Vrijheid en democratie

Door Jan Dirk Snel, die geschiedenis en wijsbegeerte aan de
VU studeerde. Hij was rijksambtenaar en is nu freelance publicist, redacteur en vertaler (en heeft in die laatste hoedanigheid o.a. Democratische Verlichting van Jonathan Israel op zijn naam staan).


Essay uit DBNg 2016#4

  • Paul Teule, Vrijheid voor gevorderden, Boom 2016, 204 blz.
  • Geerten Waling, 1848 – Clubkoorts en revolutie. Democratische experimenten in Parijs en Berlijn, Vantilt 2016, 352 blz.
  • Dieter Gosewinkel, Schutz und Freiheit? Staatsbürgerschaft in Europa im 20. und 21. Jahrhundert, Suhrkamp 2016, 772 blz.

Het zijn bange tijden voor de democratie, zoals Die Zeit onlangs kopte en zoals Hubert Smeets diezelfde 5 augustus in NRC Handelsblad het breed gedragen gevoel verwoordde dat ‘de aanval op de democratie is begonnen’. Sterker: tussen de antidemocratische ontwikkelingen in Frankrijk, Hongarije, Polen, Oostenrijk, Oekraïne, Rusland en Turkije aan de ene kant, en het opportunistische gekrakeel over democratisch vals spel van de Brexiteers, Trump en Wilders aan de andere kant, lijkt niet alleen de democratie bekneld te raken, maar eveneens het vrijheidsbegrip dat er de moeder van is. Tijd voor een recapitulatie.

Vrijheid en democratie horen bij elkaar. Zonder vrijheid geen democratie. Zonder democratie geen vrijheid. Alleen een democratie kan vrijheid werkelijk gestalte geven. En vrijheid moet eigenlijk vanzelf wel tot democratisch bestuur leiden. De twee horen onlosmakelijk bij elkaar.

Het is een gedachte die dezer dagen voor velen vanzelfsprekend is. Maar het is ook een vrij nieuw idee, dat eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog algemeen opgang maakte; het is vooral een product van de Koude Oorlog. Democratie stond vanouds tegenover aristocratie of monarchie, en lang niet iedereen was ervan overtuigd dat democratie  de voorkeur verdiende of werkelijk vrijheid garandeerde. De meeste politiek filosofen dachten er anders over. En zelfs Alexis de Tocqueville (1805-1859), die de opgang van de democratische gedachte onvermijdelijk achtte, had de neiging vrijheid primair met de oude aristocratie te verbinden, terwijl de opkomende democratie eerder gekenmerkt zou worden door gelijkheid.

Zelfs de strijd voor algemeen kiesrecht werd lang niet altijd uit naam van de democratie gevoerd. De grote politieke stromingen die in de negentiende eeuw opkwamen, waren niet intrinsiek democratisch. Liberalen kwamen vooral op voor de binding van de staat aan de algemene waarborgen van een constitutie. Mensen hadden recht op goed bestuur, meepraten mochten ze alleen als ze verstand van zaken toonden. Antirevolutionairen, katholieken en conservatieven moesten van volkssoevereiniteit niets hebben, wat overigens niet betekende dat ze per se tegen een goed gereguleerde volksinvloed waren. Alleen socialisten noemden zich gemeenlijk sociaaldemocraten, maar democratie was voor hen slechts een middel, dat tactisch gebruikt kon worden zolang de klasseloze maatschappij nog niet verwezenlijkt was. Wel kregen de grote stromingen gaandeweg linkervleugels die op pragmatische of principiële gronden wel voor democratie geporteerd waren. Hen kennen we als vrijzinnig-democraten of christendemocraten.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Positieve en negatieve vrijheid

De opkomst van nieuwe, totalitaire ideologieën in de twintigste eeuw: fascisme, nationaalsocialisme en communisme, veranderde het politieke landschap ingrijpend. Toen de eerste twee na 1945 grotendeels verslagen waren, raakte het noordelijk deel van de wereld al snel verdeeld in twee kampen: de VS versus de Sovjet-Unie, de NAVO versus het Warschaupact, de vrije wereld tegenover die van het communisme. En die vrije wereld bleek grotendeels democratisch te zijn. Democratie was een Amerikaanse leus die nu wereldwijd overgenomen werd. Sinds de negentiende eeuw beschouwden Nederlanders hun land als een constitutionele monarchie, maar tegenwoordig is het niet ongebruikelijk het een liberale democratie te noemen.

Dat er een vrij sterk empirisch verband tussen democratie en vrijheid bestond, viel natuurlijk niet over het hoofd te zien, maar daardoor liet Isaiah Berlin zich in 1958 in zijn befaamde Oxfordse rede over Two Concepts of Liberty niet in de luren leggen. Begripsmatig is er volgens hem geen noodzakelijk verband tussen individuele vrijheid en democratisch bestuur:

‘Het antwoord op de vraag “Wie regeert mij?” is logisch gezien verschillend van het antwoord op de vraag “In hoeverre mengt de overheid zich in mijn zaken?” In dit verschil is uiteindelijk de grote tegenstelling gelegen tussen de begrippen negatieve en positieve vrijheid. Want de “positieve” zin van vrijheid wordt niet duidelijk als we de vraag “Wat mag ik doen of zijn?” trachten te beantwoorden, maar wel als we vragen “Door wie word ik geregeerd?” of “Wie zegt mij wat ik wel of niet moet zijn of doen?” De samenhang tussen democratie en individuele vrijheid is veel oppervlakkiger dan veel pleitbezorgers van beide het hebben doen voorkomen.’

Berlin heeft natuurlijk groot gelijk dat het conceptueel om twee volstrekt verschillende zaken gaat, maar zijn omschrijving van positieve vrijheid is nogal verward. Lijkt positieve vrijheid hier eerst min of meer een omschrijving voor democratie, binnen een paar regels weet hij er op onnavolgbare wijze een ‘verleidelijke vermomming van wrede tirannie’ van te maken.

Het is dan ook volkomen terecht dat Paul Teule Vrijheid voor gevorderden inzet met een scherpe kritiek van Berlin. Overtuigend laat hij zien hoe negatieve en positieve vrijheid in Berlins betoog eenvoudigweg geen symmetrische begrippen zijn – in de zin van vrijheid van en vrijheid tot. Berlin weet positieve vrijheid zo wonderlijk te omschrijven dat het domweg geen vrijheid is. Alleen negatieve vrijheid is volgens hem werkelijk vrijheid. Kortom, eigenlijk valt het onderscheid dat hij zelf net geïntroduceerd heeft en dat tot op de dag van heden zo hardnekkig voortleeft, direct ook weer weg.

Vrijheid en rechtvaardigheid

Het valt niet moeilijk in te zien waarom Berlin daar uitstekend mee kan leven en Teule absoluut niet. Al op de eerste bladzijde deelt Teule ons plompverloren mee dat vrijheid ‘onze belangrijkste waarde’ is. Tja, als dat zo is, dan moet je ook wel heel veel met dat o zo hoge begrip in verband kunnen brengen. Zijn boek beperkt zich niet tot een analyse van een politiek of maatschappelijk kernbegrip, het loopt uit op een brede filosofie van het liberalisme. Terwijl een vrij scherpe scheiding tussen recht en moraal, tussen het publieke en het persoonlijke, vanouds kenmerkend is voor het liberalisme, prijst Paul Teule ons onbekommerd een liberale moraal aan. Althans hij probeert ons de klassieke aristotelische deugdenethiek, eeuwenlang vooral door de katholieke kerk gepropageerd, aan te prijzen als een liberale moraal. Liberalisme zou in zijn ogen ‘een inspiratiebron moeten zijn, met inzichten waarmee een individu zijn eigen vrijheid leert zien en “maken”’.

Er valt veel goeds te zeggen over Teules boek. Op evenwichtige wijze behandelt hij een breed scala aan morele, maatschappelijke en politieke vraagstukken. Het gaat over normen en waarden, over wat er allemaal komt te kijken bij de inrichting van een – meer of minder – vrije markt, over het vrije woord en het essentiële verschil tussen vrijheid van meningsuiting en podiumvrijheid, over adolescenten, alcohol, drugs en prostitutie, over de positie van Nederland binnen de Europese Unie, over inburgering en over nog veel meer. Of je Teules conclusies nu deelt of niet, zijn overwegingen zijn altijd de moeite waard.

Maar of zijn eigen invulling van positieve vrijheid overtuigt? Hij omschrijft die als een ruimte, of beter ‘als de vorm en inrichting waardoor de ruimte functioneert’. Het is in feite een aanvulling op de wijze waarop Berlin negatieve vrijheid definieert: als het gebied waarbinnen de staat of anderen zich niet met mijn handelen bemoeien. Teule heeft natuurlijk gelijk dat een welingerichte ruimte je vaak meer mogelijkheden biedt dan een lege ruimte en in die zin je vrijheid kan bevorderen. Maar is het zakelijk nu juist om dat vrijheid, positieve vrijheid dus, te noemen? Ik zou zeggen dat het eerder over de voorwaarden voor vrijheid gaat.

Teule overschat de waarde van vrijheid zozeer, dat hij het begrip vervolgens wel enorm moet oprekken. Op dat punt is het pluralisme van Isaiah Berlin niet alleen praktischer, maar ook overtuigender. Ja, vrijheid is een belangrijke waarde, maar het is ook weer niet alles. Er zijn meer waarden van gewicht. Als het om de overheid met haar geweldsmonopolie gaat, is het van belang een aantal vrijheden goed te beschermen, maar politiek gaat ook over andere waarden. Politiek gaat allereerst over recht, en de vraag naar wat rechtvaardig is, is dan zeker zo belangrijk als die naar vrijheid. En als respect voor vrijheid door schier het gehele politieke spectrum gedeeld wordt, zou je evengoed kunnen betogen dat we dus geen omvattende liberale filosofie nodig hebben.

Democratietje spelen

Wat doen mensen eigenlijk als je ze de vrijheid geeft? Dan gaan ze heel druk vergaderen en democratietje spelen. Dat is althans een conclusie die je zou kunnen trekken uit Geerten Walings boek over democratische experimenten in Parijs en Berlijn na de stedelijke revoluties van begin 1848. Waling dient alleen al geprezen te worden omdat hij nu eens een zeer leesbare Nederlandstalige dissertatie geschreven heeft met een internationaal thema. Over Nederland schrijven Nederlanders voldoende in het Nederlands, maar wat de boekhandel over de historie van andere landen te bieden heeft, is vaak vertaald werk. Dit is een gelukkige uitzondering.

Toen de koning na een volksopstand gevlucht was, richtten republikeinse journalisten in Parijs op 24 februari 1848 een voorlopige regering op, die algemeen kiesrecht aankondigde, vrijheid van vergadering en vereniging invoerde en het dagbladzegel afschafte, zodat de pers vrij was. In Berlijn deed de koning na gewelddadigheden op 18 maart een hele reeks concessies. Ook daar verdween de censuur. In beide steden sloegen burgers druk aan het vergaderen. Hoe ze dat tijdens het voorjaar van 1848 deden, hoe ze zich organiseerden, soms in meer egalitaire open clubs, soms in meer strak geleide ideologische verbanden, dat beschrijft Waling uitvoerig. Er ontstond een levendige politieke cultuur.

Maar ging het nu ook echt om ‘markante democratische experimenten’, zoals Waling stelt? Als je meent dat het bij democratie aankomt op daadwerkelijke invloed van de bevolking op de machtsvorming, dan viel het resultaat nogal tegen. In Parijs slaagde een federatie van politieke clubs, de Club des Clubs, er bijvoorbeeld niet in om de bijna miljoen gedrukte lijsten met aanbevolen kandidaten voor de verkiezingen van 23 april op tijd te verspreiden. Kortom, op het punt waar het op aankwam, faalde men. Het resultaat viel dan ook ernstig tegen. Als je leest dat sommige clubs drie of vier avonden per week vergaderden, dan is de typering ‘clubkoorts’, die Waling van een minister in de voorlopige Franse regering leent, zonder meer raak. Maar je kunt ook bedenken dat dit nooit maandenlang had kunnen doorgaan. En dat in zo’n klimaat advocaten, leraren of journalisten beter gedijen dan de schoenlapper die elke dag tot laat in zijn werkplaats zwoegt of de boer die twee keer per dag zijn koeien moet melken.

Richard Pipes, de grote kenner van de Russische Revolutie, merkte eens op dat alleen intellectuelen alomvattende grieven koesteren: ‘Alleen zij geloven dat er niets kan veranderen als niet alles verandert.’ Arbeiders en boeren vroegen meestal gewoon om concrete verbeteringen van hun omstandigheden, was zijn observatie. Daarvoor hoefde het gehele politieke systeem niet omgegooid te worden. Waling beschrijft hoe in Parijs de clubs veelal meenden zelf de stem van het volk te vertolken. Maar erg praktisch leken alle radicale en democratische dromen niet. In Berlijn leek een meer realistische opvatting te heersen, waarbij de politieke verenigingen hun taak vooral zagen in het ‘op democratische wijze controleren, bediscussiëren, adviseren, verkiezen en hervormen van de “formele” politiek van regering en parlement’. Naast radicalen (of democraten) en constitutionelen (of liberalen) begonnen daar ook conservatieven zich te organiseren. Kortom, ook de gevestigde krachten erkenden dat pluraliteit een feit was. Dat was overigens, maakt Waling overtuigend duidelijk, ook in Parijs het verschil met de Franse Revolutie: heerste toen nog het idee dat politiek eigenlijk alleen maar eensgezind kon zijn – de algemene wil van het revolutionaire volk was immers ‘een en ondeelbaar’ -, in 1848 was het besef inmiddels gemeengoed dat politiek pluriform hoorde te zijn.

Beide revoluties mislukten. De bestaande machten herstelden de orde en trokken vrijheden weer in. Maar de publieke opinie bleef een factor van betekenis. In 1852 liet Napoleon III zich door het volk tot keizer kiezen. Het kiesrecht bleef vrijwel algemeen, voor mannen althans, al was het parlement zwak. Twintig jaar later werd ook in het nieuwe Duitse keizerrijk het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Volwaardige parlementaire democratieën waren het nog niet, maar de tendens naar democratisering viel niet meer terug te draaien. De wijze waarop juist de gevestigde machten steeds meer de formele steun van het volk zochten, lijkt me voor de oorsprong van de huidige liberale democratieën van meer belang dan kortstondige erupties als in 1848. Maar je zou kunnen betogen dat die hun die mogelijkheid deden inzien.

Vrijheid veroveren, of delen

Essentieel in 1848 waren de vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van de pers. Wie het lemma ‘vrijheid’ in het Woordenboek der Nederlandsche Taal opzoekt, ziet dat een ontkennende term als ‘niet’ prominent in de omschrijvingen fungeert. Vrijheid is de toestand van iemand ‘die niet meer in slavernij of knechtschap leeft’. Vrijheid is niet onderworpen zijn, niet gevangen of geboeid zijn en zo gaat het in vele varianten nog een tijdje door. Maar als men vrijheid positief omschrijven wil, dan is daar wel een woord voor: recht. Een vrijheid is dan een ‘privilege, bijzonder recht, tijds door de overheid toegekend aan een gemeenschap of persoon, gewoonlijk in een van haar uitgaand stuk vastgelegd en bekrachtigd’. Vrijheid hebben mensen altijd gekoesterd, tegen de tirannie. Het is een waarde die ver aan de democratie voorafgaat. Vrijheid uitte zich vooral in de vorm van concrete vrijheden, rechten.

De grote liberale ontdekking was dat die vrijheden en rechten ook algemeen toegekend konden worden. Liberalisme draaide niet om vrijheid, want daar was iedereen altijd al voor, maar om het gelijkelijk toekennen van vrijheden. Eén heikele vraag bleef daarbij open: aan wie? Hoezeer men ook kan menen een intrinsiek recht op bepaalde vrijheden te hebben, ze worden nu eenmaal vooral door de overheid geschonken. Daar gaat de dikke verhandeling van Dieter Gosewinkel over. Het waren staten die bepaalden of iemand opgenomen of buitengesloten werd. In Schutz und Freiheit beschrijft hij de ontwikkelingen in Oost- en West-Europa, in Duitsland, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk, Polen en Tsjechoslowakije. De keuze tussen toekenning van burgerrechten op grond van territorialiteit of afstamming, was vaak eerder pragmatisch dan ideologisch, laat hij zien. De twintigste eeuw was de grote eeuw van nationalisering en etnisering van vrijheid, maar uiteindelijk sloeg de balans terug. De Europese Unie en de proliferatie van mensenrechten maken het bezit van vrijheid minder afhankelijk van de grillen van één enkele staat.

Na de oorlog was het liberalisme op sterven na dood. De hedendaagse populariteit is dan ook een verrassende en fascinerende ontwikkeling. Het traditionele liberalisme vond vrijheid niet de hoogste waarde. Het zag er een voorwaarde in voor een krachtige ontwikkeling van de maatschappij. Terwijl het liberalisme juist hamerde op collectieve, algemene vrijheden, zet Paul Teule zijn betoog in bij individuele vrijheid. Zijn boek is daarmee een echt tijdsdocument. Je zou ook kunnen zeggen dat hij het zich onnodig moeilijk maakt. Maar hij komt er met glans uit. Telkens komen zijn redeneringen erop neer dat vrijheid niet iets is dat we op de ander moeten veroveren, maar dat we met elkaar delen. Met die gedachte begon het ooit. Nu moet die kennelijk herontdekt worden.