Advertentie
BannerNederlandseBoekengids-winter2025

Nostalgie naar dat ene Lab

‘Waarom ging ik graag terug naar het lab in Amsterdam?’ is de vraag die fysicus Frans W. Saris zichzelf stelde af in zijn laatste boek Als de koffie maar goed is. Ter gelegenheid van het 75e jarig bestaan van het AMOLF-instituut in Amsterdam verscheen deze bundel van korte verhalen en anekdotes die afwisselend gaan over het laboratorium en de wetenschappelijke carrière en het gezinsleven van Frans W. Saris. 

Besproken boeken

Het schrijverschap en de natuurkunde lopen als een rode draad door de carrière van Saris. Hij promoveerde in 1971 bij Jacob Kistemaker – een van de beroemdste Nederlandse natuurkundigen –, die ook een belangrijke rol speelt in het boek. Saris was zelf hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, decaan van de faculteit voor wis- en natuurkunde in Leiden, trad later ook in de voetsporen van zijn leermeester als directeur van het AMOLF instituut voor Atoom- en Molecuulfysica, en had tot 2000 de leiding bij het Energieonderzoek Centrum Nederland in Petten. Onder het brede publiek is hij bekend van columns voor de NRC, De Volkskrant en De Gids, en hij schreef verschillende publieksboeken over de wetenschap.

Hoewel het boek ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van AMOLF verscheen, biedt het geen historisch overzicht van het Amsterdamse instituut. Saris’ vraag waarom hij zijn hele carrière terugverlangde naar ‘het lab in Amsterdam’ is het startpunt van persoonlijke memoires, voor een groot deel opgeschreven tijdens corona-lockdowns. De verhalen nemen de lezer mee naar soms ogenschijnlijk willekeurige plaatsen en gebeurtenissen maar bieden bovenal een kijkje achter de schermen in de wereld van de Nederlandse natuurkunde. 

Unieke plaats

Laboratoria zijn uitgegroeid tot een fenomeen dat onlosmakelijk verbonden is met de beoefening van wetenschappelijk onderzoek. Wetenschapshistorici Klaas van Berkel en Ernst Homburg redigeerden recentelijk nog de bundel The Laboratory Revolution, waarin de opkomst van de laboratoriumcultuur in de negentiende eeuw wordt geanalyseerd als een sociaal en cultureel fenomeen dat de aard van natuurwetenschappelijk onderzoek radicaal veranderd heeft. Anno 2025 zijn laboratoria dan ook niet meer weg te denken uit de wetenschap, en doemen ze zelfs ver buiten de natuurwetenschappen op. Onderzoekers uit de geesteswetenschappen bestuderen niet alleen het leven in de laboratoria maar ontkomen ook zelf niet aan de culturele verbeeldingskracht van het laboratorium. De metafoor van het laboratorium, zo stelt een recente publicatie, ‘is zo diep doorgedrongen in de hedendaagse cultuur dat het op bijna alles van toepassing kan zijn’.(1) Alleen al in Amsterdam vind je een Behavioural Science Lab, een Amsterdam Arts and Social Sciences Lab, een Future Societies Lab, en ongetwijfeld zijn er nog veel meer varianten in omloop. Het idee van een laboratorium lijkt een organisatievorm die overal op van toepassing kan zijn. 

De metafoor van het laboratorium is zo diep doorgedrongen in de hedendaagse cultuur dat het op bijna alles van toepassing kan zijn.

Het AMOLF geniet onder het brede publiek bekendheid vanwege de fameuze grondlegger Jaap Kistemaker. Historicus Abel Streefland beschrijft in zijn boek Jaap Kistemaker en de uraniumverrijking in Nederland (1945-1962) hoe de lancering van dit nieuwe wetenschappelijk onderwerp hand in hand ging met een nieuwe benadering van onderzoek, en hoe Kistemaker hier een centrale rol in speelde. In het Amsterdamse Zeemanlaboratorium aan de Plantage Muidergracht – vandaag de dag een appartementencomplex – was Kistemaker begonnen aan een isotopenseparator, een project dat al snel te groot werd voor het universiteitslaboratorium. In 1949 week hij met zijn groep uit naar de Hoogte Kadijk, in een gebouw dat tot dan toe in het bezit was van het Gemeente-Energiebedrijf Amsterdam (GEB). Met technici, instrumentenmakers en een eigen administratie werd er een apart laboratorium opgezet, buiten de muren van de universiteit. Dit werd bekend als het Laboratorium voor Massaspectrografie, wat zich tot 1960 voornamelijk richtte op de centrifugetechnologie, waar later het in Almelo gevestigde Urenco uit voort zou vloeien. 

Het was de unieke plaats van AMOLF in de Nederlandse wetenschap dat de interesse van Saris wekte: ‘laboratoria van de UvA trokken mij niet aan’. Vanaf 1967 was hij als promovendus actief binnen het instituut, waar het einde van het centrifugeproject in 1960 in zekere zin gezien kan worden als het definitieve startpunt van AMOLF. Uit Kistemakers project rond isotopenscheiding ‘ontsproot (…) een hele stamboom van onderzoek’. Een aantal jaar daarvoor was het laboratorium verhuisd naar de Kruislaan in de Watergraafsmeer, waar later ook de Universiteit van Amsterdam begon met de uitbouw van de universiteit. Tegenwoordig staat de plek bekend als het Amsterdam Science Park. Op de oude Annahoeve na is nagenoeg elk gebouw gerelateerd aan de wetenschap. Naast de studentenflats en het Amsterdam University College huisvest het Science Park ook het Nikhef (onderzoeksinstituut voor subatomaire fysica) en de faculteit voor natuurwetenschappen van de UvA, gekarakteriseerd door de telescoopkoepel op het dak. Voor Saris is AMOLF het summum van het wetenschappelijke leven. Aan de laboratoria van de Amsterdamse universiteit voelde hij zich niet thuis: op de vraag waartoe dat onderzoek werd uitgevoerd, kreeg hij naar eigen zeggen nooit een bevredigend antwoord. Tegelijkertijd voelde hij zich ook niet thuis in de typische naoorlogse Big Science. Tijdens zijn verblijf aan het Canadese Chalk River vond hij dat nucleaire onderzoekscentrum onpersoonlijk, en wilde hij er ondanks alle beschikbare onderzoeksfaciliteiten niet blijven.

Wat maakte AMOLF anders? Voor Saris was het Amsterdamse instituut een plek waar ‘creatieve mensen op een georkestreerde wijze samenwerken tot het gestelde doel was bereikt’. Nog belangrijker was het zogeheten doorstroombeleid: zowel mensen als wetenschappelijke projecten moesten regelmatig worden vervangen, waarbij met name jonge wetenschappers de kans kregen op het ‘voorrecht’ om binnen AMOLF te mogen werken. Of zoals Saris het zelf karakteriseert: ‘Vroeger waren we een uraniumfabriek, nu een promotiefabriek.’ Saris staat niet alleen in zijn bewondering voor het Amsterdamse instituut: een externe evaluatie van NWO prees AMOLF in 2016 nog aan als ‘een juweel voor het fundamentele onderzoek in Nederland’.(2)

We volgen Saris op zijn reizen in Canada en Amerika, waarmee het als egodocument ook laat zien hoe een wetenschappelijke carrière op persoonlijk vlak vorm krijgt.

Een andere opvallende rode draad doorheen het boek is het aantal industriële spelers dat de revue passeert. Jaap Kistemaker werkte zelf al nauw samen met Philips, en dat bedrijf komt regelmatig terug als partner van AMOLF. We lezen daarnaast ook over Saris’ interacties met de fameuze Bell Labs in New Jersey, het IBM Research Center in Yorktown Heights en ASM International in Bilthoven. In 2013 ontstond bovendien het Advanced Research Center for Nanolithografie (ARCNL) in de schoot van AMOLF: een nieuw onderzoeksinstituut dat zich met fundamenteel onderzoek richt op de lithografie technologie van ASML en voort kon bouwen op het AMOLF-model. Niet geheel verrassend waren ook veel oud-AMOLF’ers betrokken bij dit initiatief. Voormalig AMOLF-directeur Bart Noordam was bij ASML de initiator, en zowel de vroege als huidige directeur van ARCNL (Joost Frenken en Wim van der Zande) zijn zowel promovendus als groepsleider geweest op AMOLF. Het ‘wij-gevoel’ van AMOLF is voor Saris de kern van het laboratoriumleven, en het lijkt nog lang na Saris voort te leven binnen de Nederlandse natuurkunde.

Het leven buiten het lab

Als de koffie maar goed is biedt bij vlagen een interessante en persoonlijke blik op de ontwikkelingen in de natuurwetenschappen vanaf de jaren zestig. De sterkste stukken zijn niet geheel verrassend teksten die al eerder hun weg naar een breder publiek vonden. We volgen Saris op zijn reizen in Canada en Amerika, waarmee het als egodocument ook laat zien hoe een wetenschappelijke carrière op persoonlijk vlak vorm krijgt. Veel andere verslagen zullen vooral onder naaste familieleden of oud-collega’s op herkenning kunnen rekenen. Wellicht biedt het boek inspiratie voor wetenschapshistorici om de sociale en culturele dynamieken van de naoorlogse natuurkunde verder uit te diepen.

(1) Darren Wershler, Lori Emerson & Jussi Parikka, The Lab Book: Situated Practices in Media Studies (University of Minnesota Press, 2022), p. 1.

(2) Evaluation 2011-2016 AMOLF Physics of Functional Complex Matter (Den Haag, 2018), p. 23.