sturen wanneer hij jouw comfort in het geding brengt’. Badious missie: het opnieuw uitvinden van de liefde.

Een liefdesopvatting die risicoloosheid nastreeft, vormt een enorm risico voor de liefde. Uit die opvatting komt namelijk een ouderwets geloof naar voren in wat Badiou een ‘romantische’ opvatting van liefde noemt, die hij definieert als ‘de consumptie van het geheel van de liefde in de ontmoeting’. De ontmoeting tussen twee mensen wordt opgevat als een magisch, buitenwerelds moment met een existentiële intensiteit, een moment waarop de geliefden romantischerwijs ‘versmelten’. De schaduwzijde van zulk denken over liefde, dat haar situeert in een magische ontmoeting: het is altijd een kwestie van ‘wij tegen de wereld’, waarbij in dat ‘wij’ eigenlijk geen sprake is van twee mensen, maar van een soort versmolten eenheid. ‘Liefde’ verwordt zo niet alleen tot een domein dat niets met de rest van de wereld van doen heeft, bovendien is liefde in deze opvatting geen kwestie van twee mensen in een bijzonder verbond, maar van een enkele entiteit. De wereld blijft achter als een nogal lege en eenzame plaats.

Badiou herformuleert de liefde als een wereldse aangelegenheid, vervangt daarmee de ‘buitenwereldse samensmelting’: liefde is geen eenheid, maar een tweezijn. ‘Liefde bestaat niet simpelweg uit de ontmoeting en de geïsoleerde relaties tussen twee individuen, zij is een constructie, een leven dat niet meer vanuit het perspectief van Een wordt geleid, maar vanuit het perspectief van Twee.’ (Overigens sluit Badiou nergens uit dat het liefdesperspectief ook door meer dan twee mensen kan worden gedeeld, zijn pleidooi heeft monogamie niet als onderwerp.) De ontmoeting tussen twee mensen is niet de liefde, maar haar voorwaarde. Zo’n ontmoeting is exemplarisch voor het centrale Badioueaanse begrip evenement, een contingent, verbijsterend gebeuren dat een verandering in de status-quo teweegbrengt.

In het geval van de ontmoeting tussen twee aspirant-geliefden ontstaat voor twee mensen de mogelijkheid om de wereld niet meer te ervaren vanuit het eigen perspectief, maar uit dat van een ‘tweeschap’. De daadwerkelijke liefde bestaat pas in wat Badiou de ‘duur’ van het evenement noemt, de fixatie ervan, de constructie die erop gebouwd wordt, het op elk moment opnieuw bevestigen van de liefde. Liefde is voor Badiou een van de vier domeinen van waarheid, dat precies zo werkt als de andere drie, namelijk wetenschap, kunst en politiek. Een moment van inzicht is nog geen wetenschappelijke stroming, een schilderijtje is nog geen stijl, een protest is nog geen revolutie; maar door trouw te blijven aan het oorspronkelijke evenement kan de waarheid ervan zich ontvouwen – zo is ook een ontmoeting nog geen liefde, maar staat de liefde wel in het teken van de ontmoeting. De fixatie van liefde is voor Badiou overigens geen eenmalige ingreep, maar een voortdurend proces: liefde bestaat voor zover geliefden, stereotypisch gezegd, ‘werken’ voor hun relatie. Minder stereotypisch gezegd houdt zulke arbeid in dat geliefden zich steeds actief moeten inzetten om de consequenties van hun ontmoeting (het evenement) uit te werken.

Kansenspreiding of revolutie

Waar Badious opvatting gericht is op ‘tweeschap’, blijft Simone van Saarloos hangen bij het individu. In navolging van vroegnaoorlogse denkers als Sartre en De Beauvoir ziet Van Saarloos een permanente afstand tussen het ‘ik’ en de nooit volledig kenbare ander. Liefde bestaat in een op ieder moment af te kappen afspraak, die aan intensiteit inboet omwille van veiligheid: de gepassioneerde ontmoeting blijft het hoogtepunt. Dit fetisjeren van de ontmoeting is volgens Badiou een kenmerk van het achterhaalde romantische denken: het reduceert liefde tot een buitenwereldse eenwording, gebonden aan een vluchtig moment. Het enige punt waarop Van Saarloos afwijkt van Badious angstbeeld is in haar aanmoediging om continu verschillende ontmoetingen te hebben: een ‘romantische’ spreiding van kansen. Zulk opportunisme wordt in haar opvatting geflankeerd door überkapitalistische voorschriften als de ‘sociale schijf van vijf’ (consumeer zus en zo!) en draait uit op een permanent precaire maatschappelijke structuur. In hoeverre haar nieuwe sociale norm nog plaats voor liefde overlaat is maar de vraag. Gek genoeg omarmt haar opvatting de eenzaamheid van een bewustzijn, in plaats van het denken als twee: de totstandkoming van een nieuwe, gedeelde en betekenisvolle waarheid. Wat Badiou de duur van de liefdesrelatie noemt, confronteert ons met de meervoudigheid die het bestaan in de wereld kenmerkt, een waarheid die ironisch genoeg niet volgt uit Van Saarloos’ polyamorie.

Badious herdefinitie van de liefde past uiteindelijk bij het veranderde hedendaagse bestaan zonder dat we hoeven inboeten aan liefde, en bekrachtigt bovendien de belangrijkste ontwikkeling: emancipatie. Liefde als opmaat tot een nieuwe, tweeschappelijke ervaring van de wereld betekent immers het toelaten van de ‘ander’ op het meest fundamentele niveau. Gek genoeg verkeert Van Saarloos’ in opzet emancipatoire project, dat erop gericht is dat mensen onder de druk van een ouderwetse sociale norm uit komen, in een gek soort hyperindividualistisch tegendeel: het perspectief van de ander is na de ontmoeting niet meer van belang. In Ode aan de liefde verbindt Badiou de waarheid van de liefde echter expliciet met politieke potentie. Juist de ‘blik van twee’ die uit een ontmoeting kan ontstaan, voegt een nieuwe waarheid toe aan de wereld, een niet-vanzelfsprekende, revolutionaire waarheid die elke dag opnieuw moet worden uitgewerkt. Waar Van Saarloos in haar pamflet in een poging de liefde nieuw leven in te blazen onverhoeds uitkomt op een afbraak van de liefde, weet Badiou een nieuwe liefdesdefinitie te geven die niet alleen de veiligheidsdreiging afwendt en bij de huidige tijd past, maar zich ook leent voor een breder emancipatoir project. Twee antwoorden op de crisis in de liefde, maar alleen Ode aan de liefde geeft haar overtuigend het jawoord.

Meer van dit moois? Neem nu voor slechts € 30,-direct een abonnement en lees De Nederlandse Boekengids een jaar lang zowel op papier als digitaal.