Welke vorm geven we aan de puinhoop?
Wat als de verbeelding wegvalt in tijden van klimaatcatastrofes? In een drietal boeken geeft Kris Pint zijn bespiegelingen op mystiek, verbeelding en extase – met name in de natuur. Redacteur Kristof Smeyers nam het drieluik tot zich en las daarin dat mensen eigenlijk nooit zonder religieuze verbeelding hebben gekund.
Besproken boeken
Omiwatari. Gods oversteek: zo heet het wanneer het bevroren oppervlak van het Japanse Suwameer ijsrichels vertoont. Temperatuurschommelingen en het stromende water onder het ijs trekken elk jaar een pad van barsten en gaten. Dat pad is volgens een oud verhaal gemaakt door Takeminakata, een god met een gebroken hart die jaarlijks zijn geliefde Yasakatome bezoekt, in een heiligdom aan de overliggende oever. Zeshonderd jaar al noteren de Shinto-priesters dit fenomeen: een ritueel logboek dat onderzoekers nu aangrijpen om klimaatcatastrofe in kaart te brengen. In de laatste vijftig jaar gebeurt het steeds vaker dat het meer niet bevriest – en dan kan de god de oversteek niet maken.
Cultuurfilosoof Kris Pint beschrijft de teloorgang van Omiwatari niet in De extase van de jagers, maar het had er zo in gekund. Het boek is een dwaaltocht door de geschiedenis van de homo spiritualis artifex: de mens die, in Samuel Becketts woorden, probeert ‘een vorm te vinden die een plek geeft aan de puinhoop’. Die zoektocht leidt langs de mystieke ervaring en vergt een religieuze verbeelding, zoals Pint het noemt: aloude beelden en verhalen die het innerlijke landschap van de mens bepalen. Wat als die verbeelding wegvalt, uit de tijd raakt? Dan blijft de puinhoop vormloos, niet te begrijpen en dus ook niet op te ruimen. Dat fundamentele verlies is het startpunt van De extase van de jagers.
Wat er aan het Suwameer gebeurt toont heel scherp hoezeer dat innerlijke landschap overvloeit in het landschap rondom, en hoe de ‘verschraling van onze innerlijke wildernis’ vaak gepaard gaat met concrete landschapsveranderingen. Samen met het ijs verdwijnt ook de religieuze verbeelding.
Pint keert op zijn dwaaltocht vaak terug naar het wateroppervlak als de plek die bij uitstek religieuze verbeeldingen opwekt.
Onder water
Omiwatari resoneert nog om een andere reden met De extase van de jagers. Pint keert op zijn dwaaltocht vaak terug naar het wateroppervlak als de plek die bij uitstek religieuze verbeeldingen opwekt, een mensengeschiedenis lang. De ‘geheimzinnige andere wereld onder het membraan van de waterspiegel’ staat dan voor de innerlijke wereld: een enge, duistere plek waar men maar met behulp van de religieuze verbeelding wegwijs in maakt. Pint hanteert een jungiaans kader wanneer hij de waterspiegel benadert als een toegang tot het onderbewustzijn, en als de plek waar schijnbare tegenstellingen verwateren of oplossen: dreiging en schoonheid, geluk en verdriet – extase en lijden.
De waterspiegel laat Pint ook toe een longue durée te schetsen van iets ongrijpbaars als religieuze verbeelding. Rimpelingen over dat oppervlak geven dan patronen prijs. Met aandacht voor details in beeld en taal gidst hij ons van Lascaux, waar de grotwand net zo goed een membraan naar een andere wereld is, naar de middeleeuwse mystica Christina de Wonderbaarlijke, die zich urenlang onder water ophield; van de god Wotan naar Hadewijchs orewoet; van het ‘rebelse cynisme’ waarmee hij Christus tekent naar het niets van Sartre; van Freuds complexe relatie met het ‘oceanische gevoel’ tot de mystieke ervaring van poolreiziger Annie Dillard bij het zien van open water. Die tocht langs de religieuze verbeelding desoriënteert soms omdat die millennia beslaat en een continuïteit suggereert die niet altijd overtuigt. Zeker in de eerste hoofdstukken over de prehistorie en de oudheid vallen vaak ‘misschienen’ en ‘waarschijnlijken’.
De boodschap komt bovendrijven dat mensen nooit zonder religieuze verbeelding hebben gekund.
Meer nog dan de soms verrassende, soms veeleer associatieve diachronische gelijkenissen tussen beelden en betekenissen komt de boodschap bovendrijven dat mensen nooit zonder religieuze verbeelding hebben gekund. Wie Pint het voordeel van de twijfel gunt, ontwaart het karakter van die verbeelding, niet wars van historische verandering maar net in permanente beweging.
Onttovering en mythe
De extase van de jagers zou je als het laatste deel van een trilogie kunnen beschouwen, waarin Pint reist door innerlijke landschappen. De wilde tuin van de verbeelding was een pleidooi om dat innerlijke te denken als een landschap dat mag woekeren en wemelen. Telkens plaatst Pint het innerlijke in contact met de buitenwereld: het lichaam, de omgeving. In Meteorologie van het innerlijk ging het via de verbeelding van weerfenomenen ook al over ‘bepaalde innerlijke ervaringen die je buiten en voorbij jezelf lijken te voeren’. Meer dan in die boeken problematiseert Pint hier een periode van spirituele malaise, ‘wanneer de cultuurvormen (…) geen overtuigende verbeelding meer kunnen aanreiken voor bepaalde intense ervaringen en stemmingen’. De waterspiegel indachtig haalt Pint Friedrich Schillers gedicht ‘Der Taucher’ aan, maar ik moet ook denken aan diens ‘Die Götter Griechenlands’. Daarin trekt Schiller een lijn door de geschiedenis, van animisme en polytheïsme naar monotheïsme, om te eindigen bij de goddeloosheid van een autonome natuur.
Friedrich Schiller trekt een lijn door de geschiedenis, van animisme en polytheïsme naar monotheïsme, om te eindigen bij de goddeloosheid van een autonome natuur.
‘Die Götter’ toont een romantische visie op de geschiedenis als een verhaal van betekenisverlies. Pints pleidooi ademt dezelfde boodschap als de denkers die sinds Schillers tijd de waarde van religieuze beeldtaal benadrukken in een zogezegd ‘ontgoddelijkte’ tijd. William James, oervader van de psychologie en misschien wel de opvallendste afwezige in De extase van de jagers, onderzocht in The Varieties of Religious Experience (1902) de ‘religieuze impuls’ die (zoals water) steeds nieuwe uitwegen vindt, nieuwe taligheid, nieuwe beelden. Voor James was die impuls al bij al basaal, niet noodzakelijk extatisch of mystiek, eerder het besef deel uit te maken van een groter geheel. Daarmee nuanceerde hij de hardnekkige idee dat de ‘ontgoddelijkte’ moderniteit ook de hunkering naar het religieuze had aangetast, en dat religieuze verbeelding zich sindsdien steeds meer in de verborgen plekken is gaan ophouden.
Pints chronologische aanpak onderschrijft dat moderniteitsbegrip tot op zekere hoogte om er zich vervolgens tegen af te zetten. Religieuze verbeeldingen worden in de latere hoofdstukken over Kierkegaard, Nietzsche en Jung waanbeelden en archetypen, want ‘de wereld van de moderne westerse mens is niet meer die van Lascaux of Bruegel’. Daarmee bedoelt Pint zowel de innerlijke als de uiterlijke wereld.
Een vos op een vuilnisbelt
Religieuze verbeelding is nodig om onze relatie met de buitenwereld niet te verliezen, maar het instinct heeft zich uiteindelijk ook te schikken naar die buitenwereld.
Begeesterd schrijft Pint hoe Bruegels De jagers in de sneeuw hem als een visioen toeschijnt, als de verbeelding van een mystieke gebeurtenis. Het Suwameer in Japan en Bruegels besneeuwde Brabant zijn verwante landschappen, niet alleen omdat ze met hun bevroren waterspiegels de religieuze verbeelding prikkelen. Stijgende temperaturen en CO2-gehaltes drijven Japanse goden weg; De jagers in de sneeuw toont een kleine ijstijd. Wanneer het landschap zo ingrijpend verandert, vraagt dat om nieuwe verbeeldingsvormen. In het laatste hoofdstuk beschrijft Pint de vossen die hij in een natuurdocumentaire een burcht zag maken in een vuilnisbelt. Hun aanpassingsgedrag vergelijkt hij met de veerkracht van Siberische sjamanen, die in de jaren 1970 met kookpotten improviseerden wanneer de Sovjetautoriteiten hun trommels in beslag namen. De vossen geven noodgedwongen een vorm aan hun puinhoop, omdat dat nu eenmaal in hun aard zit – net zoals religieuze verbeelding in onze aard zit, als een soort evolutionair ingebakken instinct waarmee we niet altijd goed weten wat we ermee aan moeten. De vossen in het vuil doen me denken aan de Shinto-priesters aan het Suwameer. Religieuze verbeelding is nodig om onze relatie met de buitenwereld niet te verliezen – om een burcht in de puinhoop te zien, om de voetstappen van een god in het ijs te lezen – maar het instinct heeft zich uiteindelijk ook te schikken naar die buitenwereld. In de marges van de klimaatcatastrofe, nu zoveel landschappen ook in concrete zin onmogelijk worden, doen we er in onze verschraalde westerse wildernis goed aan om te leren luisteren naar mensen die hun relatie met de omgeving mystiek of spiritueel verbeeld hebben. Pint toont alleszins dat we daarvoor ook uit een religieuze erfenis kunnen putten.