Tussen Marx en Tocqueville: in memoriam Nico Wilterdink (1946-2025)
Een vraag uit de collegezaal. Het was nog vroeg en de hoogleraar was al niet matineus. Hij stond op de rand van het podium, de schoenpunten er net overheen. Zijn ogen waren inmiddels gesloten. Dat bleven ze, een ontelbaar moment lang. Was het antwoord hem ontschoten? Stoorde hij zich aan de vraagstelling? Zou hij in slaap gevallen zijn? De situatie was niet ongevaarlijk. Plotseling opende hij zijn ogen, schraapte zijn keel en begon met brede armgebaren aan een nauwgezet exposé. Geen vragen meer.
Nico Wilterdink leek soms op de verstrooide professor die hij niet was. Als een van de helderste geesten wist hij velen te inspireren. Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde hij tussen 1964 en 1972 sociologie. Intussen schreef hij, deels als redacteur, voor Propria Cures. Na zijn afstuderen werd hij wetenschappelijk medewerker en in 1984 promoveerde hij cum laude op Vermogensverhoudingen in Nederland. Ontwikkelingen sinds de negentiende eeuw (in 2015 geactualiseerd). In 1987 werd hij Jean Monnet-fellow aan het Europees Universitair Instituut te Florence, in 1996 gastdocent aan de University of Minnesota. Tussen 1992 en 1998 was hij bijzonder hoogleraar in de studie van langetermijnprocessen (Norbert Elias-leerstoel) aan de Universiteit Utrecht. In 1999 werd hij benoemd tot hoogleraar cultuursociologie aan de UvA. In 2011 ging hij met emeritaat: thuis ging het werk door.
In al die capaciteiten was hij even grondig als precies. Gelijkhebberig was hij ook, op temperamentvolle wijze. En zoals menig student en collega heeft ervaren: vrijwel altijd ook gelijkhebbend, op erudiete wijze. Het is dan ook een strenge habitus die de draad van zijn wetenschappelijk leven vormt. Zijn vader was leraar klassieke talen en conrector, zijn moeder apotheker: een hoge lat kreeg hij al met het ochtendbrood mee. Die eisen stelde hij aan anderen, maar nog het meest aan zichzelf. Het degelijke en onmodieuze aan zijn werk, de boeken, bijdragen en vele artikelen die hij schreef, geven het een lange houdbaarheid mee.
Mede ten grondslag hieraan ligt de historiserende optiek van de door Norbert Elias geïnitieerde figuratie- of processociologie. Daarin staan geen gebeurtenissen maar veranderingen voorop, bezien over een lange termijn. Volgens deze benadering vormen gedrag en emoties (de regulering ervan) zich binnen dynamische netwerken van afhankelijkheid. In zulke ‘figuraties’ is de gangbare tegenstelling tussen individu en samenleving opgeheven: mensen worden gevormd door hun omgeving, zoals die weer de onbedoelde uitkomst is van het doen en laten van mensen. De patronen daarin laten zich pas met enige distantie waarnemen, wars van dagkoers of modegril.
Op die voet schreef hij – glashelder, jargonluw – over ongelijkheid, evolutie, globalisering, civilisatietheorie, nationale identiteit en culturele distinctie. Op al deze terreinen ging hij minutieus te werk, maar zonder de dwarsverbanden te schuwen. Niet alleen de figuratiesociologie berust op dat gegeven, ook de hiervan afgeleide (Amsterdamse) cultuursociologie. Zoals het eerste macht en emoties op elkaar betrekt, zo verbindt het tweede, in de geest van Pierre Bourdieu, klasse aan cultuur. Wilterdink maakte van beide een heldere synthese, vooral ook in zijn colleges.
Actuele kwesties ging hij niet uit de weg. In stukken daarover paarde hij verbazing aan ergernis. Waarom Nederlanders bijvoorbeeld opeens dachten dat de nationale identiteit was verdwenen. Waarom het ‘raadselachtig’ populaire marxisme juist in de jaren zestig en zeventig vigeerde, toen de welvaart van arbeidersklassen nog nooit zo groot was. Waarom ook de Nederlandse spelling om de haverklap hervormd werd, volgens duistere regels. En, het onderwerp van zijn tweede oratie, hoe de ‘postmoderniteit’ moest worden begrepen. Onder de nu wat weemoedig stemmende titel In deze verwarrende tijd voerde hij het realityprogramma Big Brother op, waarmee miljoenen kijkers getuige werden van de strijd tussen Bart en Ruud. Wat verklaarde toch de roem van deze uit het niets verrezen helden? Het vormde de opmaat naar een lucide en nog altijd relevante beschouwing over culturele de-hiërarchisering en het ‘onsamenhangende ideeëncomplex’ van het postmodernisme, waarmee ‘narratieven’ en ‘discoursen’ terrein wonnen op de waarheidsclaims van de moderniteit. Achter dat academisch relativisme, zo demonstreerde hij overtuigend, schuilt niets minder dan een nieuw absolutisme en moralisme. ‘Hoe het is’ wordt daarin steevast verward met ‘hoe het moet zijn’. Bovendien wijst het postmodernisme het denken in historische ontwikkelingen af, terwijl het zelf – zoals het voorvoegsel post al aangeeft – een vervolg op of verandering van de moderniteit impliceert.
Deze brede belangstelling laat zich niet tot specialisme insnoeren. Toch zal hij vooral herinnerd worden om zijn studie van ongelijkheidsverhoudingen. Daar begon hij aan toen het denken over macht nog overwegend een morele, geen historische en empirische kwestie was. Met zijn proefschrift en vervolgens zijn leerstoel in Utrecht, ingeluid met de oratie Ongelijkheid en interdependentie, legde hij de basis voor de historisch-sociologische studie van de vermogensongelijkheid. Het zou hem later het predicaat van de ‘Nederlandse Piketty’ opleveren, hoewel hij naast bewondering voor toch ook fundamentele kritiek had op de Franse econoom. Dat gold voor diens modelmatige benadering, de ‘onvolledige toverformule’ r > g, en diens idealistische draai in Capital et Idéologie. Aan dit onderzoek bleef hij gestaag doorwerken.
Stilzwijgend en luidop was hij voorvechter van een controversieel vak. Telkens moet dat zich teweerstellen tegen de lekenkennis die er tegelijk het vertrekpunt van vormt. En juist omdat de sociologie door engagement wordt aangeleerd, zeker ook bij hemzelf, mag het streven naar maatschappelijke relevantie niet worden geofferd aan normativiteit en onwetenschappelijkheid. Daarom ook vond hij het ‘doorgeschoten’ theoretisch pluralisme onvruchtbaar, en een minimum aan programmatische consensus cruciaal. Dit was ook de grondgedachte achter het op de figuratiesociologie geënte Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, waarvan hij tussen 1976 en 2004 redacteur was (en tot 2008 van het opvolgende Sociologie). Samen met vriend-collega Bart van Heerikhuizen en anderen had hij met Samenlevingen. Een verkenning van het terrein van de sociologie de disciplinaire bouwstenen geformuleerd.
Tijdens een internationale conferentie nam hij zijn Amerikaanse big shot-collega Andrew Abbott op de korrel, met een reeks aan slides vol zelfironiserende citaten. Van diens statische en situationele ‘processuele sociologie’ bleef weinig over. Een zucht van verlichting ging door de zaal: weer een turf minder om te lezen. De balans maakte hij op in zijn afscheidsrede Omstreden wetenschap. Goede en slechte sociologie. Bij ‘goede’ beoefenaars – van Elias, Bourdieu en Johan Goudsblom tot Randall Collins, C. Wright Mills, Barrington Moore en anderen – is de sociologie radicaal sociaal, dus gespeend van individueel-psychologische of onpersoonlijke, ‘systemische’ verklaringsgronden. ‘Slechte’ voorbeelden zijn er zo te over, met hun abstracties en pretenties: van Ulrich Becks ‘simplificerende overdrijvingen’ tot Willem Schinkels ‘diepzinnige mist’. Ook in menige boekbespreking scheidde hij kaf van koren. De lezers van dit blad maakten al kennis met zijn geïnformeerde toorn in de bespreking van The Dawn of Everything: A New History of Humanity van David Graeber en David Wengrow. De ‘lyrische receptie’ van deze internationale bestseller stond volgens hem in geen verhouding tot het nostalgisch revisionisme, de speculatieve premissen en dogmatische conceptualisering van ‘vrijheid’ daarin.
In al dat werk zie je hem even zijn ogen sluiten, om de feiten nog eens te ordenen en de samenhangen tussen schijnbaar geïsoleerde verschijnselen gestreng aan te brengen. Zoals de paradox van ongelijkheid en gelijkheid. Waar veel sociale wetenschappers louter oog hebben voor de toenemende (materiële) ongelijkheid, wees hij op gelijktijdige subtrends van nivellering, zoals in tussenstatelijke, etnische en genderrelaties. Daarbij benadrukte hij dat ongelijkheid niet het gevolg is van moedwillig in de wereld gezonden ideeën, zoals ‘het neoliberalisme’. In landen waarin een dergelijke politiek ontbrak, nam de ongelijkheid in arbeids- en kapitaalinkomens eveneens over de gehele linie toe. Niet ideologie vormt hier dus de verklaringsgrond, maar blinde veranderingen in machts- en afhankelijkheidsrelaties tussen en binnen staten.
In het spanningsveld tussen Marx’ kapitalisme en Tocquevilles democratisering neigde hij ernaar de eerste op de lange termijn gelijk te geven, de tweede in het bestek van de twintigste eeuw. Dat vanaf de jaren 1980 weer wereldwijde denivelleringen optraden, de trendbreuk die hij zelf had laten zien, behelsde dus niet in elk opzicht een omkering van democratiseringsprocessen, noch de terugkeer van scherp afgeperkte sociale klassen. Maar stellig lagen deze botsende krachten aan de basis van het populisme, een aspect dat hij ook in een leerboek over Tocqueville had willen uitwerken. Hij heeft het niet meer kunnen afmaken, de ogen bleven gesloten.