Wesselings wetenschapsfraude

Rob Hartmans herlas ‘het oeuvre van H.L. Wesseling’ voor DNBg 2016#2 en concludeert dat ‘het gehele rijke oeuvre van Wesseling op de een of andere manier uit Soldaat en krijger lijkt voort te komen’. Maar eerst een anekdote over ’s mans esprit...

DNBg 2016-2_Pagina_14[…]

‘In het voorjaar van 2012 leek de Nederlandse wetenschap even op haar grondvesten te schudden. Men was nog nauwelijks bekomen van affaire rond Diederik Stapel, de Tilburgse hoogleraar sociale psychologie die in minimaal 55 publicaties gebruik had gemaakt van gefingeerde data, of H.L. Wesseling bekende in Hollands Maandblad dat ook hij zich schuldig had gemaakt aan wetenschapsfraude. En hier ging het niet om een jonge professor aan een perifere universiteit die een vak doceerde dat door sommige mensen niet helemaal serieus wordt genomen, maar om een emeritus hoogleraar Algemene Geschiedenis aan de oudste universiteit van ons land, die bovendien rector was geweest van het prestigieuze Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) in Wassenaar en ook nog eens was opgetreden als scriptiebegeleider van kroonprins Willem-Alexander. Op het eerste gezicht leek de affaire-Wesseling dus heel wat ernstiger.

DNBg 2016-2_Pagina_15In het artikel ‘Wetenschapsfraude: een bekentenis’ beschreef Wesseling hoe hij eind jaren zestig voor zijn proefschrift – Soldaat en krijger. Franse opvattingen over leger en oorlog, 1905-1914 – boeken en pamfletten moest bestuderen in de Bibliothèque Nationale in Parijs. In het in 2008 verschenen Zoon en vader – Vader en zoon (waarin hij de biografie van zijn vader combineerde met zijn eigen memoires) had hij al verteld dat deze onderzoeksperiode niet erg plezierig was geweest, omdat hij in primitief hotel had gelogeerd, niemand in Parijs kende en de catalogi ondoorgrondelijk en de bibliotheekfunctionarissen onbeschoft waren geweest. ‘Ik heb het bezoek zo kort mogelijk gehouden en besloten een aantal dingen maar te laten zitten. Van een sterke hang naar volledigheid heb ik trouwens nooit last gehad.’

In de oren van serieuze wetenschappers klonk dit al tamelijk dubieus, maar vier jaar later bekende hij bovendien: ‘Omdat ik mij zelden goed voorbereidde werden veel aantekeningen niet, zoals het hoort, gemaakt op keurige fiches maar op afgescheurde stukjes papier en op de achterkant van restaurantrekeningen (zeer bescheiden rekeningen overigens). Dan raak je wel eens iets kwijt.’

Toen zijn dissertatie af was, ontdekte hij dat hij van één citaat wel de bron had genoteerd, maar niet het paginanummer. Dit betekende dat hij terug moest naar Parijs, maar daar voelde hij niet zo veel voor. ‘Na lange aarzeling en veel gewetenswroeging besloot ik een van mijn data, zoals men tegenwoordig zegt, te verzinnen en een willekeurig paginanummer in te vullen. Een van de 1027 voetnoten die mijn boek telt is dus frauduleus.’

Krijg als abonnee toegang tot de digitale editie en lees verder …