Over de schreef: waarom corpsstudenten zich blijven misdragen
Met het begin van het academisch jaar beginnen ook weer de corporale ontgroeningen. Socioloog Geert de Vries las een uitgebreide studie van Maurice Punch naar de oorzaken van het gewelddadige, seksistische, racistische en antisemitische gedrag van de corpsstudenten. Hun monsterlijke gedrag moet maatschappelijk geduid worden, want ‘het wangedrag met de zwijgcultuur eromheen is functioneel voor de reproductie van de elite.’
Besproken boeken
-
Maurice Punch Crime and deviance in the colleges. Elite student excess and sexual abuse. (Bristol University Press 2022), 214 blz.
Van tijd tot tijd wordt Nederland opgeschrikt door berichten over wangedrag van corpsstudenten. In 2016 maakten mannelijke leden van het Groningse studentencorps Vindicat vrouwelijke leden uit voor ‘hete herten’ in hun ‘oprechte almanak’. Ze lieten een bangalijst circuleren met foto’s, namen en telefoonnummers, gerangschikt naar veronderstelde seksuele beschikbaarheid. Daaraan was een heilswens toegevoegd: ‘Moge [sic] de gore wijven met hun kut over een kanon worden getrokken.’ Vergelijkbare onsmakelijkheden kwamen naar buiten bij het Amsterdamsch Studenten Corps en het Utrechtsch Studenten Corps, zoals recentelijk nog opgetekend in NRC. In 2018 overleed student Sanda Dia tijdens de ontgroening van het Leuvense studentencorps Reuzegom. Dat gebeurde in Vlaanderen maar herinnerde aan vroegere ontgroeningen met fatale afloop in Nederland. Zo was in 1965 een aankomend lid (‘feut’) van het dispuut Tres in Utrecht overleden nadat hem een kap met giftig roet over het hoofd was getrokken – een ritueel dat toen al meer dan een eeuw bestond. Er is geen reden om te denken dat iets dergelijks niet opnieuw kan gebeuren en het is een publiek geheim dat veel aspirant-corpsleden tijdens hun ontgroening lichamelijk en geestelijk worden getraumatiseerd.
De socioloog en emeritus hoogleraar Maurice Punch heeft een belangrijk en grondig onderzocht boek geschreven met de titel Crime and Deviance in the Colleges. Elite Student Excess and Sexual Abuse. Het heeft tot nu toe niet de aandacht gekregen die het verdient. Punch inventariseert uitwassen die mannelijke studenten in de Verenigde Staten (VS), het Verenigd Koninkrijk (VK), en Nederland (met enkele uitstapjes naar Australië en België) zich steeds opnieuw permitteren. Hij onderzoekt de institutionele voorwaarden waaronder dat mogelijk is. En hij klaagt universiteiten en hogescholen aan die gebeurtenissen als ‘incidenten’ afdoen of anderszins laks reageren. Het boek is een j’accuse en het is geen vrolijke lectuur.
Klasse
Corpsstudenten gaan vooral over de schreef tijdens de ‘groentijd’, wanneer aankomende studenten moeten worden getest. Ze randen vrouwelijke medestudenten aan en verkrachten die, soms groepsgewijs. Ze richten in dronkenschap vernielingen aan in de stad waar hun universiteit of hogeschool gevestigd is. Ze beledigen treinconducteurs, parkeerwachters, willekeurige voorbijgangers en andere leden van ‘het plebs’. En ze ventileren naast seksistische ook racistische en antisemitische opvattingen. In de jaren zestig was ‘Dachautje spelen’ nog onderdeel van de ontgroening in Amsterdam. Bij het Rotterdamsch Studenten Corps benoemden ouderejaars die de ontgroening van feuten leidden zichzelf tot ‘kampcommandanten’. (De associatie werkt ook andersom: in zijn klassieke De hel van Treblinka (1944) merkt Vasili Grossman op dat de grappen die bewakers maakten tegenover hun slachtoffers hem deden denken aan ‘de ruige grappen van dronken Duitse corpsstudenten’.)
In de jaren zestig was ‘Dachautje spelen’ nog onderdeel van de ontgroening in Amsterdam. Bij het Rotterdamsch Studenten Corps benoemden ouderejaars die de ontgroening van feuten leidden zichzelf tot ‘kampcommandanten’.
Het eerste wat opvalt is dat het vooral studenten zijn uit hogere sociale klassen – of die daartoe willen gaan behoren – die zich schuldig maken aan wangedrag in verenigingsverband. Waarom juist zij? Het eenvoudigste antwoord is: omdat lidmaatschap van een studentencorps (Nederland), een fraternity (VS) of een house (VK) geld en tijd kost, wat jongeren uit lagere sociale klassen en hun ouders niet of minder hebben. Ook vindt er sociale en culturele selectie plaats, zo niet bij de voordeur (‘iedereen kan lid worden’) dan wel bij de tochtdeur in de vorm van ballotage voor disputen, huizen, besturen en commissies binnen de vereniging. De rijkdom van de Ivy League universiteiten in de VS berust goeddeels op endowments van alumni. Dezen verwachten in ruil daarvoor toegang van hun kinderen tot zowel deze universiteiten als tot prestigieuze fraternities. In het VK weegt geld minder mee of althans minder direct. Universiteiten als Oxford en Cambridge laten disproportioneel veel leerlingen van public schools toe – dat zijn particuliere en dure middelbare scholen – en die hebben rijke en hoog opgeleide ouders. In Nederland gaat het vooral om sociaal-culturele selectie. In ‘betere kringen’ sprak lidmaatschap van het corps vroeger vanzelf; ook nu is het nog vaak gebruikelijk. Kinderen worden lid van hetzelfde corps als hun ouders en het lidmaatschap wordt dus van generatie op generatie doorgegeven. In een klein land als Nederland werkt het mechanisme van ons-kent-ons sterk door. Mensen die lid zijn geweest van een corps bereiken niet zelden hoge maatschappelijke posities en velen van hen houden hun hele leven contact met elkaar. Punch spreekt van een ‘elitecultuur’.
Kinderen worden lid van hetzelfde corps als hun ouders en het lidmaatschap wordt dus van generatie op generatie doorgegeven. In een klein land als Nederland werkt het mechanisme van ons-kent-ons sterk door.
Gender
De vrouwenhaat die de Groningse, Amsterdamse en Utrechtse corpsstudenten uiten is voor zover wij weten vooral en meestal, maar niet uitsluitend bluf en gebral. Er zijn in Nederland geen gevallen bekend geworden van daadwerkelijke groepsverkrachtingen door leden van studentenverenigingen. In de VS en tot op zekere hoogte Australië is dat anders. Punch bespreekt een hele reeks voorbeelden van vooropgezette, groepsgewijze verkrachting van vrouwelijke studenten door mannelijke. De slachtoffers worden dronken gevoerd, gedrogeerd, afgezonderd van de vrienden en vriendinnen met wie ze naar een feest zijn gekomen, verkracht en voor oud vuil achtergelaten, soms in coma. De roofzucht van de jonge mannen, de onervarenheid van jonge vrouwen met alcohol en drugs, het feit dat universitaire campussen en fraternities in de VS vaak aparte werelden zijn, buiten zicht van en zonder toezicht door de rest van de samenleving, maken samen de gelegenheidsstructuur uit voor deze terugkerende wandaden.
Waarom doen mannelijke studenten dit? Borreltafelverklaringen dringen zich op: jonge mannen zijn testosteronbommen, ze zijn fysiek sterker dan vrouwen, ze drinken meer alcohol… Dat is allemaal waar maar er valt meer over te zeggen. Tot het einde van de negentiende eeuw waren universiteiten en hogescholen exclusieve mannenbolwerken. Studenten leefden hun lusten uit bij vrouwen uit lage sociale klassen: dienstbodes, winkelmeisjes, arbeidsters, jonge vrouwen als Keetje Tippel – en natuurlijk beroepsprostituees. In de ogen van de ‘jongeheren’ (pun intended) waren de verschillen tussen deze categorieën te verwaarlozen.
Toen vrouwen van de eerste feministische golf zich toegang verschaften tot het hoger onderwijs veranderde voor mannelijke studenten behalve het aangezicht van collegezaal en laboratorium ook het seksuele landschap.
Toen vrouwen van de eerste feministische golf zich toegang verschaften tot het hoger onderwijs veranderde voor mannelijke studenten behalve het aangezicht van collegezaal en laboratorium ook het seksuele landschap. Voor het eerst kregen zij intellectuele concurrentie van vrouwen. Tegelijkertijd moesten zij zich inhouden, zowel tegenover de dochters van de verlichte burgerij die nu kwamen studeren, als tegenover de meisjes van plezier met wie hun grootvaders en vaders nog ongegeneerd hadden verkeerd. De eerste feministische golf veroordeelde in plaats van de prostituees, op wie eeuwenlang vrijelijk was neergekeken, haar clientèle: de mannen – alle mannen – die prostituees bezoeken. Minder feministische kringen moesten zich hierbij wel aansluiten en mannelijke lusten tout court veroordelen. Voor mannelijke studenten betekende dit dat hun traditionele uitlaatklep – prostitutie – niet langer beschikbaar was, althans niet zonder gevoelens van schuld en schaamte.
Het is denk ik deze historische achtergrond die de onsmakelijke seksistische oprispingen van mannelijke corpsstudenten in Nederland en het Verenigd Koninkrijk, en tot op zekere hoogte ook de misdadige groepsverkrachtingen in de Verenigde Staten, kan verklaren. Het zijn boze, vervormde echo’s van seksuele aanspraken die eerdere generaties mannelijke studenten nog vrijelijk konden maken.
Gevaarlijk leven
Afgezien van vrouwenhaat: waarom (ook) de overige, steeds terugkerende misdragingen? Waarom de racistische en antisemitische liederlijkheden, weliswaar officieel in ‘besloten kring’ maar in feite voorbestemd om openbaar te worden? Waarom de hardnekkig-hardhandige ontgroeningspraktijken die lichamelijk en psychisch letsel veroorzaken bij velen en de dood bij enkelen? Punch geeft hiervoor twee verklaringen. In de eerste plaats is zulk wangedrag een vorm van wat Stephen Lyng, in navolging van Hunter S. Thompson, ‘edgework’ heeft genoemd. Dat kun je in het Nederlands vertalen als ‘gevaarlijk leven’. Jonge mannen nemen vaak opzettelijk lichamelijke en ook sociale risico’s om daarmee hun status binnen een groep te verhogen, hun bewustzijn te verruimen en hun zelfgevoel te verhogen, tot en met een ervaring van almacht en onoverwinnelijkheid. Criminologen zijn gewend om bijvoorbeeld het uitgaansgeweld van jongeren uit lagere sociaal-economische klassen zo te duiden. Maar ook het wangedrag van corpsstudenten valt eronder en het vervult dezelfde functie: ‘Kijk eens wat wij durven! En het kan ons geen zak schelen wat jullie burgerluitjes ervan vinden!’
Vandaar ook dat er zo zelden aangifte wordt gedaan bij de politie. Het wangedrag met de zwijgcultuur eromheen is functioneel voor de reproductie van de elite.
Het bijzondere van corpsstudenten is dat zij hun middelvinger opsteken tegen de sociale klasse waartoe zij zelf behoren of willen gaan behoren: de hogere middenklasse. Zoals Wim Kan zei: ‘Studenten zijn mensen die ruiten ingooien bij gevestigde firma’s waarvan ze later directeur hopen te worden.’ Maar menig lid van die hogere middenklasse is zelf corpsstudent geweest en heeft zich in zijn of haar studententijd schuldig gemaakt aan dezelfde of vergelijkbare uitwassen. Of is ervan getuige geweest maar heeft er nooit met buitenstaanders over gesproken. Wangedrag in corpsverband heeft de structuur van een geheim dat verborgen gehouden moet worden voor de buitenwereld, dat bindend werkt tussen degenen die het delen, en dat juist omwille van die binding in stand gehouden moet worden en doorgegeven aan nieuwe lichtingen corpsleden. Vandaar ook dat er zo zelden aangifte wordt gedaan bij de politie. Het wangedrag met de zwijgcultuur eromheen is functioneel voor de reproductie van de elite.
Geld en reputatie
Daarmee komen we bij Punch’s tweede verklaring waarom het wangedrag voortduurt en waarom het, alle publieke verontwaardiging ten spijt, meestal mild bestraft wordt: het ‘establishment’ heeft boter op zijn hoofd, maar met de onthullingen van wangedrag zijn vaak ook grote financiële belangen gemoeid. In de VS zijn de college athletics een belangrijke bron van inkomsten voor universiteiten. Punch geeft vele voorbeelden van hoe managers van teams en bestuurders van universiteiten in de VS het wangedrag van trainers en atleten onder het tapijt vegen en onderzoek obstrueren naar wat er precies gebeurd is. Het is alsof trainers en atleten boven de wet moeten staan. De voorbeelden zijn minder toepasbaar op het Verenigd Koninkrijk en Nederland omdat hier de financiële vervlechting tussen instellingen voor hoger onderwijs en commerciële sport ontbreekt. Maar instellingen kunnen wel reputatieschade lijden en vrees daarvoor is een aanvullende verklaring waarom ook in Nederland bestuurders van instellingen – inclusief degenen die zelf nooit corpslid zijn geweest – zo graag spreken over ‘incidenten’ en in het algemeen minder doortastend optreden dan je gezien de aard van het wangedrag en de publieke verontwaardiging erover zou verwachten. Subsidies worden opgeschort en vrijstellingen van studievoortgangseisen worden tijdelijk ingetrokken – meer is het vaak niet.
Gedragscode?
Nu hebben universiteitsbesturen ook maar beperkte macht over studentenverenigingen. Studentencorpora in Nederland en de fraternities in de VS zijn juridisch zelfstandige lichamen met eigen besturen, waarover universiteiten wettelijk geen zeggenschap hebben en dus ook geen sanctiemacht. Soms zijn zelfs niet corpsbesturen maar afzonderlijke studentenhuizen juridisch autonoom. Ze zijn eigendom van welgestelde ouders en van investeerders. Ter illustratie: Het Gezelschap tot Exploitatie en Realisatie van Utrechtse Corpshuizen (GERU) exploiteert anno 2025 in Utrecht 89 corpshuizen.
Punch stelt voor dat universiteiten en hogescholen hun macht vergroten door een gezamenlijke gedragscode af te spreken. Studentenverenigingen en individuele studenten moeten die ondertekenen. Dat maakt het mogelijk om sancties op te leggen die pijn doen: van tijdelijke intrekking van subsidie aan de vereniging en schorsing van de student, tot en met het definitief verbreken van alle banden met de vereniging en het verwijderen van de student van de universiteit. Nu zijn tijdelijke maatregelen al vaak geprobeerd, met weinig succes. Daardoor verlenen instellingen voor hoger onderwijs nog steeds een schijn van academische legitimiteit aan praktijken die dat niet verdienen. Het lijkt mij tijd dat universiteiten en hogescholen alle banden met studentencorpora verbreken en alle nog bestaande privileges voor individuele corpsstudenten intrekken. Misschien komt er dan eindelijk een einde aan deze cultuur van straffeloos wangedrag van verwende jonge mannen.