🆕 Vereniging vs versplintering in Thijs Lijsters Verenigt u!
🖋 Niels Springveld

Thijs Lijster, Verenigt u! Arbeid in de 21ste eeuw, Prometheus 2019, 120 blz.


Hoe komen we vandaag de dag in opstand tegen uitbuiting? Thijs Lijster ging te rade bij Marx en Engels’ Het communistisch manifest en liet zich inspireren voor een pamflet. Helaas is Lijster nu eens niet marxistisch genoeg, dan weer te marxistisch, meent Niels Springveld. Hoe ouderwetse kapitalismekritiek kan worden verenigd met uitsluitingsmechanismen als racisme en seksisme – de uitdaging van links – blijft onduidelijk.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Thijs Lijster, Verenigt u! Arbeid in de 21ste eeuw, Prometheus 2019, 120 blz.
Thijs Lijster, Verenigt u! Arbeid in de 21ste eeuw, Prometheus 2019, 120 blz.

Marxisten zijn doorgaans niet de meest vrolijke snuiters. Hun droefenis valt goed te begrijpen: sinds Karl Marx en Friedrich Engels in 1848 hun beroemde manifest publiceerden, weigert het kapitalisme aan zijn interne tegenstellingen ten onder te gaan. Wie tegenwoordig ‘revolutie’ zegt, of, erger nog, het over ‘arbeiders’ heeft, krijgt meewarige blikken toegeworpen en wordt aangezien voor een wandelend anachronisme met klap van de jarenzestigmolenwiek. Enkele uitzonderingen daargelaten lukt het links maar niet om een pakkend alternatief te bieden voor de liberaal-conservatieve consolidatiepolitiek en rechts-populistische rancuneleer die de laatste jaren twee kanten van dezelfde anti-progressieve medaille vormen.

Een uitzondering op de Wet van de Droevige Marxist is Thijs Lijster (1981), cultuurfilosoof aan de Rijksuniversiteit Groningen. Lijster schrijft montere, intelligente essays van linkse snit, doorspekt met geestige neologismen als ‘ikeaficatie’ – de vervaging van de grens tussen werk en thuis – en ‘catastrofilie’ – een sadomasochistische fascinatie voor onheil. Grappig genoeg zijn Lijsters grootste inspiratiebronnen het kritische-theorie-opperhoofd en brompotfilosoof Theodor Adorno en de wat mystieker aangelegde Walter Benjamin, evenmin een lachebekje.

Onlangs verscheen Lijsters pamflet Verenigt u! Arbeid in de 21ste eeuw in de Nieuw Licht-reeks, een initiatief van publieksfilosofen Frank Meester en Coen Simon. Het concept van de reeks is eenvoudig: Meester en Simon vragen een denker om in een korte tekst de actualiteit te duiden aan de hand van een filosofische klassieker, waaruit aan het eind van het boekje een hoofdstuk is opgenomen. Ditmaal kreeg Lijster de taak om Het communistisch manifest te herlezen en na te denken over de vraag wie het proletariaat van deze tijd vormen en zich zouden kunnen verenigen om in opstand te komen tegen uitbuiting.

Het BV Ik

Lijster trapt zijn pamflet af met het levensverhaal van zijn opa, een Drentse arbeider die op zijn veertiende als stalknecht aan de slag ging. Grootvader Lijster was een overtuigd socialist, die zich in de loop der jaren opwerkte tot voorzitter van de Metaalarbeidersbond en gemeenteraadslid voor de PvdA. Hij was er trots op om arbeider te zijn, trots op de verworvenheden van de arbeidersbeweging, en vond het heel wat dat hij zich op zijn vierenvijftigste een auto kon veroorloven. Zijn levensverhaal is typerend voor dat van vele mannen van eenvoudige komaf: arbeiders die door hun harde werk zichzelf verhieven en zozeer profiteerden van het naoorlogse pact tussen arbeid en kapitaal dat ze hun kinderen in welvaart konden laten opgroeien.

Ook het leven van oma Lijster is exemplarisch. Het twintigste-eeuwse sociaaldemocratische en christendemocratische economische model was gebaseerd op een strikte arbeidsdeling tussen de seksen: de man was kostwinner, de vrouw zorgde voor wat Marx ‘reproductieve arbeid’ noemde – wassen, koken, kleine proletariërsmonden voeden, kortom, alle onbetaalde activiteiten die nieuwe arbeidskracht mogelijk maken. De belofte van sociale mobiliteit gold niet voor oma Lijster, die zich schikte in dit patroon: na haar huwelijk stopte ze met werken en wijdde ze zich aan kroost en huishouden.

De belofte van sociale mobiliteit gold niet voor oma Lijster, die zich schikte in dit patroon.
Inmiddels is van dat economische model weinig meer over, legt Lijster uit. Sinds de jaren zeventig zijn vrouwen massaal gaan werken, en in hetzelfde decennium werd de sociaal- en christendemocratische consensus doorbroken door de opkomst van het neoliberalisme. Zoals Michel Foucault laat zien in zijn colleges over het neoliberalisme (1978-1979) aan het Collège de France had deze omwenteling grote gevolgen voor de manier van spreken over arbeid en economie. In de neoliberale visie ligt de nadruk op het individu, of de ‘ondernemer van zichzelf’, zoals Foucault het noemt: de mens als BV Ik, die voortdurend zijn ‘employability’ en ‘menselijk kapitaal’ moet vergroten om investeerders aan te trekken. (1) Arbeid verwordt zo van een bijdrage aan de gemeenschap tot zelfcommodificatiemiddel.

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig verschoof de verhouding tussen arbeiders en kapitalisten – die nu ‘werknemers’ en ‘werkgevers’ kwamen te heten – in het voordeel van de laatste groep. In plaats van solidariteit, sociale zekerheid en een overheid die intervenieerde in de economie om ongelijkheden recht te breien, kwamen concurrentie, arbeidsmarktflexibiliteit en een kleine overheid. Of iets minder eerbiedig gezegd: ellebogenwerk, de tirannie van permanent beschikbaar moeten zijn en kapitalisten/werkgevers en overheden die om kosten te besparen arbeiders/werknemers aan hun lot overlieten onder het mom van eigen verantwoordelijkheid en zelfontplooiing.

Van proletariaat naar precariaat

Het neoliberalisme triomfeerde niet doordat een groep boze burgers de barricaden opging om meer vrijheid en minder overheid te eisen, maar door het jarenlange lobbywerk van een kleine groep intellectuelen en denktanks. Het dogma dat de overheid schuldig is tot het tegendeel bewezen is, lag ten grondslag aan het agressieve beleid van Ronald Reagan en Margaret Thatcher tegen vakbonden en demonstrerende arbeiders – ‘the enemy within’ volgens laatstgenoemde. Ook in linkse kringen heerste begin jaren tachtig defaitisme en marxismemoeheid. Tekenend is socioloog André Gorz’ boek Afscheid van het proletariaat (1980), waarin hij het keynesianisme doodverklaarde en afrekende met marxistische praat over het proletariaat als Heroïsch Subject van de Geschiedenis. (2)

Precariteit snijdt dwars door ideologieën, klassen, etniciteit en opleidingsniveaus heen.
De categorie van een dergelijk subject is ‘misschien wel hopeloos achterhaald’, aldus Lijster: een progressieve politiek zal zowel economische thema’s als daarmee verknoopte kwesties als klimaatverandering, institutioneel racisme en seksisme aan moeten kaarten in plaats van de eindstrijd tussen arbeid en kapitaal af te wachten. Toch is bij hem nog een restje subjectdenken aanwezig. Lijster vestigt zijn hoop op het ‘precariaat’, een door econoom Guy Standing geïntroduceerde term voor een klasse van mensen zonder bestaans- en inkomenszekerheid, arbeidsrechtelijke bescherming en politieke representatie die afhankelijk zijn van flexwerk. (3) Precariteit snijdt dwars door ideologieën, klassen, etniciteit en opleidingsniveaus heen: onder meer zzp’ers, PostNL-bezorgers, boze witte mannen, arbeidsmigranten, academici, journalisten, verplegers en Deliveroo-wegpiraten vallen onder het precariaat.

Deze ‘geflexploiteerden’, om met Pierre Bourdieu te spreken, (4) vormen vooralsnog geen eensgezinde klasse. Een goed voorbeeld van de versplintering van de precairen zijn de gele hesjes in Frankrijk. De protesten begonnen naar aanleiding van de verhoging van de brandstofaccijns, maar groeiden algauw uit tot een demonstratie tegen onder andere hoge belastingen, het ambitieloze klimaatbeleid van de Franse regering, multinationals en het stagnerende arbeidsinkomensquotum. Politiek gezien valt er geen peil te trekken op de gele hesjes: alles van (extreem)links tot (extreem)rechts is erbij betrokken, duidelijke woordvoerders of programmapunten zijn er niet. Wat de gele hesjes verbindt is een algeheel gevoel van onzekerheid, achterstelling en controleverlies.

Marxisme 2.0

Hoe valt deze amorfe onvrede te kanaliseren? En wat hebben we aan Marx en Engels’ manifest? Volgens Lijster moet een progressieve politiek aan drie kenmerken voldoen. Zijn eerste voorstel is klassiek marxistisch: controle over de productiemiddelen verkrijgen en klassenbewustzijn ontwikkelen. Met productiemiddelen bedoelde Marx voornamelijk fabrieken, machines en apparatuur. Wie het beleid van de kapitalisten niet zinde, bezette de fabriek of gooide zand in de machines. In de tweede helft van de twintigste eeuw is de nadruk verschoven van materiële naar immateriële arbeid, waardoor de productiemiddelen van aard zijn veranderd: naast machines en apparatuur behoren ook kennis, informatie en sociale relaties ertoe. Een ander belangrijk verschil is dat de hedendaagse flexwerker voornamelijk op zichzelf aangewezen is en sabotage-acties niet in zijn belang zijn, zoals Lijster fijntjes opmerkt: de journalist heeft er geen baat bij om zand in zijn laptop te gooien, de Deliveroo-bezorger is de klos als hij zijn banden doorprikt.

Die andere marxistische gouwe ouwe, ‘klassenbewustzijn’, is juist in tijden van klimaatcrisis van belang als tegenwicht aan het depolitiserende het-gaat-ons-allemaal-aan-dus-er-is-geen-tijd-voor-ideologische-haarkloverij-discours.
Hoe ouderwets het misschien ook klinkt, ‘controle over de productiemiddelen’ is een vrij basale eis, zo laat Lijster zien: het slaat op het vermogen om tijd in te delen zoals je zelf wilt, reproductieve arbeid te kunnen verrichten, en de kans te hebben om kennis en vaardigheden te ontwikkelen zonder direct economisch doel. Die andere marxistische gouwe ouwe, ‘klassenbewustzijn’, is juist in tijden van klimaatcrisis van belang als tegenwicht aan het depolitiserende het-gaat-ons-allemaal-aan-dus-er-is-geen-tijd-voor-ideologische-haarkloverij-discours. Dat discours verhult dat de rijkste één procent zowel de grootste ecologische voetafdruk heeft als de minste lasten van klimaatverandering ondervindt. Hoe dat klassenbewustzijn precies kan worden gecreëerd, daar zegt Lijster helaas niet zo veel over – maar dat deden Marx en Engels ook al niet.

Voorstel nummer twee is een oproep tot transversale actie: actie die grenzen tussen identiteitsmarkers en bevolkingsgroepen doorbreekt. Dergelijke actie heeft geen zin zonder voorstel nummer drie: een pleidooi voor internationale solidariteit van de kwetsbaren aller landen. ‘De creatieve zelfstandige, de flexbouwvakker en de thuiszorgmedewerker moeten inzien dat hun lot en hun belangen verbonden zijn met de Poolse loodgieter, en met de arbeiders in de sweatshops van Bangladesh en techfabrieken in Korea,’ aldus Lijster. Nationalisme doet hij af als ‘een afleidingsmanoeuvre van het kapitaal’, bedoeld om juist die internationale solidariteit te voorkomen.

Partij van het precariaat?

Het grote probleem van Lijsters vlot geschreven, informatiedichte pamflet – naast de wat voorspelbare analyses – is dat het nu eens niet marxistisch genoeg, dan weer te marxistisch is. Lijster is niet marxistisch genoeg met zijn pleidooi voor een universeel basisinkomen. Dit op het eerste gezicht radicale idee zou je kunnen zien als een pacificatiemiddel: links hoopt er de armoede mee op te heffen, rechts stelt het in staat overheidsrestricties te minimaliseren. Het kapitalisme krijgt zo een wat socialer gezicht terwijl de koopkracht gewaarborgd blijft. Ook bij Lijsters speculaties over een nog te vormen ‘partij van het precariaat’ zijn wel wat vraagtekens te plaatsen. Deze partij zou moeten bestaan uit delen van de achterban van 50PLUS, Denk, de Partij voor de Dieren, de PvdA, SP en GroenLinks. Je vraagt je bij dit lijstje haast af of Lijster onlangs nog weleens een Tweede Kamerdebat heeft gezien. Tussen Denk en de PvdA is het haat en nijd, de SP heeft zich sinds haar oprichting afgezet tegen de centrum-linkse koers van de PvdA, 50PLUS waait met alle winden mee, en wat de Europese politiek betreft staan de SP, PvdD en GroenLinks mijlenver van elkaar af.

Lijster gaat net als de twee Duitsers voorbij aan de gehechtheid aan, en potentieel emancipatoire kracht van, nationalistische gevoelens.
Het pamflet is dan weer te marxistisch in de onderschatting en minachting van het nationalisme: ‘De arbeiders hebben geen vaderland,’ schreven Marx en Engels al in Het communistisch manifest. (5) Het verzet tegen het internationale kapitalisme heeft geen zin als het niet internationaal is, maar Lijster gaat net als de twee Duitsers voorbij aan de gehechtheid aan, en potentieel emancipatoire kracht van, nationalistische gevoelens. Zoals Benedict Anderson eens pesterig opmerkte: er is wel een graf voor de onbekende soldaat, maar niet voor de onbekende marxist of liberaal. (6)

Hoe hartverwarmend het pleidooi voor internationale solidariteit ook is, Lijster negeert wat de marxistische historicus David Roediger in navolging van socioloog W.E.B. Du Bois the wages of whiteness noemt: de financiële voordelen die witte arbeiders ontvingen op voorwaarde dat ze zich niet solidair zouden verklaren met mensen van kleur. (7) Door racisme te stimuleren voorkwamen de kapitalisten dat een eensgezind proletariaat ontstond, en konden ze tegelijkertijd de uitbuiting van de als minderwaardig beschouwde arbeiders van kleur voor zichzelf rechtvaardigen. Precaire arbeider dezes wil zich graag solidair verklaren met de eerder genoemde Polen, Bengalen en Koreanen, maar weet niet of dat ook geldt voor het deel van zijn collega-precairen dat meer geneigd is tot racisme en xenofobie. Ten slotte wijst Lijster enkele keren op de verknoping van kapitalisme en klimaatverandering, maar vermeldt hij niet dat Marx en zijn volgelingen zelf het groeifetisjisme van de burgerlijke economie onderschreven: de vergroting van de productie zou volgens hen een eind maken aan de schaarste, waardoor mensen nog lang en gelukkig zouden kunnen leven in het communistische land van melk en honing. (8)

Als toegankelijke marxistische cultuur- en kapitalismekritiek is Lijsters boekje geslaagd, als doordachte strategische tekst minder. De gebreken van het pamflet onderstrepen dat de uitdaging waar links voor staat nog altijd niet echt wordt aangegaan: hoe valt ouderwetse kapitalismekritiek te verenigen met uitsluitingsmechanismen als racisme en seksisme? Voor een vereniging op links zijn termen als klassenbewustzijn, arbeid, kapitaal en controle over de productiemiddelen nog altijd onontbeerlijk. Dat zo’n vocabulaire tegenwoordig op de lachspieren werkt zegt wellicht meer over de verkwanseling van de linkse traditie dan over de houdbaarheid van Marx en Engels’ manifest.

Noten

(1) Michel Foucault, The Birth of Biopolitics: Lectures at the Collège de France, 1978-1979 (Picador, 2010).
(2) André Gorz, Afscheid van het proletariaat (Van Gennep, 1981).
(3) Guy Standing, The Precariat: The New Dangerous Class (Bloomsbury 2016).
(4) Pierre Bourdieu, Acts of Resistance: Against the Tyranny of the Market (The New Press, 1998), p. 87.
(5) Karl Marx en Friedrich Engels, Het communistisch manifest (Pegasus, 1998), p. 67.
(6) Benedict Anderson, Imagined Communities: Reflections on the Origin and Spread of Nationalism (Verso, 2006), p. 10.
(7) David R. Roediger, The Wages of Whiteness: Race and the Making of the American Working Class (Verso, 1991).
(8) Zie over het ‘productivisme’ van de marxistische traditie Jean Baudrillard, The Mirror of Production (Telos, 1975). Er is echter ook een groene lijn in het werk van Marx: zie John Bellamy Foster, Marx’s Ecology: Materialism and Nature (Monthly Review Press, 2000).