Een plaats voor de herinnering: in memoriam Daša Drndić
🖋 Guido Snel


‘Misschien zou het beter zijn als ik een paar van mijn eigen doden hier in de buurt had, ook al waren die tot stof vergaan. Wat als ik hier sterf?’ De levende herinneringen van een migrant, een stad, een heel continent komen samen in de boeken van Daša Drndić (1946, Zagreb), ten onrechte relatief onbekend in Nederland. Guido Snel gedenkt de vorig jaar overleden schrijfster.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *



Er waren veel ontheemden in die tijd, talloze mensen op drift, op zoek naar een beter leven. Dat mensen verhuizen en migreren is een oud fenomeen, het garandeert dat de wereld voortgaat, hoewel dat vaak wordt vergeten. Het verdrijven van een hele bevolking komt de staat van onze aardbol ten goede.

– Daša Drndić, Leica Format (2003)

Het emigrantenhotel
Natuurlijk staat het emigrantenhotel er nog, zegt de medewerker van het stadsmuseum. Hij staat voor een boekenkast met vuistdikke publicaties over Veliki Val, de Grote Golf: de honderdduizenden migranten die eind negentiende, begin twintigste eeuw vanuit het Hongaarse deel van de Dubbelmonarchie, door de haven van Kroatische Rijeka – in het Italiaans en het Hongaars Fiume – de oversteek naar Ellis Island maakten.

Daša Drndić, Leica Format (vert. Celia Hawkesworth) (MacLehose Press 2015), 304 blz.
Daša Drndić, Zonneschijn (vert. Guido Snel) (De Geus 2010), 476 blz.

U loopt de heuvel af door de oude stad naar de marina, aan het begin van het korzo, legt hij geduldig uit. Kan niet missen: een groot, geel laatnegentiende-eeuws gebouw, het pleisterwerk verweerd door de zon. En de boeken zijn te koop, onze directeur is de auteur. We zijn nu nog onderbemand, ik mag u daarom niet binnenlaten, maar in 2020, als we culturele hoofdstad van Europa zijn, wordt dat allemaal anders.

Nu is het juni 2017, ik ben in Rijeka voor een literair festival, en vooral om Daša Drndić op te zoeken, wier werk ik heb vertaald en die ernstig ziek is.

Rijeka, dat ook ‘rivier’ betekent, is van oudsher een doorgangsstad. Mensen, goederen, de spullen van al die mensen. Verscholen in een kom tegen de bergen heeft de stad lang op zijn kans gewacht. Zoals Bratislava, lang onopgemerkt, op een zeker moment meeliftte op Donaucruises naar Wenen en Budapest, zo zal Rijeka in 2020 als Europese Culturele Hoofdstad uit de schaduw van Venetië en Triëst treden. Triëst had Joyce en Svevo, Rijeka heeft Janko Polić Kamov, en natuurlijk Ödön von Horváth. Maar Kamov, die in 1910 in een anoniem graf in Barcelona belandde, vond Rijeka een provinciaal gat. En Von Horváth schreef eens: ‘U vraagt me waar mijn Heimat is, mijn antwoord is: ik ben in Fiume geboren, ben in Belgrado, Boedapest, Bratislava, Wenen en München opgegroeid (…); kortom, een Heimat heb ik niet en daar lijd ik niet onder.’

Daša Drndić, Trieste (vert. Ellen Elias-Bursac) (MacLehose Press 2012; Mariner Books 2015), 368 blz.

Met de minst dikke boekuitgave in de tas heuvelafwaarts de stad in, op zoek naar het emigrantenhotel. Ik zie een kolossale, verweerde gele suikertaart, op het dak een globe van staaldraden met daarop in het azuurblauw ADRIA. Gebouw Adria herbergde ooit de maatschappij voor veerbootverbindingen naar de Dalmatische eilanden. Op de begane grond zijn enkele bars en een restaurant. Er is een tentoonstelling van de Vereniging voor Raszuivere Katten uit de gemeente Karlovac. Het is zondagmiddag, de zon schroeit de straten, Rijeka heeft zich achter blinderingen verscholen, en dit is niet het gebouw, het Kivándorló szálloda, het Hotel Emigranti.

Hoe zal Rijeka, Fiume, zichzelf op de kaart zetten?

De beroemdste schrijfster van Rijeka
Daša Drndić arriveerde halverwege de jaren negentig in Rijeka. Ze was verjaagd uit Belgrado, weggepest door collega’s bij de radio. Ze had met haar dochter een paar jaar in Toronto gewoond. In Canada kon ze niet aarden, ze bleek niet gemaakt voor het emigrantenleven. Haar vader woonde hier in Rijeka, met zijn nieuwe vrouw, ze hoopte dat haar opgroeiende dochter er een nieuw thuis zou vinden.

We drinken koffie op het korzo. Ze is 71 jaar en ernstig ziek. Ze is ontgoocheld door haar lichaam, vertelt ze. Ze had beter moeten luisteren. Ze wist dat die tumor er zat. Ze had hem genegeerd en zo kon hij zijn gang gaan. Maar ze laat zich niet kennen. Over twee dagen gaat ze op reis. Vorig jaar heeft ze in Zwitserland een schrijver uit Roemenië ontmoet en die heeft haar nu voor een festival uitgenodigd. Haar artsen hebben het haar afgeraden. Als ze toch gaat, zeiden ze, moet ze een lijst meenemen met een precieze beschrijving van haar kwalen. Overdrijf niet zo, had ze gezegd. Wat kon er nu gebeuren? Bovendien waren al die kwalen toch in het Latijn.

Vorig jaar was ze ook in Albanië. Mensen denken dat Roemenië erg was onder het communisme, maar hebben geen idee van Albanië. En dat moet allemaal worden verteld, opgeschreven. Ze wil weer schrijven.

We hebben het over haar succes. Was het The Guardian die haar een van Europa’s grootste levende schrijvers heeft genoemd? Pardon, schrijfsters. Je mag als schrijver nooit je zelfrespect aan een journalistiek oordeel ontlenen, bezweert ze me. Zelf beschouwt ze haar schrijven, en de literatuur in het algemeen, als een roemloze, gedoemde onderneming.

Maar je werk wordt nu overal vertaald, zeg ik.

Veelal Oost-Europese talen, daaraan heeft men in West-Europa toch geen boodschap, antwoordt ze.

Inmiddels ook in het Engels, Duits en Frans, houd ik aan. We hebben het onvermijdelijk over het onfortuinlijke lot van Zonneschijn, de Nederlandse vertaling van haar roman Sonnenschein – in 2011 uit de handel genomen en vernietigd. Diezelfde roman (maar dan met de titel Trieste) werd in 2014 in The New York Times een ‘work of European high culture’ genoemd, ‘splendid and absorbing’. ‘She writes to witness, and to make the pain stick.’ Maar zoals gezegd: een schrijver hoedt zich liever voor journalistieke oordelen.

Gij zult u herinneren
Het stadsmuseum van Rijeka is voortvarend, al in 2012 was hier een grote tentoonstelling in samenwerking met het Ellis Island Immigration Museum. From Central Europe to America is een fraai fotoboek, een historische glossy: de folklore van de Dubbelmonarchie, de machinerie van de georganiseerde migratie, de infrastructuur van spoorlijnen, sanitaire maatregelen, migranten die beroemd werden (Erich von Stroheim, Bela Lugosi, Nikola Tesla), fameuze Amerikanen die afstamden van migranten (Andy Warhol).

Op een van de foto’s, genomen aan het begin van de twintigste eeuw, vangt de camera de volle breedte van de oceaanstomer. Het dek staat vol opvarenden, de vrouwen met witte hoofddoeken, mannen met pet of donkere gleufhoed. Veel snorren. Een aantal brutale kerels is in de touwen geklommen en houdt de hand aan de pet, het zal stevig hebben gewaaid. De contouren van de eilanden Cres en Krk aan de horizon. ‘Interessant aan deze foto,’ luidt het onderschrift, ‘is dat iedereen in de camera kijkt.’ Iedereen. Een paar honderd mensen tegelijk kijken je aan. Ze eisen allen hun plek op in de herinnering, in het besef van wat precies? Hun naderende verlies? ‘Through a painless change of name, and in the twinkling of an eye, one becomes a white American. Later, in the midnight hour, the missing identity aches. One can neither assess nor overcome the pain of the middle passage. One is mysteriously shipwrecked forever, in the Great New World,’ schreef James Baldwin in 1985.

Als culturele hoofdstad van Europa zal Rijeka zich in 2020 positioneren als havenstad, als open stad, op het snijvlak van de migratie van toen en die van nu. Maar de geschiedenis zal de hoofdrol spelen. Het gevaar bestaat dat de authentieke pijn van de migratie, het verlies van ‘de Europamoeien’, zoals Egon Erwin Kisch hen noemde, gereduceerd wordt tot een cliché – wat het nu vaak al is in het discours van erfgoed en museumcultuur. Al die mensen die door je stad heentrokken en voor wie de stadsbewoners van toen hun neus ophaalden, die claim je in je subsidieaanvragen als ‘erfgoed’. Erfgoed reduceert het verleden tot wat we vandaag zijn.

Het alternatief is het gebruik van het verleden voor folkloristisch nationalisme. Een aantal jaar geleden bezocht ik een conferentie in Boedapest, een nogal chauvinistische aangelegenheid. Daar trachtten de organisatoren de Hongaarse emigratie, die natuurlijk allang hopeloos was verdund in de Nieuwe Wereld, weer terug in te koken tot reine nationale cultuur. Een pension waar arbeiders per toerbeurt sliepen, op bedden die dus vierentwintig uur per dag in gebruik waren, de lakens vol Hongaars zweet, tranen, sperma, speeksel, was spaander voor spaander overgebracht en zou een plaats gaan krijgen in een openluchtmuseum. Cultuur stinkt in Europa, maar erfgoed is in de mode – om de nationalisten koest te houden? Hoe dan ook, niets mag worden vergeten, daarover zijn we het eens. En dus worden er herinneringsplaatsen ingericht. In Antwerpen bezoeken jaarlijks meer dan tweehonderdduizend bezoekers het Red Star Line Museum, gewijd aan de veelal Centraal- en Oost-Europeanen die in de eerste helft van de twintigste eeuw naar Amerika emigreerden. Enkele honderden kilometers naar het zuiden, in Calais, bivakkeerden in 2016 meer dan zevenduizend vluchtelingen, en dichterbij, op station Brussel-Noord, kampeerden tot recent honderden vluchtelingen. De werkelijke ervaring is ondraaglijk, net als de herinnering aan de werkelijke ervaring. Daarom scheppen we de instantherinnering. Heel Europa een museum.

En de literatuur? Hoeveel historische feitelijkheid past er in een roman?

In die verdoemde (en verdomd goede) roman Sonnenschein, die in 2007 in Zagreb verscheen, plaatst Drndić een lijst van zeventig pagina’s met de namen van alle Italiaanse joden die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. De lezer moet de bladzijden zelf opensnijden, legde ze uit toen ze in 2011 als gastschrijfster in Amsterdam verbleef. Het liefst had ze gehad dat de lezer die bladzijden eruit zou scheuren, zodat er een boek ontstaat ‘met een leemte in het hart’.

Het voortduren van de angst
Twee zaken zijn zeker, zegt Daša op het korzo: ballingschap houdt nooit meer op, en de provinciestad is een universeel gegeven.

Haar roman Leica Format (2003) gaat over ballingschap in Rijeka. ‘Dit is een stad zonder stadsparken, er zijn enkel twee of drie begraafplaatsen met een park. Mijn herinneringen liggen hier niet, want, zoals ik al zei, ook op de begraafplaats heb ik hier niemand. Dat is mijn grootste gemis, zie ik nu, het gemis van mijn doden in de nabijheid. Misschien zou het beter zijn als ik een paar van mijn eigen doden hier in de buurt had, ook al waren die tot stof vergaan. Wat als ik hier sterf?’ Leica Format is ook een satire op de kleinburgerlijkheid, die hard aankwam hier in de stad. Sinds de publicatie weigert de burgemeester haar de hand te schudden.

Rijeka lag tijdens de oorlogen van de jaren negentig nooit aan een frontlinie, werd niet beschoten. Wel lag (en ligt) de haven op zijn gat, en dus was en is de economische malaise aanzienlijk. De stad had de naam zijn politiek fatsoen te hebben behouden, tegen de keer van het nationalisme. Dat blijkt een illusie als je Leica Format leest. Mensen waren even kleingeestig als elders, spraken de immigrante en haar dochter aan op hun taalgebruik, dat een te lang verblijf in de gelederen van de vijand verraadde (Daša woonde het grootste deel van haar leven in Belgrado). Mensen waren er bang voor elkaar. Hielpen elkaar niet. Wendden de blik af als je die zocht, als je iets vragen wilde.

Maar de oorlog is alweer meer dan twintig jaar geleden, bezweer ik Daša. Dingen zijn vast beter nu. Kroatië is tot de EU toegetreden. De stad wordt culturele hoofdstad van Europa.

Vergis je niet, dit is een fascistisch land, zegt ze resoluut. En het is er sinds de jaren negentig niets beter op geworden. Neem P., die hier hoogleraar culturele studies is (Ik ken P., we waren deel van dezelfde generatie jonge wetenschappers). Toen Zlatko Hasanbegović minister van Cultuur was en allerlei uitspraken deed waarin hij het Kroatische fascisme tijdens de Tweede Wereldoorlog bagatelliseerde, weigerde P. een petitie tegen de minister te ondertekenen. Waarom? ‘Mogelijk hebben we de subsidies van het ministerie nodig, we kunnen onze inkomsten niet in gevaar brengen.’ Als hij bang is, die P., dan wordt zijn stem dun en gaat de hoogte in. En ze kent en vreest die volgzaamheid, die het gevolg is van de angst, uit Belgrado, begin jaren negentig.

Verraad van het eigen lichaam
Ze heeft veel weten te weerstaan. Het georganiseerde stilzwijgen bij de radio in Belgrado, dat na al die jaren haar stad was geworden. Ze verbeet zich bij de beelden van de oorlog (die altijd elders was, op de achtergrond), ze vrat zich op in ballingschap, telde getergd de verspilde maanden, jaren in Toronto, en uiteindelijk belandde ze hier, in Rijeka, Fiume, dat nu alleen nog maar Rijeka is, waar de mensen een stadsleven proberen na te spelen dat nooit echt wil worden. Aan de andere kant: het klimaat is aangenaam, februari is al mild, en in november kun je soms nog zwemmen. Haar werk wordt eindelijk echt opgemerkt, ze wordt vertaald, ze vindt – net op tijd, zo voelt het – lezers over de grens van dit belachelijke land, dat steeds kleiner en kleingeestiger aan het worden is. Ze reist weer, alleen dit keer als auteur en niet als onbestemde vluchteling, niet als staatloze. Ze verblijft in hotels, in schrijversresidenties, staat op podia waar ze vertelt over de noodzaak van literatuur die niet wil vergeten, die alles wil onthouden. En het publiek hangt aan haar lippen.

En dan blijkt die klotetumor echt. Ze had beter naar dat ding moeten luisteren, de rotzak. Want ze wist dat hij er zat.

De artsen wijten het aan de vele sigaretten die ze dag aan dag, jarenlang opstak, laten ze niet na haar te vertellen. De eigen verantwoordelijkheid maakt het sterven van anderen draaglijker. Maar wat weet zo’n arts van haar leven in de afgelopen twintig, dertig jaar? Die sigaretten hebben haar helpen overleven.

Ik knik, durf haar niet tegen te spreken. Ze steekt met onverwoestbare elegantie een nieuwe sigaret op. Ik herinner me M. en D. uit Amsterdam, S. in Canterbury, allemaal inmiddels overleden. Tumoren, te weinig witte bloedlichamen, beroertes, en geen enkele medische grond om ooit te bewijzen dat de oorlog en de ontheemding ze alsnog te grazen heeft genomen. Want je lichaam, dat is een en al feitelijkheid, maar je ervaring, je herinneringen, die zijn fictie, dat zijn allemaal mogelijke werkelijkheden, en bewijs jij maar eens dat die echt zijn.

Ze slaat op haar borstkas. ‘The inner enemy.’ De pruik maakt haar horendol. Haar dochter zei tegen haar: je hebt eigenlijk een heel mooi hoofd, en elegante, kleine oren. Ik wacht tot ik korte stekeltjes heb, zegt ze, dan gaat die pruik eraf.

Schandaal in Frankfurt
Een nacht in Frankfurt. De Buchmesse van 2012. Door de gang van een hotel met honderden kamers sjokt de Nederlandse uitgever V. Het is een lange dag geweest. Hij slingert bijna van vermoeidheid, zijn enorme schoenen vegen over het tapijt. Een vervelende zaak. Zijn redactrice had de roman Sonnenschein twee jaar geleden op advies van de vertaler aangekocht. Eerst leek zijn uitgeverij weer eens een goede neus te hebben gehad: de eerste in West-Europa die interesse toonde. Parijs en Londen volgden al snel. Maar Gallimard, die ook de uitgever van Claude Lanzmann is, ploos de citaten uit en vroeg toen Lanzmann, uit wiens film Shoah een paar keer werd geciteerd, om toestemming. En die werd woedend, dreigde met een rechtszaak. Gallimard wilde zijn kostbare Lanzmann niet aan een andere uitgever kwijt, dat begreep V. ook wel. En nu heeft hij er uren praten opzitten met de auteur en met haar Zagrebse uitgever.

Die uitgever was voor rede vatbaar. Eerst klaagde hij wel dat er met twee maten werd gemeten, dat auteurs uit West-Europa, zeker als ze bekendheid genieten, veel meer steun krijgen dan hun collega’s in Centraal- en Oost-Europa. Maar daarna veranderde hij van toon, hij berustte in het feit dat er tegen Lanzmann niet veel te beginnen viel. Lanzmann was gewoon gek, dat wist iedereen, die meende het alleenrecht te hebben op verhalen over de holocaust, maar goed, hij was eveneens beroemd en machtig en zijn advocaten hadden hem aangeraden zijn pijlen op de Nederlandse editie te richten.

De schrijfster, die de hele avond al bleek zag, had nog in het midden gebracht dat haar Britse uitgever de verschijning van het boek wel liet doorgaan. Bovendien had ze de tekst inmiddels herschreven, er kwam geen Lanzmann meer in voor. Het boek was toch ook al in Polen en Slovenië verschenen?

Er was een stilte gevallen. Beiden, zowel de auteur als de Zagrebse uitgever hadden hem aangekeken.

‘I don’t know,’ had hij ten slotte gezegd. ‘It has been a very long day. It is a very complex situation. I am sorry. We will have to withdraw the Dutch edition.’

Beste Claude Lanzmann
Najaar 2011 verwittigde uitgeverij De Geus mij, de vertaler, per brief dat Zonneschijn uit de handel was genomen en dat de resterende voorraad was vernietigd. Ik was niet op de hoogte van wat er in Frankfurt was voorgevallen en mailde Daša, die uitleg verschafte. Ze legde uit dat Gallimard het in zijn broek deed voor de grote Lanzmann. Ze had een brief aan Lanzmann geschreven, waar hij nooit op geantwoord had. Die stuurde ze mee – ik kon die wat haar betreft openbaar maken. Ze had hem graag zelf gesproken, om hem te zeggen hoe curieus en triest het was dat hij aan de ene kant daders veroordeelde en slachtoffers in hun waarde probeerde te herstellen, maar tegelijkertijd meewerkte aan boekenvernietiging. Ze was ervan overtuigd dat ze hem vast ergens een keer zou tegenkomen en dan de gelegenheid zou hebben hem te vragen hoe hij zo arrogant had kunnen zijn. Als hij tenminste niet voor die tijd stierf.

Lanzmann, die juli vorig jaar in Parijs overleed, overleefde haar precies een maand. Een geplande ontmoeting tijdens de London Book Fair, in 2013 of 2014, vond nooit plaats.

Dear Claude Lanzmann,

(…)

I admire your work greatly. I can only imagine what a long and probably painful process the making of Shoah was. My students here in Rijeka know very little if anything about fascism and Nazism and whenever I can I talk to them about it, through literature but mainly through documentary film (…) I tell them and show them excerpts of your film (which I finally bought three years ago in Berlin), I give them fragments from Klemperer’s LTI, I give them Umberto Eco’s essays, and more. All this, as well as my book, I wish to think, relates to what was happening in the nineties after the breakdown of Yugoslavia in all parts of the region and to a certain degree still is (intolerance towards every minority, the purification of language, the role of the Catholic Church, the role of women). Fascism is not dead, I believe. […]

Twenty-five years I worked in the Drama Department of Radio Belgrade as editor and producer. I made a number of features, i.e. documentary plays. It is through this work that I have seen the power of documentary art over that of fiction. Today I cannot write ‘pure’ fiction. I am obsessed with names, with the real names of victims, perpetrators and bystanders. So, I turn to good works for help and inspiration. (Which is in a way what Walter Benjamin did in a more sophisticated manner.) […]

I am sorry I did not ask for your permission before I made my ‘composition’, which is a melange of fact and fiction. I had absolutely no intention of using or abusing your work. The whole book is in a way a dialogue with people I (or, the narrator) trust and whose ideas I believe in. So in it there is Bernhard, there is Saba, there is Montale, there is Kierkegaard, there is Danilo Kiš, there are Niklas Frank and Beate Niemann, and there is you. Opposed to them are the voices of the ‘ugly’, the guilty, the perpetrators. I did this, as I have said, because the document (even in fiction) is more powerful than the ‘invention’ which often rings as false, as a construction. The book was imagined as ‘us’ against ‘them’. […]

Perhaps I have said too much. All I really ask is for you not be offended in any way and give us permission to print the book, because my introducing fragments of your script were meant as a tribute to you and your work, not as any kind of theft – which (here’s some immodesty) simply does not fit my character.

Also, I see in many cities there are screenings in honour of the 25th anniversary of the premiere of Shoah – congratulations, enjoy them as much as you can.

Your sincerely,

Daša Drndić

In boekhandel Ex Libris
Na afloop van mijn optreden in Rijeka, eveneens in juni 2017, dat Daša, half verscholen achter de counter van boekhandel Ex Libris, aan de kade tegenover de zeeschepen, bijwoont – klampt een ouder echtpaar me aan.

U had het over Danilo Kiš – hij en Daša, dat was grote liefde. Maar laat ook maar, dat zijn gewoon roddels, het spijt ons.

Buiten zeg ik tegen Daša dat ze haar briefwisseling met Kiš moet uitgeven. Maak er een klein boekje van.

Waarom zou ik? vraagt ze. Dat is toch zinloos. Alles valt uiteen. Haar appartement. De verwarming is onbetaalbaar, ik sjouw met blazers van de ene naar de andere kamer. Dat is hoe mijn leven ervoor staat. En dan moet ik een liefde die twee jaar duurde, begin jaren zeventig, weer oprakelen? Mark Thompson, die die biografie over Danilo heeft geschreven – geen slecht boek – bedelde haar om die brieven. Hij heeft ze niet gekregen. Ze heeft alleen de inhoud aan hem naverteld.

Naverteld? Ik schiet in de lach. Stijl is alles, zei Kiš. Vorm en inhoud vallen niet te scheiden.

De staat van haar woning – vorige week zat ze aan haar bureau te werken, zag ze een vrouwenkuit met schoen achter zich wegglijden. Pardon, wie is daar? vroeg ze. Was het een inbreekster? Ze schiet in de lach.

Die was vast gestuurd door Thompson, zeg ik, die heeft inbrekers betaald voor die brieven.

Bulderlach. Gehoest. Door jou steek ik nu alweer een sigaret op, zegt ze.

Het voormalige emigrantenhotel, vertelt ze, ligt aan de Baračstraat – vernoemd naar een weinig tot de verbeelding sprekende ingenieur. Een grauw, langwerpig gebouw dat nu als bedrijfsruimte dienst doet. Het staat op de lijst voor industrieel erfgoed, net als vele andere vervallen hallen en gebouwen. Je kunt het gaan bekijken, maar dat heeft niet veel zin: de blik krijgt er geen vat op en verdwaalt in de wirwar van dokken, loodsen, kranen, die samen de teloor gegane haven van deze stad vormen.

Thomas Bernhard crasht
In 1964 ontving Thomas Bernhard zijn eerste literaire prijs, die hij met twee anderen moest delen en in Hamburg hoogstpersoonlijk ging ophalen. Bij terugkeer in Wenen schafte hij van het prijzengeld, vijfduizend mark, een Triumph Herald aan, en hij dacht: ‘ik heb een auto. Ik heb een witte auto.’ Hij reed wat af met die auto, diezelfde zomer reed hij zelfs helemaal naar Lovran, Joegoslavië, en naar Opatija, waar zijn tante in een villa verbleef. En hij, die dacht nooit meer iets te kunnen schrijven, schreef daar in een paar weken tijd Amras, en toen dat voltooid was scheurde hij in zijn Herald naar Rijeka, reed die avond weer terug naar het nabijgelegen Opatija, waar, verblind door het avondlicht, een andere auto vol op de zijne knalde. Met een diepe snee in zijn hoofd werd hij naar het ziekenhuis gebracht; de bijrijdster in de andere auto bleek verpleegster in het ziekenhuis van Rijeka en werd ontslagen omdat ze in plaats van te helpen de benen had genomen. Bernhard telde zijn zegeningen en schrijft dat het de zee was, steeds weer de zee die hem zou redden, als schrijver, maar ook als mens zal hij hebben bedoeld, want wie kan die twee nou scheiden?

‘Als Thomas Bernhard nog zou leven, zou ik hem ten huwelijk vragen’, bekent de vertelster in Leica Format.

De verbeelding heeft het eeuwige leven
‘Heb lief, wees gelukkig,’ besluit ze ons laatste telefoongesprek, in april 2018. Haar zwakke stem woog nog net op tegen de stilte.

Waar zal ze in die laatste weken aan hebben gedacht, wat zal ze zich hebben herinnerd?

Ik blader nog eens door Leica Format. ‘Dit hele verhaal is even log en langgerekt als mijn leven, en het hoort hier helemaal niet thuis omdat het net als mijn leven nietig en klein is, tweemaal niets, hol en karig, zo hoort het ook. Hier hoor ik uiteindelijk wel thuis, in deze verlatenheid, in deze dode kleine stad, die ooit, net als ik, zo ontzettend levendig was. Nu kwijnen we hier allebei weg in nietigheid, ik boos, hij zwijgend, en we zijn getuige van elkaars ellende, de een ooggetuige van het sterven van de ander, de ander snuffelend aan het verval van de een – zieke en onafscheidelijke vrienden, tot de dood ons scheidt.’

Haar vader was een diplomaat, haar moeder psychiater, die stierf toen zij nog kind was. Die gaf niet om regels en conventies. Soms, herinnert ze zich, werden patiënten voor de middaglunch uitgenodigd. Die zaten dan met het hele gezin aan tafel. Terwijl haar eigen arts, de oncoloog, zo veel mogelijk afstand houdt. Jonge artsen gaan soms door een fase waarin ze symptomen overnemen van de ziekte van hun patiënten. Die empathie en verbeeldingskracht wordt hen zo snel mogelijk afgeleerd.

Zelf studeerde ze ooit een blauwe maandag medicijnen. Haar afgrijzen van de kille, klinische blik van artsen heeft ze nooit meer van zich af kunnen zetten, en tekent vele bladzijden in Leica Format, gewijd aan de mensonterende hygiënische procedure die de emigranten in het hotel moesten ondergaan; beschrijvingen die naadloos overgaan in pagina’s over de eugenetica, over de experimenteerdrift waaraan het menselijk lichaam in de twintigste eeuw is onderworpen.

Op Cuba, vertelde ze ook nog op die ochtend in juni 2017, scheen een serum te zijn dat haar ziekte kon doen stagneren, al was het maar tijdelijk. Maar volgens haar artsen was dit een verzinsel. Waarom zijn mensen zo bang voor de verbeelding? Artsen stellen alle vertrouwen in chemokuren, in bestralingen, maar ook dat is maar een geloof – honderd procent garantie biedt het per slot van rekening niet. Medicatie als platte fictie – het lichaam als objectieve container. Feiten zijn feiten, dat is wat de mensen geloven, en al het andere wordt naar het rijk van de fabels verbannen.

Haar zonnebril had ze die hele ochtend nog niet afgezet, in haar hals de vlekken. Bij de omhelzing was er de warmte van de zon op haar lichaam; daaronder de innerlijke warmte, de kracht van een heel leven.

(Ter nagedachtenis aan Daša Drndić, Zagreb 1948 – Rijeka 2018)

Noot: Binnen afzienbare tijd verschijnt bij De Geus de roman Belladonna van Drndić. Vlak voor haar dood belde een redactrice. Of ik ooit van de schrijfster Drndić had gehoord. Jazeker, antwoordde ik, die heb ik zelfs voor jullie vertaald, alweer bijna tien jaar geleden. Na een ongemakkelijke stilte vertelde de redactrice dat De Geus nieuw werk van haar had aangekocht, aangemoedigd door de internationale faam die de schrijfster inmiddels had verworven, en dat op zoek was naar een vertaler. De hele affaire rond Sonnenschein was haar en de huidige staf van de uitgeverij onbekend. Ik bedankte voor de klus. Na ophangen herinnerde ik me wat ik vergeten was te vermelden: dat de hele affaire me ooit gesterkt had in het besluit te stoppen met vertalen. Deze nalatigheid, samen met de hele treurigheid van de affaire, stemde me bitter, tot ik bedacht dat de selectiviteit van het geheugen nu in elk geval het uitgeven van goede boeken niet in de weg stond.