Moderniteit is vloeibaar – en nu?
Charlotte Remarque

Pieter Kranenborg, Waterland (Van Oorschot 2021), 320 blz.



* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Pieter Kranenborg, Waterland (Van Oorschot 2021), 320 blz.

Het lukt Ingmar maar niet om een leven op te bouwen in Amsterdam. Na een opleiding Chinees aan de universiteit is zijn droom om literatuur te vertalen nog geen werkelijkheid geworden, dus heeft hij een kantoorbaan die hem niet interesseert, en slaapt hij bij gebrek aan een woning op andermans bank. Een oplossing komt als teken uit de hemel vallen: op een dag besluit hij niet naar zijn werk te gaan en maakt hij oogcontact met een jonge buschauffeur. Dat werk wil hij ook doen. Rond dezelfde tijd krijgt hij een vreemde kans aangeboden, om nachtopzichter te worden van een verlaten ruimteobservatorium ergens tussen Amsterdam en Monnickendam.

Ingmar dwaalt rond in de dimensie die net niet de werkelijkheid is.

Ingmars nieuwe, rustige bestaan als buschauffeur en bewoner van het observatorium bevalt hem enorm, tot zijn leven opnieuw wordt opgeschud. Er blijkt regelmatig een man in te breken in het observatorium, een jonge astronoom die het als zijn taak ziet om naar het universum te kijken. En een vriend van vroeger, Egon, laat hem een cassettebandje horen met muziek die zo mooi is dat zij een soort psychedelische staat veroorzaakt. De zangeres op het bandje is het meisje K., met wie Ingmar één nacht heeft doorgebracht, jaren geleden. Haar stem betovert hem zo dat hij haar terug moet vinden om de melodie zijn hoofd uit te krijgen. Dat blijkt moeilijker dan gedacht, want de wereld is dankzij de cassette inmiddels niet meer zo rechtlijnig als zij ooit was, en Ingmar dwaalt rond in de dimensie die net niet de werkelijkheid is. Met behulp van andere dolenden, Egon, de Astronoom en een bokser uit Hong Kong die Kelvin heet, vindt Ingmar uiteindelijk het meisje K. terug, en met haar een heel orkest aan mysterieuze muzikanten. Hij is eerst euforisch, maar zijn probleem is nog steeds niet opgelost. De verliefdheid die hij voor haar voelt blijkt hem op te slokken en te overweldigen zoals de muziek dat ook al deed. Er is nog steeds geen oplossing voor zijn rusteloosheid. Plotseling is hij weer terug waar hij jaren geleden was, vóór Waterland, en krijgt hij de kans om alles anders te doen.

Ongefilterde zelfanalyses

Kranenborg stijgt met Waterland uit boven sommige andere debuutromans over zingeving, met name dankzij de elementen van magisch realisme, maar over het algemeen is dit debuut een nog onvolwassen eerste poging. Het boek telt driehonderdtwintig pagina’s, ruim honderd te veel. Beschrijvingen en gedachtestromen strekken zich vaak ten onrechte uit over meerdere alinea’s en bestaan vooral uit Ingmars trage, slaapverwekkend ongefilterde zelfanalyses die ook qua taal weinig vernieuwends te bieden hebben:

Het was natuurlijk nogal wat, wat er gebeurd was. Ik had op muziek gezweefd, en daarmee had ik de wereld waarin ik dat nooit voor mogelijk had gehouden zogezegd al verlaten. Met andere woorden, diep vanbinnen wist ik eigenlijk al dat er iets voorgoed was veranderd.

Of: ‘Die nacht had inderdaad aan het begin gestaan van een periode waarin alles aan mijn leven was veranderd. Of misschien is het beter te zeggen dat de dingen een andere kleur kregen.’ De passages waarin de muziek de wetten van de natuur opheft hebben een dromerige, doffe onderwatersfeer die met wat meer stilistische kracht interessante experimenten hadden kunnen zijn.

Hoe kunstig zo’n echo ook is, het moet toch een beetje interessant blijven om te lezen.
Ingmar, de hoofdpersoon, is een ongrijpbaar personage met weinig uitgesproken eigenschappen. Zijn oude vriend Egon en de nieuwe vrienden die hij maakt, de diepverdrietige Astronoom en Kelvin uit Hong Kong, zijn stuk voor stuk interessanter dan Ingmar, maar lijken alleen te bestaan ter meerdere eer en glorie van Ingmar zelf. Zonder al te veel aarzelen worden ze zijn sidekicks in zijn zoektocht naar zingeving, een zoektocht waarvan je je als lezer des te meer afvraagt wat hij die andere figuren nou kan interesseren. Ook het meisje K., een onverbloemde manic pixie dream girl, fungeert vooral als een naamloos gereedschap dat Ingmar tot filosofische inzichten brengt.

Diezelfde inzichten worden steeds opnieuw herhaald en ook het verhaal keert voortdurend terug naar dezelfde momenten en plekken. Met een beetje vergevingsgezindheid zou je de circulaire elementen in het plot kunnen lezen als een thematische echo van Ingmars route in zijn tijd als buschauffeur, toen hij iedere dag hetzelfde rondje reed en daar steeds iets nieuws in probeerde te zien. Maar hoe kunstig zo’n echo ook is, het moet toch een beetje interessant blijven om te lezen. Voor een roman waar toch relatief veel plot in zit voelt het boek opmerkelijk plotloos, en dat is absoluut te wijten aan een gebrek aan vaart en scherpte.

Millennials in fluxstaat

Kranenborg besteedt via Ingmar veel aandacht aan Zygmunt Baumans concept ‘vloeibare moderniteit’, het idee dat hedendaagse mensen weinig hebben dat ze aan een plaats en aan elkaar bindt. Die vloeibare staat weet hij goed af te beelden. Alle personages in zijn roman zijn compleet wortelloos. Namen hebben ze soms niet eens, en plaatsen, nationaliteiten en talen zijn van iedereen en niemand tegelijk. Zo dolende zijn de figuren dat ze zelfs niet helemaal met wortels in de werkelijkheid vastzitten, daarom glippen ze af en toe een onderlaag van de realiteit in, een onwerkelijke nachtversie die bij daglicht niet meer lijkt te bestaan. Deze creatieve vertaling van de fluxstaat van het millennialbestaan naar een uitvergrote magisch-realistische wereld is slim bedacht. De Ingmar van vóór het cassettebandje kon net als veel leeftijdsgenoten steeds geen vaste plek vinden om te wonen, de Ingmar through the looking-glass ziet letterlijk gebouwen verschijnen en verdwijnen. In het echt verhuizen jonge mensen met het grootste gemak naar het buitenland om te werken, in die droomwereld worden Mandarijn en Nederlands en Engels en Duits gemakkelijk door elkaar gesproken. Ingmars vervreemde, onrustige staat doet denken aan Walging van Sartre.

De mijmeringen geven toch vooral het gevoel dat er een jongen op een feestje in je oor roept dat de muziek echt supertranscendent is, man, en eigenlijk moeten we Amsterdam uit, daar begint het echte leven.

De inzichten die Ingmar opdoet hebben vaak een interessante kiem. ‘Ik hoef geen leven dat aan me voorbijraast’, zegt Ingmar, en zijn leven in Waterland is dan ook zijn poging om een staat van rust te bereiken die wordt beschreven in de filosofie van Zhuang Zhi. Die rust probeert hij ook te vinden in de liefde, in activisme, in escapisme via muziek. Maar die inzichten blijven bij een kiem en groeien nooit verder. Moderniteit is vloeibaar – en nu? Het snelle stadsbestaan is niet alles – maar wat dan wel? Echte verbindingen tussen mensen blijven in deze tijd net buiten handbereik, maar dat lijkt Ingmar niet eens een probleem te vinden. De conclusies die hij trekt zijn daardoor naïef of soms zelfs ronduit afgezaagd. Dat muziek verheffend en vervoerend is, dat liefde allesverzengend kan zijn, dat het leven in de stad eenzaam en versplinterd is. Tja. De mijmeringen geven toch vooral het gevoel dat er een jongen op een feestje in je oor roept dat de muziek echt supertranscendent is, man, en eigenlijk moeten we Amsterdam uit, daar begint het echte leven.


Doortje Smithuijsen, Gouden bergen: portret van een digitale generatie (De Bezige Bij 2020), 224 blz.

Lees ook Charlotte Remarques bespreking van Doortje Smithuijsens Gouden bergen. De influencers die Smithuijsen opvoert in haar boek zijn geen half-mensen, half-algoritmen, maar berekende zakenvrouwen.


Een wrange spiegel

Nog het beste functioneert Waterland als een portret van Kranenborgs en mijn eigen generatie hoogopgeleide stedelingen, een verwende en toch ontluisterde groep die de zoektocht naar zingeving heeft verheven tot een nobel doel in plaats van wat het eigenlijk is: zelfingenomen twijfelgedrag en stagnerende nostalgie. De logheid en besluiteloosheid van het proza zijn een wrange spiegel voor iedereen van ietsentwintig die zelf log en besluiteloos door het leven sjokt. Het observatorium is een mooi beeld van de tussenfase van eeuwige net-niet-volwassenheid waar millennials zich in bevinden. Tussen stad en land, tussen de aarde en het heelal, tussen werkelijkheid en droom.

De logheid en besluiteloosheid van het proza zijn een wrange spiegel voor iedereen van ietsentwintig die zelf log en besluiteloos door het leven sjokt.
Het idee dat de verlossing uit die halfvolwassenheid misschien wel buiten de stad ligt, of in een ander land, of in een simpeler beroep, is in de meeste gevallen niets meer dan goedkoop toerisme. Want ook in Waterland keren de Amsterdammers uiteindelijk gewoon terug naar hun comfortabele kantoorbanen en hun bekende stad. Verpleeghuis of busremise, Keulen of Shanghai laten ze weer achter zich als ze klaar zijn met soulsearchen. Kelvin uit Hong Kong kan niet meer naar huis, terwijl Ingmar zit te overwegen om zich misschien wel bij de demonstranten daar te voegen. Hij kan het activisme eventjes uitproberen als een zelfverrijkende hobby. Dat is schrijnend, maar Kranenborg presenteert de zichzelf zoekende millennial uiteindelijk bijna kritiekloos. Zonde, want met zijn Ingmar heeft hij een personage te pakken dat het goed zouden doen in een scherpe satire.

En waar gaat het uiteindelijk allemaal heen, dat gemijmer van Ingmar? Na een lange epiloog eindigt hij toch maar weer met het meisje K., om haar bleek het allemaal te gaan. Bijna een belediging nadat je zo lang die uiteenzettingen en omzwervingen hebt gevolgd, een doodgewoon happy end tussen Ingmar en K., twee Amsterdammers die elkaar op Schiphol bepotelen, met de backpacks nog op. Als dat geen tijdsbeeld is.