Advertentie
BannerNederlandseBoekengids-winter2025

Frans Saris (1942-2025): veelzijdigheid als specialisme

Op 29 juni overleed Frans W. Saris: natuurkundige en essayist, en een vriend van de Nederlandse Boekengids. Maarten Asscher schreef een in memoriam.

Alle wetenschapsgebieden hebben met elkaar gemeen dat hun geschiedenis er een is van voortschrijdende specialisering. Konden Archimedes, Aristoteles en Hippocrates nog onderling zeer uiteenlopende onderwerpen naast elkaar overzien en bestuderen, houden wetenschappers in onze tijd zich in hun onderzoeksprogramma over het algemeen binnen één vakgebied bezig met één aspect van één onderwerp. Voor die nog altijd toenemende specialisering zijn allerlei oorzaken aan te geven, maar wie op de websites van Nederlandse universiteiten naar de titels van recentelijk verdedigde dissertaties kijkt, ziet in één oogopslag tot wat voor onderzoekslandschap dit heeft geleid.

In deze steeds fijnere vertakking van wetenschappelijke subdisciplines schuilen tenminste twee problemen: 1) Hoe ervoor te zorgen dat de door en door gespecialiseerde wetenschappelijk onderzoeker ook oog heeft voor de wereld buiten het lab of de werkkamer, voor algemenere oorzaken en consequenties, voor sociale, economische en politieke aspecten van het uitgevoerde onderzoek? En 2) Wat te doen met de ruimte tussen deze steeds kleinere (sub)disciplines, die natuurlijk nooit helemaal op elkaar aansluiten, maar soms overlappen of juist een blanco tussenruimte vertonen? De op 29 juni 2025 onverwacht op drieëntachtigjarige leeftijd overleden natuurkundige en essayist Frans Willem Saris had – en was in zekere zin zelf – een oplossing voor deze twee problemen.

Scherp en principieel

Saris’ proefschrift uit 1971, getiteld Characteristic X-ray Production by Heavy Ion-atom Collisions, was nog een duidelijk voorbeeld van de eerder genoemde specialisering. Zijn onderwerp – hoe op elkaar botsende atomen röntgenstraling kunnen produceren die de kenmerken vertoont van veel zwaardere, niet-stabiele atomen – mocht dan vanuit wetenschappelijk oogpunt wel interessant zijn, maar had naar Saris’ eigen smaak toch te weinig praktische toepassingen. Na het afronden van zijn proefschrift verlegde hij zijn onderzoek richting de zogeheten oppervlaktefysica, waar hij methodes ontwikkelde om oppervlaktes van kristallen in kaart te brengen en te bewerken. Dat onderzoek had meer maatschappelijk nut, omdat één kristal in het bijzonder – silicium – inmiddels werd gebruikt om zonnepanelen en computerchips mee te ontwikkelen.

Na zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar atoom- en molecuulfysica aan de Universiteit Utrecht liet Saris in zijn inaugurele rede op 11 mei 1981 onder de titel Dagboek van een fysicus meteen al duidelijk uitkomen dat hij niet van plan was zichzelf binnen de hokjes van zijn vakgebied op te sluiten. De tekst van deze polemisch getoonzette oratie, waarin hij de al te menselijke en dus geenszins ‘zuivere’ aard van het wetenschapsbedrijf kritisch aan de orde stelde, verscheen in het algemeen literair en cultureel tijdschrift De Gids. Spoedig daarna werd hem gevraagd tot de redactie toe te treden, op de toen binnen het blad gebruikelijke wetenschappelijke zetel die vóór hem was vervuld door de natuurkundige en Philips-researchdirecteur Hendrik Casimir. De overige Gids-redacteuren op dat moment waren de socioloog Godfried van Benthem van den Bergh, de anarchist Anton Constandse, de neerlandicus Rudolf Geel, de arts en antropoloog Arie de Froe, de schrijver Harry Mulisch en de socioloog en essayist Abram de Swaan. Vrouwen in de redactie, daar deed het in 1837 opgerichte oudste literaire tijdschrift van Nederland toen nog niet aan. Zwaargewichten waren deze redacteuren zeker. Het blad was in die tijd aanmerkelijk veelzijdiger dan het puur op bellettrie gerichte tijdschrift dat het tegenwoordig is. Er stonden niet slechts letterkundige bijdragen in, maar ook artikelen, essays en kronieken op het terrein van politiek, literatuurwetenschap, sociologie, exacte wetenschappen, geschiedenis, vertaalkunde, emancipatie, kolonialisme, vormgeving en zoveel meer. In die omgeving voelde Frans Saris zich als een vis in het water, en zijn ideeënrijke en aanvallende stijl van debatteren paste goed binnen deze redactie, die de opdracht had om jaarlijks ruim 800 redactionele pagina’s te vullen met relevante, boeiende en actuele bijdragen. Saris zou meer dan twintig jaar als redacteur aan het tijdschrift verbonden blijven.

Zijn Gids-redacteurschap sloot naadloos aan bij zijn persoonlijke streven om vanuit zijn specialistische vak als fysicus anderen uit te dagen en op zijn beurt ook zelf door anderen te worden uitgedaagd. Zijn intellectuele reactievermogen kreeg verder gestalte in de columns die hij jarenlang schreef voor onder meer NRC Handelsblad en Het Financieele Dagblad. Die columns leidden op hun beurt weer tot de publicatie van bundels als Oververhit ijs (1991) en Vacuüm is niet niks (2001), waarin hij voor een algemeen lezerspubliek fundamentele vragen en maatschappelijke dilemma’s uit zijn leven als wetenschapper in onderlinge samenhang presenteerde. Net als in zijn persoonlijke stijl van debatteren deed hij dat ook op schrift het liefst scherp en principieel. Hij beet zich vast in wat hij zag als de kern van een bepaald vraagstuk, en liet niet los tot de discussie erover ten volle was gevoerd.

Saris werd in 1986 benoemd tot directeur van onderzoeksinstituut AMOLF, waar hij eerder zijn proefschrift had geschreven. Hij onderscheidde zich door zijn brede maatschappelijke betrokkenheid: hij onderhield contacten aan beide kanten van het IJzeren Gordijn en met topinstituten als Bell Labs en IBM, en legde, in die tijd nog onconventioneel, contacten met de industrie. Zijn enthousiasme over nieuwe ontwikkelingen in de natuurkunde, zijn betrokkenheid bij medewerkers en collega’s, en zijn kritische vragen – heb je echt goed nagedacht over waarom je onderzoek relevant is? – maakten van AMOLF een instituut met wereldwijde bekendheid.

Over de schutting

Mede onder invloed van de door hem bewonderde socioloog Joop Goudsblom, voor wiens studie over de geschiedenis van de menselijke vuurbeheersing Vuur en beschaving (1992) hij zeer veel ontzag had, en vanuit een zekere afgunst van biologen, die met hun evolutietheorie over een tijdloze ‘theorie van alles’ beschikten, begon Saris zich vanaf de millenniumwisseling steeds meer bezig te houden met langetermijnperspectieven. Niet alleen de toekomst van onze energievoorziening en de klimaatverandering, daar had hij zich al in de jaren tachtig van de vorige eeuw over uitgesproken, maar ook het streven naar vrede als opperste, evolutionaire opdracht aan de mens en het bestrijden van nieuwe initiatieven op het terrein van kernenergie. De veiligheidsrisico’s en de afvalproblematiek van kernenergie had hij als directeur van het Energieonderzoek Centrum Nederland in Petten (1996-2002) aan den lijve ondervonden, zozeer zelfs dat hij daar eigener beweging ontslag had genomen. De laatste jaren van zijn loopbaan (2002-2007) was Saris als decaan van de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen verbonden aan de Universiteit Leiden. In diezelfde jaren eiste ook de vroeg-dementie en het stervensproces van zijn echtgenote Pien Bertelsmann het nodige van zijn aandacht en zijn incasseringsvermogen.

Het afscheid van Saris als decaan was al even onconventioneel en creatief als zijn Utrechtse oratie als hoogleraar (Dagboek van een fysicus) ruim vijfentwintig jaar tevoren was geweest. In de goed gevulde grote collegezaal van een van die in het weiland buiten Leiden gebouwde universitaire monsterlocaties liet hij in een artistiek-academische performance achtereenvolgens Francis Bacon, Kamerlingh Onnes, Franz Kafka, Albert Einstein, Charles Darwin, Spinoza en Niko Tinbergen opdraven, gespeeld door hemzelf, samen met een collega en twee studenten. Zijn ultieme zegje over de evolutietheorie, in de breedste toepassing daarvan, en over de rol van de vrije wil daarin, deed Saris in zijn boek Darwins cijferslot (2018). In de laatste periode van zijn leven bracht hij, als logisch uitvloeisel van zijn door idealisme gedreven wereldburgerschap, samen met zijn nieuwe partner, de kunstenaar Ursula Neubauer, langere periodes door in Namibië, Suriname en Costa Rica, op zoek naar inspiratie voor hun beider natuurliefde, voor haar kunstbeoefening en voor zijn pacifisme. Hij kon met enthousiasme vertellen over het feit dat Costa Rica het enige land ter wereld is dat niet over een leger beschikt. Op basis van deze reiservaringen reflecteerde hij in artikelen, door hemzelf ingesproken luisterboeken en recensies in bladen als De Nederlandse Boekengids en Argus op de wisselwerking tussen natuur, voeding, biodiversiteit, milieu, CO2-uitstoot, wetenschap en politiek.

Zo iemand was Frans Saris, natuurkundige, essayist, columnist, tijdschriftredacteur, strijder voor vrede. Scherp in discussies over onderwerpen was hij, attent en toegewijd in zijn omgang met mensen. Er zijn heel veel kringen in Nederland en daarbuiten waar hij om al deze redenen bijzonder gemist zal worden.

Al met al kun je zeggen dat de reactie van de natuurwetenschapper Frans Saris op de gangbare grenzen van zijn vakgebied eruit bestond dat die grenzen wat hem betreft in twee richtingen overschreden mochten – nee, moesten – worden. Hij daagde collega-wetenschappers uit andere sectoren en ook het algemene publiek van harte uit om hem als fysicus op de vingers te kijken. Wetenschap was voor Saris een open proces. Omgekeerd stond hij ook zichzelf toe over de schuttingen van zijn eigen vakgebied heen te klimmen, en zich uit te spreken over literatuurwetenschap, hogeronderwijsbeleid, geopolitiek, natuurbeheer, beeldende kunst, filosofie en koloniale geschiedenis. Zijn gezag in die intellectuele verkenningen buiten zijn eigen vakgebied ontleende hij mede aan zijn heldere stijl van schrijven, zijn stevig beargumenteerde stellingen en de gedurfde verbindingen die hij tussen uiteenlopende onderwerpen wist te leggen.

Intellectuele vertaalslag

Daarmee komen wij bij het tweede, hierboven gesignaleerde probleem van de voortschrijdende specialisering binnen de wetenschap, namelijk dat de onderlinge verhouding tussen al die versplinterde subdisciplines steeds moeizamer zichtbaar te maken valt. Dit heeft tot gevolg dat wetenschappers op verschillende vakgebieden elkaars werk nauwelijks nog kunnen beoordelen en dat er dus een soort intellectuele vertaalslag nodig is om het wetenschappelijk bedrijf in zijn totaliteit als spiegel voor de actuele wereld te blijven zien. Alleen dan, immers, kan daar door uiteenlopende denkers, professionals, politici en amateurs over worden gesproken en geoordeeld. Dat vraagt dus om mensen die niet blijven hangen in de aloude alfa-beta-dichotomie uit de The Two Cultures van C.P. Snow, maar om mensen die zowel wetenschappelijke als maatschappelijke eisen aan onderzoekers durven te stellen, die kruiselings tussen disciplines kunnen discussiëren, die zich van literaire en theatrale vormen durven te bedienen om syntheses, principes en dilemma’s scherper en beeldender uit te laten komen. Juist zo iemand was Frans Saris, natuurkundige, essayist, columnist, tijdschriftredacteur, strijder voor vrede. Scherp in discussies over onderwerpen was hij, attent en toegewijd in zijn omgang met mensen. Er zijn heel veel kringen in Nederland en daarbuiten waar hij om al deze redenen bijzonder gemist zal worden.

Met dank aan Daan Mulder voor zijn inbreng.