Vroeger was oorlog simpel

Op het essay ‘Defensie in een vrije val’ van Ko Colijn, in DNBg #3, kwam een aantal reacties waarin het pacifisme werd bepleit. De redactie van DNBg draagt het pacifisme vanzelfsprekend een warm hart toe maar is ervan overtuigd dat het geen reëel antwoord is op de toestand in de wereld en dat een defensiemacht onontbeerlijk is. 

Dat standpunt wordt ondersteund door een ander essay van Ko Colijn, dat hij schreef ter gelegenheid van het jubileum van literair tijdschrift De Gids en dat werd gepubliceerd in #7 van 2012. In dat artikel, waarin hij terugkijkt op oorlogsvoering in de afgelopen eeuw, komt hij tot een duidelijke en opwekkende conclusie: gedoseerde militaire interventie, waarbij humanitaire overwegingen en R2P ofwel the Right to Protect centraal staan, heeft wereldwijd geleid tot aanzienlijk minder doden.

Ko Colijn gaf ons toestemming de tekst op onze website te plaatsen, u leest hem hieronder.


De verschuiving van de ouderwetse interlandoorlog naar de dominantie van geweldpleging door non-state actors betekent een hele omslag; zowel de locatie als de motieven zijn diffuser en diverser geworden. De VN, die wereldwijd geweld en onderdrukking willen uitbannen, onderzoeken de grenzen van rechtvaardige oorlogsvoering en boeken daarbij succes.

De belangrijkste opdracht van de VN, na de Tweede Wereldoorlog bij de start plechtig vastgelegd in het Handvest, is nog altijd ‘om de wereld van de gesel van oorlog te verlossen’. Er zijn sinds 1945 tientallen ‘oorlogen’ gevoerd die niet uit gerechtvaardigde zelfverdediging voortvloeiden of op VN-resoluties waren gebaseerd. Koloniale oorlogen, burgeroorlogen, bevrijdingsoorlogen, humanitaire interventies, politionele acties, offensieve militaire operaties, er viel altijd wel een verbale mouw aan te passen, maar de legitimiteit was lang niet altijd zonneklaar. Het verlossen van de wereld van ‘de gesel van oorlog’ is dus vrij problematisch gebleken. De tien meest oorlogvoerende landen in onze wereld hebben bij elkaar sinds 1945 duizend jaar oorlog gevoerd, dus je zou de missie van de VN niet echt geslaagd kunnen noemen. Oorlog is niet goed.

Daar denkt de wereld soms anders over. De ene gesel is de andere niet, en we proberen er honderd etiketten op te plakken om geweld van geweld te onderscheiden. De ontwikkeling die ik in deze bijdrage als ‘belangrijk’ zou willen verdedigen is niet dat we nu met onbemande vliegtuigjes op weg zijn naar de zero-death war – op zichzelf natuurlijk een spectaculaire ontwikkeling voor iedereen die een fascinatie heeft voor techniek en krijgswetenschap – maar dat we nieuwe eisen en vormen van verantwoording proberen te ontwikkelen voor het fenomeen van politiek geweld, dat in de wereldpolitiek nog steeds als instrumenteel, maar ook als verwerpelijk wordt beschouwd. Oorlog om te overleven, of oorlog om onrecht te bestrijden: beide klinken als een contradictio in terminis. De zoektocht naar het aanvaardbare minimum heeft in het concept van de rechtvaardige oorlog natuurlijk eeuwen bestaan, maar ik kies voor de stelling dat de moderne ‘goede draai’ die de wereld eraan wil geven niet vanuit het krijgswetenschappelijke, maar uiteindelijk vanuit het humanitaire debat is gevoed. Dat is winst, maar het is ook een understatement dat deze ontwikkeling, die je fraai halverwege de levensduur van De Gids (1917) zou kunnen laten beginnen, niet zonder slag of stoot plaatsvindt. De winst moet, tot op de dag van vandaag, letterlijk worden bevochten.

Vroeger leek oorlog zo simpel. Het wereldbeeld was van een haast charmante eenvoud. In de Westfaalse wereld konden alleen interlandoorlogen bestaan. Het ene land viel het andere aan, het andere mocht zich verdedigen. Het is nog niet eens zo lang geleden dat de statistieken dat patroon ook leken te bevestigen. Aan het eind van de Koude Oorlog, rond 1990, turfde de wetenschap nog veel interlandoorlogen. Meer dan de helft zelfs. Maar nu? Het Zweedse vredesinstituut SIPRI zegt dat er in de eerste tien jaar van deze eeuw wereldwijd 29 oorlogen zijn gevoerd, waarvan er slechts twee het predikaat interland verdienen. De andere 27 waren (grote) gewapende conflicten die zich binnen een land afspeelden of die zich niets van landsgrenzen aantrokken. Hoewel het veel te voorbarig is om de oorlog van land A tegen land B als een uitgestorven diersoort te beschouwen, zijn we beland in het tijdperk van de non-state actor: de militie of krijgsgroep, de gewapende afscheidingsbeweging, het Leger van de Heer, de strijdende beweging à la de Taliban, of het terreurnetwerk Al Qaida. Vermoedelijk is het een historisch misverstand om het oprukken van de nsa –zoals de nieuwe oorlogvoerder in het jargon al gewoon heet – als iets nieuws te zien. We kunnen niet uitsluiten dat het hier voor een deel zelfs gaat om een boekhoudkundige reparatie van het veel te overzichtelijke Westfaalse model, dat de wereldpolitiek nog in het sjabloon van louter interstatelijke betrekkingen perste. Niettemin menen ook andere bronnen wel degelijk een verschuiving te zien in de richting van het diffuse geweld. De moderne arena is heterogeen.

Niet alleen de actor heeft een nieuw gezicht, ook de reden waarom we oorlog voeren is aan het veranderen. Ook hier worstelen de boekhouders van het geweld. De ene classificatie buitelt over de andere. Laten we het ons gemakkelijk maken: als eerbetoon aan de wijze autoriteit Michael Howard houd ik het bij diens vaststelling dat de wereldgeschiedenis in dit opzicht een cesuur kent. De scalpel van Howard splijt de geschiedenis in 1917. Voor die tijd voerde je oorlog voor je land, betoogt hij, niets in de wereld bedreigde de loyaliteit van de burgers aan hun staat. ‘The object of war was simple, victory: and victory consisted in the overthrow of the enemy, the destruction of his will and capacity to resist.’ Winnen, elkaar in de pan hakken, veroveren, mijn veiligheid altijd ten koste van die van jou. Westfaalse oorlogen, noemt Howard ze inderdaad, verwijzend naar de Vrede van Münster (1648) waarbij de natiestaat niet alleen werd uitgeroepen tot de hoogste organisatie op aarde, maar vanaf dat moment ook gerechtigd was om zijn overleving veilig te stellen. In alle variaties van machtsvertoon: jezelf verdedigen, dwangdiplomatie, vergelding, uit rivaliteitsmotieven, en zelfs de systeemlegitieme oorlog die ‘nodig’ was om een verstoring van het machtsevenwicht tussen staten te herstellen. Oerrealisme, waarin de ultieme verzekering van staatsveiligheid zelfs het streven naar hegemonie, en dus de drijfveer, van staten kon worden.

Maar, aldus Howard, in april 1917 veranderde dat en ging Woodrow Wilson, president van de Verenigde Staten, de Eerste Wereldoorlog in. Niet om partij te kiezen, laat staan om hem te winnen, maar om er een eind aan te maken. De kruistocht tegen de oorlog was uitgevonden, de verlichtingsoorlog deed zijn intrede. Het verwoestende statensysteem zou vanaf die dag vervangen zijn door een internationale gemeenschap, waarin recht en democratie de plaats van macht overnamen.

Laten we maar niet te lang stilstaan bij de tegenslagen die het idee van de internationale gemeenschap sindsdien heeft ontmoet. De geschiedenis beweegt zelden lineair, en besloot ook in dit geval niet de kortste weg te nemen naar die verlichte wereld waarin het beginsel van rechtvaardigheid en collectieve veiligheid zegevierde. Illustratief was na tien jaar al het Kellogg-Briand Pact, het verdrag waarmee vijftien landen besloten om af te zien van oorlog als een politiek instrument. Frans realisme en Amerikaans idealisme sloten hier een kansloos compromis, een waarschuwing dat de weg naar de verlichting ontnuchterend moeilijk was. En dan diende ook de Tweede Wereldoorlog nog te worden gevoerd, de as Duitsland-Japan-Italië moest worden verslagen. Daarna kon het misschien beginnen: de Amerikaanse macht zou worden ingezet voor het scheppen van een multilaterale orde, een orde waarin reciprociteit en universele rechtsbeginselen de scherpe kantjes van het oude machtsdenken leken af te slijpen. Maar nóg weigerde de geschiedenis mee te werken. De Pax Americana was een arbitraire vrede. Eigenlijk een situatie van net-niet-oorlog. Maar niet weggelegd voor landen die zich nog aan het koloniale juk wilden ontworstelen, en ook niet voor landen die een figurant werden van de Koude Oorlog waarin de Russen en Amerikanen zelf wel zo wijs waren om elkaar te ontlopen en hun confrontaties reserveerden voor proxy wars in Korea, Angola, Midden-Amerika, Vietnam en andere bijvelden van de wereldarena.

Op de route naar de verlichte wereld intervenieerde nog een historische game changer: de atoombom. Dachten sommigen bij zijn entree dat het hier ging om een ‘winning weapon’, veel scherper werd het transformationele karakter van dat wapen na de bommen op Hiroshima en Nagasaki verwoord door de Amerikaanse strateeg Bernard Brodie. In zijn visionaire boek The Absolute Weapon: Atomic Power and World Order legde Brodie in 1946 de essentie van (niet-oorlogvoeren, laat staan winnen, maar:) afschrikking uit. Hij voorspelde dat de winnende oorlog en het grote veroveren er eigenlijk niet meer toe deden. Vanaf dat moment zou het om de kunst van het dreigen en niet om het werkelijke gebruik van de oorlogsmachine gaan. ‘Thus far the chief purpose of our military establishment has been to win wars. From now on its chief purpose must be to avert them. It can have almost no other useful purpose.’ Op het niveau van de grootmachten: de strategie van het vermijden van oorlog was winnender dan de strategie van het voeren.

Wie in het verklarend woordenboek van de NAVO kijkt – waar kun je beter terecht, zou je zeggen? – leest ongeveer hetzelfde. Een fatsoenlijke definitie van het woord massavernietigingswapens vind je er niet, maar wel een treffende omschrijving van hun gevolgen: weapons of mass destruction (WMD) zijn in het lexicon van de NAVO wapens die in staat zijn om de wereldgeschiedenis beslissend te veranderen. Zeker wat betreft atoomwapens heeft de alliantie gelijk. De Duitse specialist Josef Joffe merkt in zijn boek Überpower op dat sinds 1945 geen grootmacht meer in oorlog is geraakt met een andere grootmacht. Er zijn sinds 1945 minstens honderd grote oorlogen gevoerd, maar allemaal in de periferie en eigenlijk om des keizers baard – Alexander de Grote of Djenghis Khan zouden er hun neus voor hebben opgehaald.

Maar was daarmee ook de interlandoorlog helemaal uitgestorven?

Nee, het Westfaalse conflict liet zich niet zonder slag of stoot opzij zetten. Al legde de Sovjet-Unie uiteindelijk het loodje en droogde de staatsideologische bron (van communisme versus kapitalisme) als wereldveroveraar plotseling op, de staat bleef vechten.

In de eerste tien jaar na de Koude Oorlog vaak nog door het ontdooien en oplaaien van conflicten tussen staten die onder het juk van de supermachten langdurig bevroren waren geweest, denk aan de Balkan en de Kaukasus. Of door staten die de grenzen testten van de nieuwe wereldorde, denk aan Irak. Maar op 9/11 verschoof het paradigma. De verandering zat hem in het feit dat de staat generiek was uitgedaagd door een ‘netwerk’. Dat werd door de VS aangegrepen voor een omvattende campagne om zich teweer te stellen tegen een reeks van entiteiten (het Al Qaida-netwerk en zijn vertakkingen zelf, maar in een omstreden extensie eventueel ook preventief tegen schurkenstaten en fragiele staten die de nieuwe vijand zouden faciliteren). Aan de geldigheid van die verdedigingsdoctrine mocht worden getwijfeld (met name Irak 2003), maar dat is een ander verhaal. Bij gebrek aan een adres van de dader was het weliswaar een oorlog tegen gastheerstaten, maar de Global War on Terrorism was geen interlandoorlog.

We staan nu op een tweesprong. Een geschiedschrijving van 175 jaar oorlog die zich zo gemakkelijk uit het eenduidige spoor van de veroveringsoorlog naar de verlichtingsoorlog laat drukken door grote anomalieën als de Tweede Wereldoorlog en een technische uitbraak naar de atoombom, zou zich kunnen vergissen en dat spoor dan misschien ook moeten verlaten. Ze zou na 1917 anders gekarakteriseerd kunnen worden en het zou daarbij misschien moeten draaien om het begrip massa, respectievelijk angst voor massaontwrichting. Door wereldoorlogen en atoomwapens werden immers in eerste instantie de begrippen massaslachting en massavernietigingswapens geïntroduceerd. Moderne vormen van geweld, zoals terreur en cyberdreiging veroorzaken massaontwrichting. De ontwikkeling van de oorlog zou beschreven kunnen worden in gradaties van massaliteit en het primaat van de techniek. Maar dan stuiten we al snel op de paradox dat oorlogen sinds 1945 niet meer, maar juist minder massaal zijn gevoerd, dat zij ondanks alles minder dodelijk zijn geworden, dat massavernietigingswapens op de tamelijk zeldzame inzet van chemische wapens (die eerder gruwelijke dan massale vernietigingswapens zijn) na sinds Nagasaki niet meer zijn gebruikt, en dat de techniek ervoor heeft gezorgd dat er dankzij zogenaamd slimme wapens juist niet meer maar minder slachtoffers op het slagveld vallen dan vroeger. Dat slimmer en verfijnder worden van oorlogstechniek wordt door velen uiteraard helemaal niet als vooruitgang geprezen, maar beschouwd als perversie, en critici verwerpen de claim van de schone oorlog – die in Amerikaanse krijgsmanuals zelfs wel blijmoedig wordt opgewacht als de zero-death war. Ik ga aan deze discussie voorbij en laat het bij de constatering dat aantallen oorlogsdoden per jaar in het midden van de vorige eeuw inderdaad in miljoenen, vervolgens in honderdduizenden en tegenwoordig ‘slechts’ in duizenden per jaar worden geteld, en dat een zekere verfijning van oorlogstechnologie daar wel een rol in speelt. Maar mijn hoofdstelling is dat niet alleen de oorlog zelf misschien ietsje schoner is geworden, maar dat ook het ‘schonere’ denken over oorlog enig effect heeft gehad. Blijft dat in de drang naar hogere ambities (hervorming van de Verenigde Naties, de naoorlogse mensenrechtenagenda, zelfopgelegde millenniumdoelen voor de eenentwintigste eeuw) nog bij fraaie woorden en academische discussies, soms laten studies ook onverwacht bemoedigende resultaten horen. ‘We live in a decade of peace,’ concludeerde zelfs het Human Security Report in 2005 voor een haast ongelovig publiek. In een terugblik op de periode na de val van de Berlijnse Muur (1989) was er volgens de opstellers nog nooit zo weinig oorlog in de wereld gevoerd en daar waren nog nooit zo weinig mensen bij gesneuveld. De drie hoofdredenen die de onderzoekers daarvoor gaven waren:

– het beëindigen van de Koude Oorlog, waardoor ook een aantal van de hierboven al genoemde proxy wars waren doodgebloed, al was het maar omdat zij niet meer door de supermachten werden gesponsord;

– de forse groei van de club der democratieën in de wereld, waarvan ieder lid zich keurig schijnt te houden aan de (ervarings)wet van de Democratische Vrede (die zegt dat democratische staten elkaar niet bevechten en zelden of nooit oorlogen ontketenen, omdat ze geleerd hebben hun conflicten aan de onderhandelingstafel op te lossen);

– de toegenomen speelruimte en kracht van mondiale instituties, wier taak het is om oorlogen te bezweren, tijdelijk stil te leggen, of zelfs blijvend verzoening en vrede tot stand te brengen. Hun gezamenlijke effectiviteit – vóór de schermen op het toneel van de Veiligheidsraad veel gehoond, maar achter die schermen in het optreden van internationale strafhoven (Rwanda, Joegoslavië, ICC), geduldige conflictbemiddelaars en speciale gezanten (Brahimi, Sergio de Melho, Van der Stoel), sanctiecommissies en gemandateerde vredesmachten juist aantoonbaar gegroeid en daarom geprezen– was tijdens de Koude Oorlog nog gefrustreerd door de verlammende rivaliteit van de ideologische kampen. Maar na 1989 kon het ‘institutioneel activisme’ (zoals de wetenschap deze vredesfactor doopte) zijn heilzame werking een stuk beter ontplooien.

Men zou, kortom, juist tot de conclusie moeten komen dat de potentiële massaliteit van oorlog niet tot proliferatie maar tot voorzichtigheid heeft geleid en zeker de grootmachten tot nuttige zelfbeheersing heeft veroordeeld. Oorlog werd zelfs hun te gevaarlijk. Maar of deze logica ook geldt voor de non-state actors die niet hun hoofdsteden of soevereiniteit, maar slechts hun eigen missionstatement te verliezen hebben, is de vraag. Wellicht verklaart dat de spectaculaire verschuiving van (toen) interstatelijke oorlog naar (nu) de oorlog tussen willekeurige partijen.

Genoeg reden om hier in het betoog dus niet te kiezen voor de afslag naar de massificatie van het oorlogvoeren, de fascinatie voor de technische revolution in military affairs, de stuiptrekkingen van de interlandoorlog of de strategische verschuiving van de vernietigingsoorlog naar de ontwrichtingscampagne (door terrorisme of cyberwar). Eigenwijs en optimistisch houd ik ondanks alle historische hapering vast aan de route die Wilson en Howard aangaven, en die ons voert van de veroverings- naar de verlichtingsoorlog. Er is zelfs nauwelijks een crucialer moment denkbaar om dat te doen, nu de internationale gemeenschap zich enerzijds wél voor die bestemming heeft uitgesproken, maar in de praktijk nog worstelt met de routeplanner: juist nu kwelt de vraag waarom de verlichtingsoorlog in 2011 werd omarmd door een militaire interventie in Libië, maar waarom een reprise een jaar later in Syrië niet mogelijk is.

De geschiedenis van de modern(st)e variant van de verlichtingsoorlog, de zogenaamde Responsibility to Protect (verder R2P), is blijkbaar nog in het stadium van zijn geboorteweeën. Zelfs een taxatie van zijn levensvatbaarheid lijkt me niet irrelevant, al ben ik geneigd tot hoop en denk ik dat een point of no return is gepasseerd.

Dat moet (voormalig) secretaris-generaal van de VN Kofi Annan ook hebben gedacht toen hij op 23 september 2005 de staatshoofden en regeringsleiders in New York de consequenties voorhield van een besluit dat zij zojuist hadden genomen: ‘Your Excellencies, you will be pledged to act if another Rwanda looms.’ Annan memoreerde het historische feit dat zij als hoogste vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap even tevoren akkoord waren gegaan met die R2P. Waarom 2005 het jaar van de doorbraak was? Het zou te verklaren zijn uit een combinatie van urgentie en schaamte. Het kritische oordeel over de VN was – niet terecht maar in de beeldvorming nu eenmaal krachtig – dat van een dure en volgens sommigen zelfs nutteloze praatfabriek, die zijn primaire bestaansreden niet waarmaakte. In de oorlogsverklaringen aan Servië (Kosovo 1999), Afghanistan (Taliban 2001) en Irak (Saddam 2003) hadden de VN weinig gezag gehad, ja hadden ze zelfs schade opgelopen. De tendens tot unilateraal (en zelfs preventief) militair ingrijpen door de regering-Bush jr. mobiliseerde verzet: misschien dat hervorming van de interventieregels deze kwalijke ontwikkeling nog kon stoppen. De genocides van Rwanda, Srebrenica en Darfur hadden gevoelens van schaamte en publieke drang tot ingrijpen veroorzaakt, maar het verlammende standaardantwoord was dat een sluitende grondslag daarvoor ontbrak. En zo leek, in de woorden van Edward Newman, de wereld opgezadeld met de eigenaardige patstelling dat niet-ingrijpen moreel verwerpelijk was, en wel-ingrijpen ook omdat het mandaat daarvoor ontbrak. Hoe dan ook, in 2005 stond het niet-inmengingsprincipe voldoende onder druk om plaats te maken voor een nieuwe redenering, die even ingenieus als verstrekkend was. De R2P mag een conceptuele doorbraak (of: uitbraak?) genoemd worden naar het legaliseren van een historisch taboe, namelijk een desnoods gewapende inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een ander land. Eenvoudig gezegd: voortaan is oorlog niet alleen een middel om de veiligheid van staten te herstellen, maar ook om de veiligheid van bedreigde burgers te herstellen. Een tiran die zijn eigen bevolking niet beschermt (of erger nog: onderdrukt of uitmoordt) voldoet niet aan het soevereiniteitsvereiste, maar verliest zeggenschap aan de internationale gemeenschap, die zijn beschermingstaak mag overnemen. Wat altijd een ‘inbreuk’ op de soevereiniteit van een land was geweest, zou voortaan toegestaan zijn. Beter gezegd: een stukje oorlog was goed verklaard, omdat de internationale gemeenschap condities had verbonden aan het begrip soevereiniteit.

Op 19 maart 2011 machtigde de VN-Veiligheidsraad de internationale gemeenschap voor het eerst tot een rechtvaardige oorlog – althans een gewapend ingrijpen met de beslissing om de Libische burgerbevolking te beschermen tegen het eigen regime. Voorstanders van de ingreep juichten de resolutie toe als een doorbraak. De weg naar de goede oorlog via de R2P was nu dan toch eindelijk ingeslagen, de vlag kon uit. De ruimte van het mandaat was opmerkelijk. Misschien wel te ruim. Resolutie 1973 autoriseerde de lidstaten wel om ‘alle noodzakelijke maatregelen te nemen […] om met aanvallen bedreigde burgers en bevolkte gebieden in Libië […] te beschermen’. Door de NAVO feitelijk uitgelegd als machtiging om ook het regime-Kadaffi fysiek uit de weg te ruimen, zorgde de uitvoering bij BRICS-landen, met name China en Rusland, voor te grote weerstand om haar in 2012 in het geval van Syrië opnieuw toe te passen. Cynischer uitleg is dat ‘Syrië’ geen juridisch verschil van mening blootlegt, maar het oude primaat van geopolitiek eigenbelang. De R2P is in die exegese nog niet meer dan de Responsibility to Select. Dat moge zo zijn, maar het concept blijft overeind. Er is eerder sprake van een moeilijke bevalling dan van een doodgeboren kind. De geboorte is achter de rug, de kunst is om het kind in leven te houden. De R2P-doctrine is een bron van verschillende interpretaties, maar de ingebouwde voorbehouden zijn onomstreden. Al is het paradoxaal dat het om een principiële verruiming van de grondslag voor militaire actie gaat, de klassieke vereisten van last resort, proportionaliteit van het toegepaste geweld en een ‘redelijke kans op succes’ gelden onverminderd. Niet-militaire middelen moeten een kans krijgen voordat de vliegtuigen opstijgen. In de verplichting tot nazorg, die de internationale gemeenschap ertoe verplicht om een land waar is ingegrepen ook weer op te bouwen, uit zich bovendien een hogere ambitie dan Wilsons bereidheid om desnoods oorlog te voeren teneinde hem af te schaffen. Ik schrik van de paradox als hij op papier staat, maar als erkenning van de gehumaniseerde samenleving lijkt me dat de R2P de verlichting – met de vertraging van een half Gids-bestaan – een duidelijke stap dichterbij heeft gebracht.


Bronnen:

The Human Security Centre, The Human Security Report – War and Peace in the 21st Century. University of British Columbia, Canada, 2005. Updates via de Human Security Briefs 2006 en 2007, en HS Reports 2009 en 2010. www.humansecurityreport.info.

Alyson J.K. Bailes, ‘Introduction – The World of Security and Peace Research in a 40-year Perspective’, in: SIPRI Yearbook 2006, Armaments, Disarmament and International Security, Oxford UP, pp. 1-30.

Bernard Brodie (red.), The Absolute Weapon: Atomic Power and World Order. Harcourt, 1946.

Ko Colijn, columns ‘Wereld’ in Vrij Nederland, vanaf 2005.

Ko Colijn, ‘De geschiedenis van het wereldveroveren’. Lezing, Amsterdamse Museumnacht, 6 november 2010, Allard Pierson Museum, Amsterdam.

Ko Colijn, ‘De Goede Gesel van Oorlog?’, in: S. Reyn & A. Teftedarija (red.), Het is Oorrrrlog, Liber Amicorum ter gelegenheid van het afscheid van prof.dr. Jan Geert Siccama. Den Haag: Ministerie van Defensie 2011, pp. 123-145.

Michael Howard, Are We at War? Alastair Buchan Lecture (2008): http://www.iiss.org/events-calendar/2008-events-archive/april-2008/alastair-buchan-lecture-sir-michael-howard/. Londen, IISS; zie ook: Michael Howard, ‘Are We at War – Closing Argument’, in: Survival, August/September 2008.