Voor Sokrates: vroege denkers uit de Griekse wereld

Harvard University Press deed het afgelopen jaar de resultaten van een vermetel project het licht zien: een negendelige kritische teksteditie, met nieuwe vertaling, van de zogenaamde ‘presocratici’ in de befaamde Loeb Classical Library. Drie classici met een bovengemiddelde interesse in de essayistiek gingen ermee aan de haal, ingeleid en bezorgd door Piet Gerbrandy.
Door Piet Gerbrandy, Alex Philippa Kyrke Otto en Christiaan Caspers.


Lees verder

Menselijkheid in het robottijdperk

Begin deze maand maakte de ING-bank bekend dat zij ondanks een recordwinst ruim vijftien procent van het personeelsbestand zal schrappen. Toenemende digitalisering maakt die stap volgens de ING zowel noodzakelijk als mogelijk, waarmee de bank meegaat in de trend die software-ondernemer Martin Ford op populairwetenschappelijke wijze probeert te duiden. De ‘opmars van robots’ en andere informatietechnologie is een feit, maar hoe ermee om te gaan? In ieder geval niet door ons zonder meer mee te laten voeren op deze golf. Door Cees Zweistra.

De antwoorden op die vraag lopen sterk uiteen, van zeer kritisch (bijvoorbeeld schrijver Nicholas Carr, populair-filosoof Evgeny Morozov en filosoof-psycholoog Sherry Turkle) tot lyrisch-utopisch (zoals bijvoorbeeld Google’s Eric Schmidt). Grofweg kan gezegd worden dat de critici technologie zien als een belangrijke sociale en politieke macht, terwijl de utopisten technologie vooral beschouwen als een instrument waarmee de efficiëntie waaraan westerse economieën hun welvaart te danken hebben, verder vergroot kan worden. Omdat hij technologie uiteindelijk niet kritisch kan (of wil) benaderen, behoort Ford tot die laatste groep. Dat heeft nogal wat consequenties voor de geloofwaardigheid van zijn boek.


Essay uit dBNg 2016#5


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder

De actualiteit van Charles Sanders Peirce

In de Verenigde Staten herleeft momenteel de belangstelling voor de pragmatische waarheidsfilosofie van Charles Sanders Peirce (1839-1914). Het zou al te kort door de bocht zijn om dat volledig aan het actuele publieke debat over post-truth te wijten, maar dit recente fenomeen maakt deze filosofie wel degelijk relevanter. Voor Peirce waren ‘waarheid’ en ‘rechtvaardigheid’ de twee belangrijkste richtingbepalende waarden (leading values) die in de wetenschap als in het leven tot uiting komen als respect voor feiten en eerlijkheid (fairness). Wat vertelt zijn denken ons over de wegen – meningen, feiten, redeneringen – waarlangs we tot waarheid (truth) proberen te komen en hoe het komt dat we daarin zo vaak tekortschieten. Door Kees Schuyt.

Het pragmatisme in het algemeen, en dat van Peirce in het bijzonder, mag nu extra actueel zijn, de heropleving dateert niet van vandaag en gisteren. Eigenlijk is die al bijna twee decennia aan de gang; in ieder geval sinds de hernieuwde bestudering van Peirce’s kennistheorie in onder andere Cheryl Misak’s Truth and the End of Inquiry (2004) en Christopher Hookway’s Truth, Rationality and Pragmatism (2000). Misak schreef al eerder over de vernieuwende toepassing van Peirce’s kennistheorie op problemen van democratische besluitvorming, deliberatie en consensus (Truth, Politics, Morality, 2000); Robert Westbrook vervolgde zijn werk met de invloedrijke studie Democratic Hope, Pragmatism and the Politics of Truth (2005). Een derde fase in de heropleving vond plaats in de logica, waar meer aandacht is gekomen voor abductief redeneren, dat wil zeggen redeneren van specifieke gevallen naar de meest eenvoudige en waarschijnlijke verklaring ervan, als erkende methode in de wetenschap, vooral gebruikt in zogenaamd kwalitatief sociaalwetenschappelijk onderzoek (I. Tavory & S. Timmermans, Abductive Analysis, Theorizing Qualitative Research, 2014).


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder

Een rationele en liefdevolle islam: de filosofie van Souleymane Bachir Diagne

Een boek dat een eyeopener kan zijn voor het Nederlandse islamdebat: Filosoferen in de islam? van de Senegalese filosoof Souleymane Bachir Diagne, over de rol van de rede en de liefde in de islam. Michiel Leezenberg verwelkomt dit ‘pleidooi voor een dialoog tussen de islam en het moderne denken’, maar vraagt zich daarbij af waar de wegen van islamitische filosofie en theologie van elkaar scheiden. Wat is moderniteit in de islam precies? En is de rede voor Diagne niet al te heilig? Door Michiel Leezenberg.

Een van de opvallendste kenmerken van wat in Nederland nog altijd eufemistisch ‘het islamdebat’ wordt genoemd, is de totale minachting voor historische feiten die eruit spreekt. Elk beroep op de realiteiten van de islamitische wereld – of dat nu de afwezigheid van een kerk is, de eeuwenlange praktijk van tolerantie ten aanzien van religieuze minderheden (die zelfs door Voltaire in zijn Traité sur la tolérance werd geprezen, en aan de Franse koning ten voorbeeld werd gesteld), of het bestaan van een traditie van filosofisch denken en van publieke debatten (moenâzarât) over theologische kwesties – wordt door zelfbenoemde islamcritici achteloos terzijde geschoven als ‘apologetisch’. Zelfs het bestaan van, en het historische belang van, een filosofische en wetenschappelijke traditie in de islam wordt door deze islamofoben glashard ontkend. [1]


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder

Het ware geluk

Het oeuvre van de Franse denker Alain Badiou valt uiteen in twee samenhangende delen. Aan de ene kant zijn er omvangrijke abstracte werken waarin een mathematisch-poëtisch filosofisch systeem uiteen wordt gezet; aan de andere korte polemische boeken waarin de radicaal-emancipatoire implicaties van deze filosofie voor de kunst, politiek, ethiek en liefde worden overdacht. Door Lukas Verburgt.

Badiou dankt zijn populariteit in Nederland tot op heden voornamelijk aan vlotte vertalingen van denkinterventies, zoals het iets meer dan 100 pagina’s tellende Filosofie van het ware geluk. Dat is tegelijkertijd een vloek en een zegen: Badious pas in 2005 naar het Engels vertaalde, 600 pagina’s tellende, magnum opus L’Etre et l’Evenement (1988) waarin deze interventies hun oorsprong, grond en legitimatie vinden, is een duizelingwekkend rotding.


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder

Europa tussen ironie en ‘waarheid’

Door Jozef Waanders (1987), afgestudeerd in geschiedenis en filosofie in Utrecht en Leuven. Hij is hoofdredacteur van deFusie.net.


De lach is een heilzaam middel tegen rigide rationaliteit, en onvervreemdbaar onderdeel van de Europese cultuur, al sinds de oude Grieken.

Dit essay verschijnt in samenwerking met deFusie.net in DBNg 2016#4

logo defusie

Na de aanslag op het redactiekantoor van Charlie Hebdo in januari 2015 schreven enkele kranten dat we toch vooral moesten blijven lachen in Europa. Volgens de Belgische filosoof en hoogleraar Guido Vanheeswijck past die reactie in een lange Europese traditie. Van de zwerver-filosoof Diogenes van Sinope die Plato lachend van repliek diende, tot de ‘lach’ waarmee Nietzsche reageerde op het ‘weten’ van de moderniteit: altijd weer hebben denkers in de lijn van Socrates de lach als middel gebruikt om onze vermeende zekerheden onderuit te halen.

Met De draad van Penelope. Europa tussen ironie en waarheid, mengt Vanheeswijck zich in het hachelijke debat over wat het onderscheidende element van ‘de Europese identiteit’ zou kunnen zijn. Dat doet hij door de sporen van die lach in de Europese ideeëngeschiedenis te volgen, met ‘de draad van Penelope’ als metafoor. Penelope, de treurende echtgenote van Odysseus die uit trouw aan hem en in verwachting van zijn terugkeer ’s nachts de draden uittrekt van het lijkkleed dat ze overdag heeft geweven, staat zo symbool voor een Europa dat in zijn denken telkens weer andere draden beproeft; het geluid van de weefgetouwen voor de rusteloze zoektocht naar een waarheid die zich telkens weer aan begrip onttrekt; het weven en weer uithalen voor constructie en deconstructie in het Europese denken.

Daarmee suggereert Vanheeswijck dat de Europese identiteit is gebouwd op onophoudelijke zelfbevraging omdat het, paradoxaal genoeg, juist de weigering is om een definitieve identiteit te aanvaarden die Europa kenmerkt. Het middel waarmee elke poging tot de formulering van een definitieve waarheid ontmaskerd wordt, is de ironische lach – in eindeloos verschillende schakeringen:

‘Altijd weer hebben denkers de lach als wapen gehanteerd om de Europese mens te verdrijven uit de waarheidsparadijzen die hij voor zichzelf construeert, in de ijdele hoop er rust en zekerheid te vinden. De ironische lach symboliseert in al zijn nuances deze dynamiek van zoeken, vinden en twijfelen aan de gevonden zekerheden, en tegelijk verwijst hij naar het onderhuidse verlangen naar waarheid.’

Aan de hand van die voortdurend veranderende relatie tussen lach en waarheid beschrijft Vanheeswijck het avontuur van een beschaving op zoek naar zichzelf. Opvallend is daarin vooral dat we ook altijd weer lijken te worstelen met onze hang naar ironie.

9200000052040217

Dat begint al met de strijd om de socratische erfenis tussen Plato en Diogenes van Sinope, in een tijd die door Vanheeswijck omschreven wordt als een periode waarin de waarheid over het algemeen werd opgevat als iets dat elk menselijk streven ruimschoots overstijgt. De lach diende ertoe de mens aan die onbereikbaarheid te herinneren en krijgt voor het eerst expliciet erkenning als wijsgerig wapen door het optreden van Socrates. Met zijn ironische houding tegenover de schijnbare menselijke zekerheden bakent hij als hartstochtelijke waarheidszoeker én archetypische dwarsligger het spanningsveld af waarbinnen de Europese cultuur zich zal ontwikkelen. Diogenes drijft de socratische methode clownesk op de spits, maar is enkelvoudiger dan Socrates: hij wil de mens slechts (en al schaterlachend) bevrijden van zijn hartstocht voor de waarheid. Plato (‘verrader of vader van Europa?’) daarentegen, zou de socratische erfenis volgens denkers als Karl Popper en Peter Sloterdijk juist geperverteerd hebben door de socratische ironie te veronachtzamen en in plaats daarvan de verdrukkende systematiek van de Europese rationaliteit in gang te zetten.

In talloos verschillende verschijningsvormen blijft deze ‘strijd’ of dialoog tussen lach en waarheid nadien de kop opsteken. In de late Renaissance bijvoorbeeld, als de wetenschap van de zekerheid van Descartes botst op de wijsheid van de onzekerheid (de erkenning dat de waarheid zich aan rationaliteit onttrekt) die vanaf Cervantes’ Don Quichot in de roman centraal zou staan. De Tsjechische romanschrijver en essayist Milan Kundera spreekt in dat verband van de ‘dubbele geboorte van het moderne Europa’: de roman biedt een alternatief voor het cartesiaanse absolute cogito door de lezer te wijzen op de essentiële relativiteit en dubbelzinnigheid van alle menselijke aangelegenheden. Door verschillende perspectieven in verschillende personages uit te werken, benadrukt Cervantes dat niemand de waarheid in pacht heeft. Weer stuit ‘de waarheid’ op ‘de lach’, maar weer wordt die laatste naar de marginaliteit gedreven. Door deze ‘erfenis van Cervantes’ af te wijzen (zie ook David Rijsers bijdrage over Shakespeare en Cervantes in het vorige nummer van De Nederlandse Boekengids) drijft de moderne Europese beschaving volgens Kundera af van haar eigenlijke bestemming.

Het zijn slechts twee van vele voorbeelden van de dialectiek tussen lach en waarheid die Vanheeswijck in het boek aan bod laat komen. Het beeld dat oprijst, is dat van een Europa dat in zijn pogingen de socratische vraag te beantwoorden weliswaar vaak zijn toevlucht zocht in afgeronde metafysische systemen, maar die systematiek middels het antidotum van de lach net zo vaak weer uit is gejaagd: ‘Het zijn de dwarsliggers, de rusteloze waarheidszoekers die haar telkens weer gestalte geven door de draden los te trekken.’

De draad van Ariadne

Met De draad van Penelope wil Vanheeswijck een alternatief bieden voor elk helder afgebakend idee van Europa (zoals ‘joods-christelijk’ of ‘seculier-humanistisch’) dat al het ‘andere’ buitensluit. Of voor een Europa waarin een (cultureel-levensbeschouwelijk) beschavingsideaal geofferd wordt aan een louter sociaaleconomisch marktideaal. De economische en politieke samenwerking van Europa kan volgens hem niet zonder een oriënterend beschavingsideaal. Anders dreigt de logica van een andere draad uit de Griekse mythologie: die van Ariadne. Met die draad ontsnapt Theseus uit het labyrint waarin hij zojuist de monsterlijke Minotaurus heeft verslagen. Hij hoeft haar draad slechts af te wikkelen en weer op te rollen om zijn weg terug te vinden. Die handelswijze staat volgens Vanheeswijck symbool voor de quick way out en de ‘there is no alternative’-politiek waar de Europese Unie, van vluchtelingenproblematiek tot de eurocrisis, steeds vaker voor lijkt te opteren.

En daar raken Vanheeswijcks draden in de knoop. Inzichten uit een cultuurfilosofisch debat zijn niet een-op-een vertaalbaar naar de wereld van de politiek. Een ‘waarheid van het denken’ is niet automatisch toepasbaar in de praktijk. Allicht schiet een louter sociaaleconomisch vertoog over Europa tekort en mag een debat over een funderend cultureel-levensbeschouwelijk beschavingsideaal niet ontbreken. Maar onduidelijk blijft hoe de Penelope-aanpak als alternatief voor de Ariadne-aanpak het hoofd zou kunnen bieden aan opspelende crises.

Dat neemt niet weg dat Vanheeswijck een waardevolle en originele bijdrage levert aan een debat dat zo vaak gedomineerd wordt door ideologische of essentialistische opvattingen. Hij houdt de vraag naar Europa levend door haar open te laten. ‘Het oude Europa heeft al de mogelijkheden van het vertoog over zijn eigen identiteit uitgeput,’ schreef Jacques Derrida in 1992 in The Other Heading. Reflections on Today’s Europe (Indiana UP, 1992). Toch kon hij het niet nalaten ook zelf een bijdrage te leveren aan het debat daarover. Van diezelfde spanning getuigt ook het boek van Vanheeswijck. Juist in deze steeds weer opdoemende twijfel over zichzelf, in de kritische zelfbevraging, kan Europa volgens hem de rechtvaardiging van zijn aanspraken op universaliteit vinden. Die evenwichtsoefening tussen een hardnekkig waarheidsrelativisme en een even gevaarlijk waarheidsfundamentalisme, kan volgens hem niet zonder Europa’s vrolijke filosofen en de ironische lach, ‘geboren uit een waarheid die ondefinieerbaar en onbereikbaar is en toch duidelijk aanwezig’.

Meer van dit moois? Neem nu voor slechts € 30,-direct een abonnement en lees De Nederlandse Boekengids een jaar lang zowel op papier als digitaal.

 

Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis

In de ogen van buitenstaanders is ideeëngeschiedenis ongetwijfeld een saai en stoffig vak, uitgeoefend door bedaagde lieden die geen vlieg kwaad doen. Toch kunnen de emoties hier hoog oplaaien, en heeft dit vakgebied soms de trekken van een slagveld. Veldheer Jonathan Israel en zijn criticasters kunnen erover meepraten. Door Rob Hartmans.

Een paar jaar geleden kwam de Amerikaanse historicus David A. Bell met een opvallende metafoor, toen hij probeerde duidelijk te maken hoe de visie op de Verlichting de afgelopen decennia was veranderd. Lange tijd was die namelijk gezien als een duidelijk omlijnde beweging met een specifiek ‘programma’, of om met Peter Gay te spreken ‘a single army with a single banner’. [1] Vooral onder invloed van de zogenoemde ‘Cambridge School’ van historici als Quentin Skinner en John Pocock, is dat veranderd. Er kwam veel meer aandacht voor de verschillen tussen allerlei denkers en schrijvers, er werd nauwkeurig gekeken naar de context waarbinnen ideeën waren geventileerd, waardoor ook meer nadruk werd gelegd op de verschillende vormen die de Verlichting in diverse landen aannam. Er werd onderzocht hoe denkbeelden werden verspreid, en welke betekenis bepaalde begrippen in die tijd hadden – een betekenis die niet zelden afwijkt van wat wij er tegenwoordig onder verstaan.


Essay uit dBNg 2016#4

Radical Enlightenment Enlightenment Contested Democratic Enlightenment Revolutionary Ideas


Bell schrijft dat ideeënhistorici zich veel meer bewust werden van de ‘landmijnen’ die op hun terrein verborgen liggen, en die ervoor kunnen zorgen dat een helder beeld of een overtuigend klinkende generalisatie in duizend stukken uiteenspat. Veel historici zijn echter zo bevangen door deze vrees, dat ze nauwelijks nog ‘vooruit’ komen en niet meer in staat zijn een duidelijk beeld van het verleden te schilderen. Anderen lijken daarentegen meer op maarschalk Zjoekov, tijdens de Tweede Wereldoorlog de bevelhebber van het Rode Leger, die zijn opmars niet liet vertragen door de mijnenvelden die de Duitsers hadden aangelegd en zijn infanterie daar dwars doorheen liet marcheren. Dit ging ten koste van enorm veel slachtoffers, maar hij bereikte uiteindelijk wel Berlijn. Deze historici laten zich niet afleiden door Skinneriaanse subtiliteiten, maar rukken onverdroten op naar hun einddoel en hebben geen boodschap aan de nuances en gerechtvaardigde vraagtekens die onderweg sneuvelen. Volgens Bell is met name Jonathan Israel zo’n ‘Zjoekov’. [2]

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder