Onkunde, onbegrip en onbehagen: Turkije in Nederland nu

De vierhonderd jaar oude betrekkingen tussen Nederland en Turkije waren nog nooit zo nauw als nu, en nog nooit zo slecht. We zien een re-actualisatie van middeleeuwse vijandbeelden en cliché’s die het zicht op de culturele en politieke realiteit belemmeren. Dit betekent een gevaar voor onze samenleving en leidt tot onnodig veel spanningen tussen de ‘echte’ Nederlanders en de niet minder echte Turkse Nederlanders. Wat is er toch aan de hand? Een pleidooi tegen snelle meningen en reacties en voor kennis en onderzoek. Door Alexander H. de Groot.

Waar, is de vraag, ging het de afgelopen jaren dan mis met de aloude Nederlands-Turkse vriendschap? Meer dan in de betrekkingen op zich of de ontwikkelingen in Turkije, was dat bij de ontwikkelingen binnen de EU en Nederland. Het is redelijk noch verstandig om het eeuwenoude streven naar aansluiting bij het Westen en ‘Europa’ van de Turken ongegrond te verklaren op basis van gebrekkige historische feitenkennis en binnenlandspolitieke preoccupaties. Bovendien… of de Turken nu wel of niet thuishoren in dit deel van de wereld, ze zijn er allang, als landgenoten. Het laat zich aanzien dat het eerder loont ze beter dan slechter te begrijpen.


Essay uit dBNg 2016#5

  

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Lees verder

Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann

Met de spierballenretoriek van Putin, Trump en de populisten in hun schaduw lijken we plotsklaps een heel nieuwe politieke realiteit te hebben betreden. ‘Lijken’, want het spreken en denken over politieke stijl, naties en samenlevingen als mannelijk of vrouwelijk is zo oud als de politiek zelf, net als het wisselen van die genderrollen overigens – tot ver in de 20ste eeuw wreef het Westen het Oosten bijvoorbeeld nog zwakheid, verwijfdheid en decadentie aan, terwijl dat tegenwoordig precies andersom is. [1] En dat juist deze drie termen zo vaak in één adem genoemd worden, is veelzeggend… het was niet zomaar dat tijdgenoten Hitler zo vaak een hystericus noemden. De manier waarop ook Thomas Mann (1875-1955) nationale politiek in verband bracht met gender, erotiek en met name homoseksualiteit, biedt niet alleen een verhelderende kijk op zijn leven en zijn werk, maar bovendien op zijn tijd en de onze. Een literair-historisch perspectief bij de eeuwige terugkeer van het politieke geschreeuw. Door Olivier Boehme.

In 1946 schreef Mann dat de Duitsers ‘een homo-erotisch’ volk waren. [2] Zo staat het er, zwart op wit. Die bewering, die deel uitmaakt van een reflectie over de liquidatie van Sturmabteilung (SA)-leider Ernst Röhm door zijn voormalige medestander Adolf Hitler, deed Mann niet bij wijze van gril. Aan dat oordeel gingen heel wat expliciete en impliciete beschouwingen over het erotische karakter van het Duitse volk en zijn geschiedenis vooraf. Het oeuvre van één van de grootste Duitse schrijvers van de twintigste eeuw vormt dan ook een monumentaal commentaar op de Duitse geschiedenis en cultuur. (De noten bij dit essay zijn ook buiten Blendle om te lezen onder deze link.)


Essay uit dBNg 2017#1

Doctor Faustus Image result for 9789028426825 Image result for 9789029586191 Image result for 9789029567633


Mann werd kort na de oprichting van het Tweede Duitse Keizerrijk (in 1871) geboren en stierf enkele jaren na de totstandkoming van West- en Oost-Duitsland, te midden van de Koude Oorlog. Hij begeleidde en becommentarieerde die bijzonder bewogen tijdspanne in zijn literaire en kritische werk. De schrijver, die vooral na 1933 uitgroeide tot symbool van het ‘goede Duitsland’ en toonbeeld van een democratische en tolerante versie van zijn land en cultuur, leverde zijn benadering van ‘het Duitse’ met een toenemende autoriteit. Dat neemt niet weg dat zijn werk niet alleen een sterk politieke, maar ook een onmiskenbaar erotische dimensie kende. Manns duiding blijkt sterk verweven met ideeën over hoe homo-erotiek zich manifesteerde in de Werdegang van de natie waar hij tegen wil en dank toe behoorde.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder

Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann (noten)

Noten bij ‘Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann’

[1] A. Ryan, On Politics. A History of Political Thought form Herodotus to the Present (London, 2013), 876.

[2] Th. Mann, ‘Leiden an Deutschland – Tagebuchblätter aus den Jahren 1933 und 1934’, in: id., Reden und Aufsätze II (1946; Frankfurt am Main, 1965), blz. 482. Een soortgelijk commentaar dateert al van 12 juli 1934 en van 5 augustus 1934, zie id., Tagebücher 1933-1934 (Frankfurt am Main, 2003), 470 en 497.

[3] I. en W. Jens, Frau Thomas Mann. Das Leben der Katharina Pringsheim (Reinbek bei Hamburg, 2003,. 147-152.

[4] C. Bruns, Politik des Eros. Der Männerbund in Wissenschaft, Politik un Jugendkultur (1880-1934) (Keulen, Weimar & Wenen, 2008).

[5] F. Boterman, Oswald Spengler en Der Untergang des Abendlandes. Cultuurpessimist en politiek activist (Assen-Maastricht, 1992), 14-15.

[6] K. Harpprecht, Thomas Mann. Eine Biographie I (Reinbek bei Hamburg, 1996), 377.

[7] ibid., I, 380-381.

[8] J. Steinhaußen, ‘Aristokraten aus Not’ und ihre ‘Philosophie der zu hoch hängenden Trauben’. Nietzsche-Rezeption und literarische Produktion von Homosexuellen in den ersten Jahrzehnten des 20. Jahrhunderts: Thomas Mann, Stefan George, Ernst Bertram, Hugo von Hofmannsthal u.a. (Würzburg, 2001), 187.

[9] Zie o.m. Th. Mann, ‘[Für die “Blätter des Deutschen Theaters”]’, in: Reden I, 727.

[10] Th. Mann, ‘Friedrich und die grosse Koalition. Ein Abriß für den Tag und die Stunde’, in: id., Aufsätze, Reden, Essays. Band 2: 1914-1918 (Berlin/Weimar, 1983), 51-52 (mijn vertaling).

[11] id., Betrachtungen eines Unpolitischen (Frankfurt am Main, 2004), 572 (mijn vert.).

[12] id., Tagebücher 1918-1921 (Frankfurt am Main, 1979), 55-56.

[13] ibid., 11 en 10 (resp.).

[14] ibid., 148 en 303.

[15] ibid., 349.

[16] A. Heilbut, Thomas Mann. Eros and Literature (London-Basingstoke, 1997), 347-350.

[17] Th. Mann, ‘Von deutscher Republik’, in: Reden II, 47 (mijn vert.).

[18] ibid., 48 (mijn vert.).

[19] S. Zweig, Die Welt von Gestern. Erinnerungen eines Europäers (Frankfurt am Main, 2009), 354.

[20] Mann, ‘Von deutscher Republik’, 16-17, 26-27, 30-34, 40-41 en 44-49.

[21] Th. Mann, [Zu Friedrich Eberts Tod], in: Reden II, 383-384.

[22] Th. Mann, ‘Über die Ehe – Brief an den Grafen Hermann Keyserling’, in Reden I, 132-133, 136-137; citaat: 136.

[23] Heilbut, Eros, 417-412; Harpprecht, Mann II, 1897.

[24] Heilbut, Eros, 505-504.

[25] Th. Mann, ‘Worte an die Jugend’, in Reden II, 753.

[26] Th. Mann, ‘Appell an die Vernunft’, in id., Achtung Europa. Aufsätze zur Zeit (1930; Stockholm, 1938), 52-53.

[27] Th. Mann, ‘Jungfranzösische Anthologie’, in Reden I, 388.

[28] Th. Mann, ‘Die Wiedergeburt der Anständigkeit’, in: Reden II, 410 en 413-414.

[29] Mann, ‘Leiden an Deutschland’, 482 (mijn vert.).

[30] Th. Mann, Tagebücher 1933-1934, 308-309 (mijn vert.).

[31] ibid., 519.

[32] Th. Mann, ‘Bruder Hitler’, in: id., An die gesittete Welt. Politische Schriften und Reden im Exil (Frankfurt am Main, 1986), 255.

[33] Th. Mann, Tagebücher 1937-1939 (Frankfurt am Main, 2003), 115-116.

[34] ibid., 166.

[35] Harpprecht, Mann I, 569, 814 en 943.

[36] C.J.E. Dinaux, ‘Nawoord’, in Th. Mann, De wet, vert. C. J. E. Dinaux (Amsterdam, 1969), 123-131. Voor de veroordeling van homoseksualiteit zie Manns tekst, p. 78.

[37] Harpprecht, Mann II, 1635.

[38] Th. Mann, Lotte in Weimar, vert. Tinke Davids (Amsterdam, 1993), 156-157.

[39] ibid., 234.

[40] Harpprecht, Mann II, 1217.

[41] Th. Mann, ‘Vom kommenden Sieg der Demokratie’, in Achtung Europa, 148.

[42] Th. Mann, Deutsche Hörer! Radiosendungen nach Deutschland aus den Jahren 1940-1945 (Frankfurt am Main, 2001), 67.

[43] Voor een uitwerking van Doktor Faustus en het hier behandelde thema: Steinhaußen, ‘Aristokraten’, passim en m.n. 205-239.

[44] Th. Mann, Tagebücher 1949-1950 (Frankfurt am Main, 1991), 205.

[45] Th. Mann, Versuch über Schiller (Berlin/Frankfurt am Main, 1955), 83.